een blauwe gitaar (8)

door johan_velter

copernicus

The blue guitar, de roman van John Banville uit 2015, is een dialoog met Wallace Stevens, misschien niet zozeer met wat Stevens beschrijft maar wel met wat hem beweegt, wat zijn problematiek is. Beide schrijvers willen een houding aannemen tegenover de tijd, hun tijd, om zo volwaardig mens te kunnen zijn en worden. Het denken is het ware leven. Het is ook revelerend om te weten dat The man with the blue guitar van Wallace Stevens een antwoord is op het al te romantische en onjuiste beeld van Walt Whitman in diens Song of myself. Stevens stelt daartegenover een redelijk, rationeel, realistisch leven en ook voor hem is dit een oratio pro domo, een zelfrechtvaardiging tegen de blikken van de belagende buitenwereld. In het gedicht van Stevens wordt de problematiek van het opgaan in de ander en de kosmos aangeraakt maar er blijft een fundamentele scheiding bestaan: het bewustzijn zorgt daarvoor. Tegelijkertijd wil hij een nieuwe blik creëren, een nieuw perspectief zien – maar dat gebeurt binnen de cultuur én binnen de maatschappij: er is geen sprake van dat er bij Stevens een anti-cultuurhouding aanwezig is en welke eenzaat hij ook moge geweest zijn: de mens staat in de wereld en helaas behoren daar ook sommige mensen toe.

Fascinerend is het besef dat het gedicht mislukt is. Het laatste gedicht is niet echt een afsluiting die het niveau haalt van andere gedichten, de inhoudelijke conclusie is nogal zwak en in zekere zin banaal, er is nog een beeldsterkte maar die is toch verzwakt omdat de eerdere beelden niet echt ontwikkeld worden tot een nieuw beeld, integendeel, de laatste gedichten introduceren nieuwe die niet tot een volle ontwikkeling komen. Toch is dit een klassieker – alle klassiekers zijn monsters. We moeten de beweging van Stevens in gedachten houden, net zoals het leven nooit ‘afgeleefd’ kan zijn, zo ook niet deze kunst – niet de leugen van het classicisme.

Dat John Banville met The blue guitar een ideeënroman geschreven heeft, wordt bevestigd door zijn oeuvre. In zijn historische romans heeft hij een aantal figuren beschreven die tégen hun eigen tijd ingingen omdat zij zagen en inzagen wat de mogelijkheden van het denken waren. Zij hielden zich niet aan de realiteit van de macht, de traditie, de domheid maar keken met nieuwe ogen. Copernicus, Newton en Kepler hadden elk een blauwe gitaar.

De roman Doctor Copernicus uit 1976 heeft als motto:

You must become an ignorant man again
And see the sun again with an ignorant eye
And see it clearly in the idea of it.

Versregels uit Notes toward a supreme fiction van Wallace Stevens. Het zou al te oppervlakkig zijn (maar Banville misleidt ook graag zijn lezers) om de zon hier te lezen als de reële zon. Net zoals in The blue guitar gaat het Banville om verschillende, parallelle werelden die naast elkaar bestaan. Ook dit citaat kan als romantisch gelezen worden – maar wetenschappers verbinden we terecht niet met dat soort mindenken – maar is een fundamenteel wetenschappelijke houding. Thomas S. Kuhn heeft dit beschreven in zijn The structure of scientific revolutions (1962, 2nd ed. enlarged 1970), er is een paradigmawisseling wanneer de verzameling problemen niet meer opgelost kan worden in een gegeven denkkader. Dan, als een komeet, verschijnt een waarheidsspreker (die uiteraard vervolgd wordt) die een nieuwe omgeving aanreikt – en hij doet dit met getallen in de hand, niet met de zweep of met de valse tong van de lafaard. Het zijn deze figuren die door Banville naar voor geschoven worden. In het geval van Doctor Copernicus beschrijft Banville nauwelijks een leven, nog minder wat Copernicus precies gezegd en geschreven heeft, maar hij maakt omtrekkende bewegingen, hij scheert rakelings naast dat wat de sokkel van dat leven (en ons leven) is en suggereert een andere manier van denken. Mooi is hoe hij een leven beschrijft dat niet heroïsch is, dat niet de wereld wil trotseren maar doet wat het moet doen en het liefst in het verborgene zou willen leven. Banville concentreert zich op het innerlijke leven, niet op de uiterlijkheden van piep en pifpaf.

We mogen de referenties naar Wallace Stevens ook niet eng begrijpen, in die zin dat een motto aan het begin van de roman die niet volledig bepaalt. Een flard, een citaat staat hier immers voor een geheel: Banville verwijst naar het oeuvre van Stevens, niet wil hij met een roman een bepaald gedicht, een bundel of een vers illustreren. Het gaat om denkrichtingen, gedachtenwerelden. Zo verwijst Banville in zijn roman over Copernicus ook naar The necessary angel van Wallace Stevens, die bij hem de zwarte engel van de realiteit wordt (deze kleine reeks had ook De tirannie der dingen genoemd kunnen worden). Ik haal nu enkele flarden op, ik gebruik de Nederlandse vertaling van Rob van der Veer uit 2001 en opgenomen in de verzamelband Omwentelingen (Atlas)

Uit het motto tot de roman blijkt duidelijk dat de visie van Stevens en Banville een intellectuele is. Het is niet de empathie van de hedendaagse mens, ook niet het sentiment van de romanticus maar de sympathische intelligentie van de filosofische mens: het is door en in het denken dat er verbanden gelegd worden, in het bewustzijn wordt er in het universum geleefd. Dit wil zeggen dat er een intellectueel begrepen verband is – en intellect staat niet voor de kilte of de afstandelijkheid maar wel voor de betrokkenheid en warmte. Zo begint Copernicus, in de Nederlandse vertaling: ‘Eerst had het geen naam. Het was het ding zelf, het levende ding.’ : hier hebben we al de problematiek van The blue guitar: Things as they are – Throw away the lights, the definitions. De dingen betekenen op zichzelf niets. Banville beschrijft het denken van Copernicus, vooraleer hij Copernicus was, en dus hoe hij als jongen tegenover de wereld stond en die trachtte te grijpen. Kwajongensgedoe is niet aan de mens besteed.

De roman begint met de jeugd van Copernicus – maar vooral in wat hij achter zich moet laten, wat hij vergeten moet. ‘Ze namen het mee en begroeven het, en na verloop van tijd vergat hij wat hem zo had verbaasd.’ (p. 18) ‘Vergeet nooit dat we afkomstig zijn uit een voornaam geslacht van kooplieden, magistraten en geestelijken van de Heilige Kerk – allemaal patriciërs! Ja, vader.’ (p. 21) ‘Vergeet niet,’ zei zijn moeder tegen hem, ‘je bent net zo goed een Watzenrode als een Koppernigk. Je oom zal op een dag bisschop zijn. Dat mag je niet vergeten!’ (p. 22) ‘In de steek gelaten begon Niklas discreet te huilen.’ (p. 25) ‘[…], al hadden ze hem nog zoveel bijgebracht; met geen van de namen die ze hem hadden geleerd was de oorzaak te benoemen. Zelfs de God van Barbara trok zich geschokt zwijgend terug.’ (p. 26) Wat de anderen zeggen dat hij moet onthouden, precies dat moet hij vergeten. Hij moet zich ontwortelen om te kunnen worden.

‘Harmonia’ (p. 35) verwijst naar de bundel Harmonium van Wallace Stevens. Ook in  deze roman speelt de kwestie nominalisme-rationalisme: betekent de naam iets? – Stevens : gooi weg de definities. De vraag naar de tijd, de beweging: is de rivier hier gelijk aan de rivier daar? Pagina 37: de problematiek van het particuliere en het abstracte. De voorwaardelijke waarheid van Stevens: we geloven in ficties omdat we niet anders kunnen (we weten dat mensen geen broeders van elkaar zijn maar we doen (om te kunnen leven) alsof die broeders zijn): ‘Geloven wij erin, zelfs als wij zeggen dat het waar is? Het is namelijk zo: als we ons met dit soort aangelegenheden bezighouden, wordt de waarheid een meerduidig begrip. […] luister: alle theorieën zijn slechts namen, maar de wereld zélf is een ding!’ (p. 39). ‘Nu werd hij een ding, […].’ (p. 41). ‘Wat hij zocht was iets anders dan alledaags vlees, wat hij zocht was iets wat bestond uit licht en lucht en een wonderbare ernstige vrolijkheid.’ (p. 41) : de ‘jocular procreations’ van Wallace Stevens. Ach, en al die verwijzingen naar de dingen: steeds weer dezelfde vragen: wat begrijpen we, hoe begrijpen we? die filosofische vragen zijn en de positie van de mens in het universum bepalen – hoe geniaal is de visie van Banville dus geweest om juist die ‘sterrenkundigen’ als personages te nemen, zij die werkelijk een nieuwe visie gegeven hebben maar zonder de begeestering te verlaten. (Eigenlijk zou John Banville als sluitstuk van zijn oeuvre René Descartes moeten beschrijven.)

John Banville toont hoe het vrije denken mogelijk wordt. De ervaring is niet voldoende, de feiten onvoldragen, de kennis is nog geen inzicht. Er moet dus meer zijn – en ook voor hem is dit de wereld van het bewustzijn – maar nu loop ik al vooruit want dit is de kern van zijn roman The blue guitar.

Advertisements