een blauwe gitaar (7)

door johan_velter

picasso_de acrobaat_1930

Gedicht XXVIII. Een wereldbevestiging: een ik die zijn verhouding tot de dingen beschrijft : I am a native in this world. Als een inwoner denkt de inwoner. En tegelijkertijd is dit ook een bevestiging van ‘het atomisme’: het is een ik dat denkt – Descartes. Van dit zelfbewustzijn gaat Stevens naar de dingen: zoals de ik denkt zoals hij is, zo zijn de dingen zoals ze zijn, waarmee eigenlijk de verhoudingen ontkend of teniet gedaan worden: elk staat op zichzelf. Dit alles is echter geen ‘bloot bewustzijn’ maar beademd met het bewustzijn van de blauwe gitaar. Het harmonische is een illusie: de dingen en het ik zijn gescheiden.

Gedicht XXIX. Het gedicht begint met het beeld van de dichter in de kathedraal – dit is echter geen katholieke ruimte voor Wallace Stevens maar wel een plaats van stilte en bezinning – het eng-katholieke overstijgend. Net zoals in gedicht XXV spreekt Stevens van balanceren: het gewijde en het profane moeten elkaar in evenwicht houden – poëzie is ook altijd levenspoëzie. Er is het besef dat de naald van de weegschaal nooit stilstaat, dat het ene het andere is maar ook niet. Dan plots een volledige ontkenning: The shapes are wrong and the sounds are false. / The bells are the bellowing of bulls. Er zijn twee grondhoudingen mogelijk: de spirituele of de materiële – voor Stevens biografisch te duiden: verzekeringsagent of dichter. Stevens wijst die religieuze component af: de vormen zijn voos. En weer een negatie die een bevestiging is: de laatste regels van dit gedicht spreken over een Franciscaanse monnik omdat de franciscaners in de wereld stonden, zij hadden een wereldse component. Het fertile glass waarmee het gedicht eindigt kan verwijzen naar de wijn als bloed van Christus, de wijn als heilsdronk maar kan ook een omgekeerde Marcel Duchamp betekenen: de vrijgezel wordt een schepper.

Gedicht XXX. Nu schept Stevens zichzelf een mens: From this I shall evolve a man. En deze mens moet geworteld zijn in de wereld (hij gebruikt het beeld van de voorstad, Oxidia :  banal suburb). Dus nee, geen grote verzuchtingen, geen godengelijke mensen maar aards en zichzelf gelijk. De marionet, de pop in dit gedicht staat voor de dichter – hij is ‘gemaakt’ maar hij leeft in de wereld.

Gedicht XXXI. Weer het contrast tussen de schoonheid en de dagelijkse miserie. De vogels zijn de lokroep van het wezenlijke, dat wat belangrijk is. De ochtend geeft wel licht maar is niet de zon van het denken. Daar moeten we het mee doen en we moeten de dingen laten zoals ze zijn: een veelheid, een botsing, een anders-zijn.

Gedicht XXXII. Het volgende gedicht begint met een triomf en een groot gebaar – die echter niet antirationalistisch begrepen mag worden: Throw away the lights, the definitions, / And say of what you see in the dark – een oproep om verder te kijken dan het morgenlicht, dan wat vlak voor onze neus staat. Denken buiten de opgelegde en vastgelegde kaders, niet de oude namen gebruiken. En er moet een haast mystieke vereniging tot stand komen: niet meer de objectivering maar het opgaan – een streven naar harmonie die bestaat uit een voortdurende worsteling tussen twee tendensen. En een humanisme: het Vlaamse Plus est en vous wordt door Stevens wondermooi vertaald in het beeld van de blauwe gitaar: jij bent jij en het is het denken dat jou zal verrassen: You as you are? You are yourself. / The blue guitar surprises you. Dit lijkt een romantische conclusie te zijn, maar dat is het niet want we moeten alle vorige stappen over de wereld als wereld in gedachten houden.

Gedicht XXXIII is een veroordeling van een generatie die enkel het slijk van het geld en de ambitie zag. Voor haar was de tijd een afgesloten blok, geen blik naar de toekomst. En ons leven is als een steen, droog brood als we niet kiezen voor The imagined pine, the imagined jay. Maar Stevens benadrukt dat er tussen de droom en de werkelijkheid een worsteling moet zijn: beide elementen maken het menselijke uit: a wrangling of two dreams. De pijnboom is de altijd groene boom en is het teken van de hoop en de levenskracht. De Vlaamse gaai is het gekakel maar als een verbeelde gaai is hij ook de kracht van de taal. Zowel de vogel als de boom moet begrepen worden in de betekenis, niet in het loutere zijn. Er is een aanvaarding, een verzoening van het groen (de pijnboom) met het blauw van de vogel.

Nu is duidelijk gemaakt hoe groots dat werk van John Banville wel is, hoe hij zijn eigen boek als een jocular procreation geconcipieerd heeft en dus wat de betekenis van zijn roman The blue guitar is. Als toegift toch nog een citaat van hem uit The Paris Review: ““I don’t want to write about human behavior.”

Beeld: Pablo Picasso, L’acrobate, 1930

Advertisements