een blauwe gitaar (6)

door johan_velter

magnelli-steen_1934

Gedicht XV. Het vorige gedicht sprak op een indirecte manier over kijken, schilderijen en er kan in de beschrijving zelfs een stilleven van Cézanne of Picasso voor ogen gebracht worden (of samengesteld worden), in dit gedicht wordt Picasso bij name genoemd. Hier wordt zijn werkwijze in herinnering gebracht: een schilderij is een som van destructies. De dichter vraagt zich af of de ‘uitbeelding’ door Picasso in een afbeelding een waarheidsgetrouw verslag is. Ben ik versplinterd? Ben ik geen geheel? Ben ik een verzameling fragmenten? En die wereld is die van mij? Of ben ik uit de wereld gezet?

Gedicht XVI. De vraag naar leven en levenloosheid wordt in dit gedicht verder ontwikkeld. De aarde is niet vruchtbaar maar een steen, niet een moeder die de zondaars opvangt. Dit gedicht is als een psalm waarin de wereld beschreven wordt als een hel. Maar ook hier is er een ambivalentie: tot wie spreekt Wallace Stevens? Lees hoe hij het Oude Testament naar het hier en nu overbrengt, ik citeer Rein Bloem: ‘De aarde is geen aarde maar een steen, / Niet de moeder die de zondaars opving, // Maar steen, maar als een steen, nee niet / De moeder, maar een verdrukker, maar als // Een verdrukker die hen hun dood misgunt, / Zoals hij de levenden hun leven misgunt. //Om in oorlog, met oorlog, te leven, / Om het akelig psalter te kappen, // Om Jerusalems riolen te maken, / Om de nimbussen elektra te geven – // Leg honing op de altaren en sterf, / Jullie minnaars met je bitter hart.’ Mag ik er op wijzen dat dit gedicht ‘het midden is’ (of beter gezegd: ‘het midden benadert’ want er is geen midden) van de reeks van 33 gedichten? Dat deze bittere zang het hart van een mens betreft?

Gedicht XVII. En zien we weer de beeldenconsequentie en de vervolgstappen van Wallace Stevens werken. Nu spreekt hij van ziel, engel, het duivelbeest, de religieuze connotaties worden verder gezet. Het is de persoon (en dit staat voor het subject, het ik, het bewustzijn) die een vorm (a mould) heeft, het is het beest dat vormloos is (een middeleeuwse opvatting) – en hier verwijst hij impliciet naar de vormbreking door het modernisme, we zullen nog zien hoe hij dit keert en verder ontwikkelt. En nogmaals: in Doctor Copernicus heeft John Banville dit idee verder ontwikkelt – en ook bij hem was er een breker aan het werk: een denker die de kosmologie anders dacht waardoor het uitzicht van de wereld kon veranderen – maar ging het dan niet over The blue guitar van John Banville? Dat Wallace Stevens géén simplistische opvatting over goed en kwaad had (waardoor de biografie van Paul Mariani fundamenteel verkeerd is) wordt in dit gedicht getoond: plots wordt de blauwe gitaar het instrument van het beest – wat eerst een positief gegeven was, keert zich nu naar iets angstaanjagend. En hij vraagt zich af of de blauwe gitaar een vorm is, een schelp gelijk? En dit beeld brengt hem naar het hoorngeschal, de triomf maar de hoogte evoceert ook de laagte, het gedicht eindigt met een pascaliaans beeld: A horn, on which its victory / Is a worm composing on a straw. (Op een hoorn, waarop zijn zegepraal / Een worm is, componerend op een riet.’)

Gedicht XVIII. Tegenover dit negatieve stelt Stevens weer een positief droombeeld, een opgaan in de wereld – want de droom kan een ding worden dat toch loskomt van de dingwereld (men ziet hoe verleidelijk het is een heideggeriaans woordgebruik te hanteren, terwijl het denken van Stevens zich niet verhoudt tot dit soort metafysica – laat ik de duivel spelen: les extrêmes se touchent : hoe tegengesteld men ook is of denkt, uiteindelijk staat ieder voor de rivier en elkeen bevestigt: ‘dit is water’). The senses die Stevens hier beschrijft is dat wat het materiële (in de filosofische betekenis) overstijgt: het smaken, het horen, het ruiken, het zien, het voelen maar niet in een romantische betekenis wel in een rationele: met bewustzijn, in ernst en stilte. Tegelijkertijd is dit een wereld die verwijst naar een shakespeareaans tussenuniversum, dat van de elfen, nimfen.

Gedicht XIX. De andere zijde is de monsterzijde en ook die is deel van onszelf – men moet nog steeds het kubistisch en vlietend denken van Stevens in gedachten houden. (De kern van het kubisme is de veelvormigheid in een gelijktijdigheid.) De monsters van Goya zijn ook onze monsters en ook die spelen op het muziekinstrument, de leeuw in de luit, toch eindigt het gedicht met de metafoor van de steen (zie gedicht XVI) – de leeuw wordt een stenen leeuw. Het gebrul wordt gestold in een vorm.

Gedicht XX. In het vorige gedicht zei Stevens dat we het monster moeten spelen als was het een begrip (as its intelligence) en nu gaat hij verder met de onthutsende en voor velen vernederende vraag, een vraag die vandaag door de meesten niet meer te begrijpen valt: What is there in life except one’s ideas / Good air, good friend, what is there in life?  Leven is denken en dan is de gitaar maar een flauwe kameraad want nog gebonden aan het aardse, het materiële – ook al zijn de klanken ijl.

Gedicht XXI. Het ik vervangt de goden; het platoonse begrip ‘schaduw’ dat verbonden is met het materiële; de abstracte denkbeelden hebben geen schaduw. De berg Chocorua is voor Stevens het equivalent van de Mont Sainte-Victoire van Cézanne.

Gedicht XXII. Maar het denken is een activiteit die in zichzelf besloten is: Poetry is the subject of the poem, wat geen simplistische art-pour-art-gedachte is, integendeel. Wallace Stevens zegt dat poëzie (kunst, denken) een onderwerp moet hebben en daarnaar moet terugkeren. Er wordt een ruimte gecreëerd waar het vuil van de realiteit geen weg vindt en waar de dingen zichzelf kunnen zijn. Er is een constante wisselwerking tussen abstract en particulier: From these it takes. Perhaps it gives / In the universal intercourse. Niet de sentimenten zijn het onderwerp van de poëzie of het denken maar de dingen zelf – én dat wat tot ding gemaakt kan worden.

Gedicht XXIII. Weer zo’n krachtig beeld van Wallace Stevens: de doodgraver (undertaker – en we denken aan Hamlet van William Shakespeare) als een mediair tussen de stem aan de hemel en die op aarde – de geurloze aether tegenover de stank van de alcohol. In de doodgraver herkennen we de dichter: hij zingt van het ene en van het andere. Dit gedicht springt van dat wat boven is naar dat wat onder is : de grommende en de jubelende stem zijn beide te horen en worden één. Er is chaos en donder en dan, komt alles samen: het verbeelde en het ware ; denken en waarheid ; Dichtung und Wahrheit. In het Nederlands liggen de woorden dichter bij elkaar dan in het Engels, daar is het : real, truth, Wahrheit. De vertaling van Rein Bloem: het ware, de waarheid, Wahrheit. Er is een verwijzing naar Goethe, maar dat had ik niet moeten zeggen. Wat een beeld! Het is de doodgraver die ons een oplossing bezorgt en daardoor wordt hij de socratische vroedvrouw die dus het leven geeft.

Gedicht XXIV. Stevens borduurt nu verder op dat gegeven: het gedicht is als een missaal dat in het slijk door een jongen gevonden wordt (en wij denken aan Louis Seynaeve in Hugo Claus’ Het verdriet van België). De dichter beschrijft een moment van inzicht, een vonk die leven geeft: een boek, minder, een bladzijde, nee, nog minder een zin that phrase / A hawk of life. Die havik komt dan in de plaats van het denkbeeld te staan en de jongen kijkt de havik in de ogen: niet om het oog maar om dat wat het oog overstijgt: the joy of it. Het is de positieve bevestiging van het leven, een spel maar het spel is ernstig – geen oppervlakkig consumentisme.

Gedicht XXV. De jongen wordt nu een acrobaat (denk aan Pablo Picasso) die de wereld op zijn neus draagt en een wereldmeester is. Stevens gebruikt de spreektalige uitdrukking ai-yi-yi (zoals Stevens in een brief aan Renato Poggioli in 1953 schrijft) om daarmee de reactie van het publiek aan te duiden dat in verrukking staat voor wat de acrobaat doet. Daartegenover staat het niet-bewuste leven van katten en grassen. De kunstenaar balanceert, hij kan vallen maar hij leeft – bewust.

Gedicht XXVI. De wereld is een kwetsbaar ding (zelfs rots is rots om te vergaan) binnen de dimensies van het universum. De zee knaagt aan de randen. Het denken, de verbeelding, de menselijke kracht worden geschetst als lichtflitsen die kaatsen en weerkaatsen – weer is het die beweging die Stevens op een onthutsend rustige manier kan evoceren: de zekerheid van de oude baas. Toch blijft er een inaccessible Utopia – wat een concrete verwijzing is naar Thomas More maar ook een algemene betekenis heeft: ondanks, is er toch een menselijke beperking, ook in het denken.

Gedicht XXVII. Stevens stelt de zee (de woestheid, de kracht, de natuur) tegenover de wetenschappers en filosofen die enkel zien dat de zee maakt en verwoest maar niet de poëtische schoonheid van de baren. The sea is a form of ridicule. / The iceberg settings satirize // The demon that cannot be himself, / That tours to shift the shifting scene. Zullen we de zee veroordelen omdat ze ons kan uitlachen? De demon die zichzelf niet kan zijn, kan verwijzen naar de cartesiaanse kwade genius.

Beeld : Alberto Magnelli, Stones, 1934

Advertenties