een blauwe gitaar (5)

door johan_velter

Herhaling. John Banville is 1 van de grote Angelsaksische schrijvers en dit kan een nadeel zijn. De ontvangst van het laatste boek van Banville, The blue guitar, is jammerlijk verkeerd geweest. Er wordt alweer gesproken over psychologie, over een boek dat de jaloezie behandelt, weer wordt het boek verengd tot een biografisch ding. Banville behoort tot het kleine, selecte groepje hedendaagse schrijvers dat zich in de grote Europese traditie, die fundamenteel Joods is, bevindt: hij behoort tot de ideeënliteratuur, niet tot de hedendaagse, simpele, Angelsaksische vertelschool.

Maar vooraleer we naar Wallace Stevens gaan, toch nog eerst die eerste zin van de roman van John Banville en die luidt: Call me, Autolycus. Zo luidt de eerste zin van Moby Dick, or The Whale van Herman Melville: Call me Ishmael. En dus weet de lezer dat Banville zich in een traditie plaatst van personages die tegen het noodlot vechten (in zichzelf, buiten hen) en tot inzicht moeten komen. Ook bij Melville wordt de wereld gekeerd: is de jager niet de prooi? Maar hoe subtiel John Banville is: de komma verandert alles. Moet Autolycus het personage, Oliver Orme, roepen. Of moeten wij Oliver Orme Autolycus noemen? Autolycus was de grootvader van Odysseus (Banville-Stevens-Melville-Homeros: wat een rij!) en hij was de meester der dieven. Odysseus werd de arglistige genoemd, hij erfde deze eigenschap van Autolycus. Ismaël betekent ‘God luistert’: wat een bravoure een tragedie met een grap te beginnen.

En in de derde zin laat John Banville zijn personage verwijzen naar that unfunny clown – waardoor het universum steeds maar verder uitdijt. Die clown is a picker-up of unconsidered trifles. Men kan twijfelen wie met ‘die niet-grappige clown’ (door Arie Storm vertaald als ‘pathetische clown’) bedoeld wordt. Is het de clown Feste uit Twelfth night van William Shakespeare (zoals The Independent meldt, of zou het niet (wat ik verkies) Caliban uit The tempest kunnen zijn?

We zoeken naar een verband met Wallace Stevens, een verband die slechts oppervlakkig door recensenten werd aangehaald. Wie met zijn boektitel een gekende en directe band met een gedicht legt en daarbovenop ook nog een citaat als motto toevoegt, wil zich niet zozeer meten met die dichter maar wel zijn ideeëngoed exploreren en in deze tijd binnenbrengen. Maar laten we eerst de cyclus The man with the blue guitar parafraseren – en dit is een uitleg die weliswaar niet helemaal onzinnig is maar ook niet traditioneel. We gaan ervan uit dat de 33 gedichten van de cyclus een gedachtegang zijn en dat er dus geen sprake kan zijn van een constant voortgaand denken. We komen tot een resultaat door stappen terug te zetten, door het gedachte te ontkennen en te vernietigen, door opnieuw te beginnen en door alles samen te nemen om een slotzucht te kunnen slaken. (We lezen gedicht per gedicht, er kunnen tegenstellingen ontstaan, de tegenspraak ligt in het gedicht, tussen schrijver en gedicht, tussen gedicht en lezer, tussen lezers onderling.)

Wat staat er dan in die gedichtenreeks van Wallace Stevens dat zo fascinerend is voor John Banville (en anderen)? The man with the blue guitar bevat 33 gedichten (en we zouden ook iets kunnen zeggen over de getallensymboliek). Alle gedichten bestaan uit tweeregelige strofen, maar een ongelijk aantal strofen, wat de duidelijkheid en verstaanbaarheid niet altijd ten goede komen. Stevens oefent zich in puntige gezegden, laat heel veel weg, zijn gedichten zijn stapstenen zonder getekende wegen. Omdat er geen standaarduitleg bestaat van een of andere hofinterpretator is de cyclus ‘overgeleverd’ aan elke lezer – maar het is opvallend hoe een intelligente schrijver als Banville gebruikmaakt van Stevens’ ideeënrijkdom en –plasticiteit en daardoor het gedicht van Stevens nog hoger kan plaatsen.

picasso_stilleven met steen_1924

Pablo Picasso, Stilleven met steen, 1924

Gedicht I. De situatie: een man met een blauwe gitaar en een publiek. Stevens schrijft over de relatie tussen de dingen en de mens – het gaat dus niet over psychologie maar over een wereldvisie, zoals in het kubisme (paradoxaal neemt Stevens géén kubistisch schilderij van Picasso als ‘model’, wel een maniëristisch werk). De verbeelding is geen vervorming of onwaarheid maar toont de dingen zoals ze zijn. Niet alleen een wereldbeschouwing wordt opgebouwd, ook een ontologie en een waarheidsvinding. Er zijn 3 relatievormen met de dingen: denken, oordelen en handelen.

Gedicht II. Er is een versplinterd wereldbeeld: de dingen zijn niet heel te krijgen, er zijn slechts fragmenten, een hoofd, ‘but not a man’. Maar dat doet niets af aan het zingen zelf, de serenade, de kunst.

Gedicht III. De dissectie van het subject: kon de kennis maar zo simpel als het ding zijn maar nee, we moeten onderdeel na onderdeel onderzoeken en brengen niet het geheel bij elkaar – het is duidelijk dat Stevens hier verwijst naar het positivistisch, sciëntistisch denken dat staat tegenover de continentale metafysica.

Gedicht IV. Is dit het leven, dingen kapot te kloppen? Dit is alles wat we doen: het gezoem van mensen op een snaar – maar ‘het’ ontsnapt ons. Essentieel is dat het oeuvre van Stevens open is, niet alles wordt gevat en dit is tevens de problematiek van de lezer: kan hij loslaten?

Gedicht V. Het meest problematische in dit gedicht is het woord ‘wij’: aanvallers?, verdedigers?, slachtoffers?, poëzieliefhebbers?, het volk? De reeks begon met het subject, nu gaat de dichter over naar de ruimte, straks zal hij de attributen onderzoeken.  Wat is de verhouding tussen poëzie en de wereld? Stevens schetst de wereld als een dode plaats (‘underground’, ‘shadows’) die door de poëzie moet ingenomen worden. Ondanks de lege hemel moeten we (bij Stevens is er weinig vrijblijvendheid) op de gitaar blijven ratelen. Het woord ‘ondanks’ is belangrijk: al is de leegte een evidentie, de leegte moet ons niet verlammen.

Gedicht VI. De gitaar speelt wel en overstijgt daardoor de dingen maar de scheiding tussen ding en fantasie blijft toch bestaan: er is slechts sprake van een schijntranscendentie. Het overstijgen gebeurt ook letterlijk omdat de plaats getransformeerd wordt: het lied zelf wordt de ruimte én het instrument, de gitaar, die de verbeelding is, wordt het ding – dit idee is voor John Banville in Doctor Copernicus een hoofdidee: niet het geloof, maar de rituelen zijn het belangrijkste. (Net zoals hij in deze roman speelt met het stevensiaanse woordenpaar blauw en groen – blauw de hemel en de verbeelding, het hogere van de mens ; groen – de natuur, de aarde, de werkelijkheid (en denk aan de verbanning door Mondriaan van het groen) maar alhoewel het gaat om verschillende eenheden is dit toch niet een vernietigend conflict – wie ooit al Descartes gelezen heeft, weet hoe heilzaam het dualistisch denken kan zijn.)

Gedicht VII gaat over het negatieve. Zoals zon en maan naast elkaar staan, kan ook de mens naast de dingen en naast de verbeelding staan – met andere woorden, kan hij buiten het maatschappelijk en individueel leven bestaan? Is die scheiding aanvaardbaar?

Gedicht VIII. Het ‘negatieve’ gaat verder: een overweldigend natuurtafereel (bijna het clichématige van het sublieme landschap), wolken en storm. De ‘ik’ (de dichter, de gitaarspeler, de kunstenaar, de bevlogen mens) speelt zijn lied, weliswaar niet licht maar langzaam en zwaar. Zijn lied is als een redenaar die tegen de storm in een rede houdt (een roepende in de woestijn) en toch, en toch: de speler speelt en laat het lied bestaan.

Gedicht IX. Het zijn het lied en de gitaar die blauw zijn (dus positief), de figuur zelf is slechts een schaduw – hoe ver staat dit modernisme af van het huidige consumentisme waar alles draait rond de consument waar geen inhoud meer te verdragen is. Maar het blauw (het humane) komt wel uit die grauwe figuur: de kleur is een gedachte, een kleed (een vorm). Het blauw verbindt de hemel met de gitaar de idee. Het droefgeestige van vorige gedichten wordt hier teruggehaald en geplaatst tegenover het ‘meer’, het blauw: de troost van het hunkeren en  het weten.

Gedicht X. De introductie van een nieuwe kleur: Raise reddest columns. De kleur van de triomf, het klaroengeschal, er is iets te vieren. Daar komt een heiden in een versierd rijtuig – het lijkt een Romeins tafereel te zijn. Maar het gedicht keert: wat de triomf is, is de triomf van de tegenstander – maar, en hij beseft het niet, ook die is slechts een hoopje ellende. En al wat hij doet, ook voor hem is het het voorspel van het einde. Als we het sublieme verder in rekening brengen en dit gelijkstellen met de adversary, dan is dit ook de metafysica die hier teruggebracht wordt naar een onvolmaaktheid – ondanks de uiterlijke schijn en glans.

Gedicht XI. De ineenvloeiing van de dingen is een tijdsevocatie: het individuele gaat verloren in het geheel. Wallace Stevens wil nu juist dat monisme aanpakken en hij schrijft: It is the chord that falsifies (Rein Bloem: ‘Het is het akkoord dat vervalst.’). De harmonie is een valse klank want het is de dissonant die het leven brengt en verhevigt. De eenling brengt de waarheid, niet de massa. De massa is als de zee die het goede verzwelgt. John Banville heeft ook dit thema uitgewerkt in … Doctor Copernicus en het resoneert op de achtergrond van zijn roman The blue guitar.

Gedicht XII begint met Tom-tom, c’est moi. De speler geeft twee tikken op zijn gitaar en zegt dat gitaar en ‘ik’ dezelfde zijn: het instrument is het subject; het subject een werktuig. Het hoopje ellende is in een zelfbewust individu veranderd – maar, zoals het past, met twijfels. Wat is het ik, waar zijn mijn grenzen: is het ik een maatschappelijk ik? De dingen (hier bewustzijn en subject) zijn uit elkaar getrokken en toch moeten ze 1 zijn, maar zijn het niet. Er is aanvaarding: It could be nothing else. Met dit gedicht bevindt Wallace Stevens zich midden in de problematiek van de Westerse filosofie, een denken dat worstelt met het ik tegenover de wereld – op een oppervlakkige manier, nl. als een niet-oplossing, wordt het begrip identiteit vandaag als helend element gebruikt – terwijl het een neerhalend politiek machtsinstrument is.

Gedicht XIII. Hier wordt het Europese verdergezet door de verzuchting ay di mi, een Spaanse uitdrukking die zo veel betekent als ‘arme ik’. Men weet dat Picasso een Spanjaard was en dat de gitarist van het schilderij meer een noodlijdende Spanjaard dan een accordeon spelende, pastis drinkende Fransman is. Tegelijkertijd doen die klanken een herinnering ontstaan aan de troubadoursliederen, niet ongewoon omdat ook iemand als Ezra Pound daar zijn inspiratie vond. (Ach, nog zo’n project: ‘hoe het modernisme zich rond de middeleeuwen genesteld heeft’.) En bezongen de troubadours ook niet de onmogelijke liefde, dat wat zichtbaar en aanwezig was, maar niet te vatten? Deze associatie wordt versterkt door het woord ‘heraldic’ (heraldiek) dat dan weer een verbintenis met het ridderlijke aangaat. Opvallend is ook weer de tegenstelling, nu tussen ‘di’ en ‘mi’. Er is slechts een heraldic center of the world dat door de attributen bewerkstelligd is (geen essentialisme) en door Stevens met blauw en pikzwart worden aangeduid.

Gedicht XIV beschrijft die verheffing in beelden, een hemel gelijk (de hemel is niet leeg van mensen). One says a German chandelier – / A candle is enough to light the world. Deze verzen kunnen een verwijzing zijn naar Rilke, Die Sonette an Orpheus, (T. 2, III) waar deze schrijft: » Und der Lüster geht wie ein Sechzehn-Ender / durch eure Unbetretbarkeit. « – Rilke en Stevens hebben overigens meerdere thematische raakpunten. Stevens vervolledigt het beeld: zelfs op een helder middaguur kan het licht van 1 kaars licht bijgeven. Er is een verschil tussen het individu (de kaars) tegenover de massa (essential dark) – Stevens spreekt zich uit voor een individualistisch humanisme. Het krachtige van zijn poëzie is dat hij een heldere gedachte weer in een beeld laat overvloeien: hij spreekt van chiaroscuro, een schildersterm die de werking van licht en schaduw beschrijft om dan weer het beeld van de gitaar op te nemen: het blauw spreidt zich uit over de dingen en die worden begeesterd. ‘De blauwe gitaar’ wordt vereenzelvigd met de fantasie, de verbeelding maar dat woord is te eng – eerder moeten we spreken van menselijke intelligentie in de betekenis van bewustzijn, in-de-wereld-zijn. De dingen zien zoals ze zijn. Maar hoe zijn ze dan? Niet zoals ze zich voordoen, ook zijn ze niet naar een essentialisme: ze zijn zoals de bewuste mens ze ziet en concipieert. Make it new, zei Ezra Pound. Om in kuhniaanse termen te spreken: hij die het meest mens is, verandert het paradigma. Dit is de Westerse cultuur die staat tegenover de Oosterse volgzaamheid in de massa.

Advertenties