een blauwe gitaar (4)

door johan_velter

stevens_seligmann_1

Terug naar De blauwe gitaar van John Banville. Ik volg de Nederlandse vertaling die niet zo goed is en door Cees Koster danig is bekritiseerd (Filter, 2016, nummer 1). ‘Het is een zwaar leven, dat van Orme,’ schrijft Koster, ‘maar geen moment krijg je als lezer enige sympathie voor hem, vooral omdat hij geen enkele sympathie voor zichzelf kan opbrengen.’ Sympathie is hier een meisjeswoord dat geen relevantie heeft want enkel iets zegt over het kosteriaans simplistisch mensbeeld. Hij vraagt zich af waarom we dan zo’n boek zouden lezen en – gevaarlijk, zoals we weten uit de Modiano-vertalingen : ‘Elke literaire tekst moet zijn eigen urgentie bewijzen en die ligt meestal in de overtuigende samenhang tussen stijl en stof. In het geval van The Blue Guitar ligt de urgentie voornamelijk in de toon van de vertelstem.’ Hij vindt ook dat dit een moeilijke term is maar besluit ‘Misschien kun je zeggen dat de toon van een tekst het resultaat is van de stijl in combinatie met de psychologische motivering van een personage, vooral als het om een ik-verteller gaat.’ Voor Koster is dit boek een biecht, en dat is het ook natuurlijk, maar het gaat verder dan een expliceren van een complexe persoonlijkheid die zowel vanuit een superioriteitsgevoel als uit zelfwalging spreekt.

Opvallend is dat hij niets zegt over het woord ‘schelder’ van Arie Storm, wat in vertaling natuurlijk zeer goed past bij ‘schilder’, dat wat Orme ook is (De voornaam van het hoofdpersonage is Oliver, niet Olivier zoals Literair Nederland meent: ‘Zoals in alle virtuoze boeken lijkt de verhaallijn van deze roman eenvoudig. De kunstschilder en verteller Olivier Orme is getrouwd met Gloria, een wat cerebrale saaie vrouw.’) . Maar de vertaling van ‘painster’ is niet schelder, maar heeft met angst te maken. Storm heeft zich laten verleiden door het woordpaar painter-painster en ook hij heeft vormelijk slechts een miniem verschil tussen de woorden. Maar wat een betekenisverschil! Wat een wereld van verschil. Waar ‘schelder’ een eerder agressieve houding is, geeft ‘painster’ een gekwetste weer.

Blauwe gitaar is een verwijt van de wereld aan de dichter. Maar wat de dichter ziet, is juist. De wereld verwijt zichzelf de eigen blindheid.

Dat John Banville géén psychologische roman geschreven heeft, maar een ideeënroman wordt minstens al aangeduid door het citaat van Wallace Stevens. Ook bij hem is er minder sprake van psychologie, emoties en wel van denken en wereldbeschouwing. Stevens wil een denken (en bewustzijn) ontwerpen om van daaruit een leven te beoordelen, de waarde van een leven te bepalen. Stevens heeft het openbare leven van een verzekeringsagent geleefd, het verborgen leven was voor de poëzie. De gedichten kwamen er ’s avonds en ’s nachts, overdag werkte hij het leven. The whole harmonium : the life of Wallace Stevens (Simon & Schuster, 2016) van Paul Mariani is de laatst verschenen biografie van de dichter – merkwaardig hoe zo’n onopvallend leven toch zo veel gegevens kan verzamelen – onopvallend: ondanks het roemruchte gevecht met Ernest Hemingway).

Mariani legt heel veel verbanden tussen dat particuliere leven van Stevens en zijn poëzie, waardoor hij de dichter verengt en weinig recht doet aan het hoge intellectuele en intelligente karakter van dit oeuvre. Stevens verschijnt hier enerzijds als de gevoelige poëet maar in de beschrijving van dat leven komt anderzijds een onaangename mens te voorschijn. Iemand die gevoelloos was voor zijn naaste omgeving en in zijn arbeidsleven geen consideratie had met andere mensen. In die mate dat op het einde van zijn leven 1 van de directeurs van de verzekeringsfirma stelde dat hij maar zou geloven dat Stevens een hart had, als de dokter hem verzekerde dat Stevens een hartaanval kreeg. Mariani vertelt hoe Wallace Stevens het land doorkruiste om mensen achter hun geld te zitten. Hij was genadeloos, steeds wordt dit beschreven als een triomf van de goede werker – maar een goede biograaf zou toch ook eens moeten nagaan hoe het met die mensen/slachtoffers is afgelopen en hoeveel moraal er schuilt in mensen de dieperik injagen. Zelfs in de diepste crisismomenten, deed de verzekeringsfirma gouden zaken – en goud wordt niet op een menselijke manier verdiend.

Mariani heeft geen oog voor de kwalijke kanten van dit leven maar ook niet voor de intellectuele ambitie van dit oeuvre – het is al te gemakkelijk rationalisaties te suggereren, dingen kunnen ook naast elkaar bestaan: het goede denken en het kwade doen zonder dat dit afbreuk doet aan beide – de intenties verzachten niet de daad, de ideeën zijn niet minder juist of waardevol omdat de daden niet volgen.

Wallace Stevens is 1 van de weinige modernistische dichters omdat hij zijn wereldbeschouwing een wetenschappelijke basis gaf; dit werd gecombineerd met een protestantse visie op mens en wereld (er wordt dan altijd verwezen naar zijn Nederlandse afkomst) waardoor het sentimentele nauwelijks kansen kreeg en er een streng-ascetische houding te voorschijn kon komen. De parallelle wereld die Stevens zich schiep was er een van de verbeelding waar het abstracte kon zegevieren. Het imaginaire is voor hem niet een verzameling fantasiewezens of –wensen maar de wereld van het denken, het domein van de mogelijkheden. En precies daar is ‘het echte leven’ te situeren, een ‘diepere’ realiteit – maar de band met de werkelijkheid wordt hier niet losgelaten: het denken is de werkelijkheid. Wanneer Stevens over concrete, zichtbare zaken spreekt, dan beschrijft hij niet het ding zelf maar wat er achter steekt: de merel is een denkbeweging. Tegelijkertijd is dat ding ook de enige werkelijkheid: er is voor Stevens geen goddelijke wereld mogelijk. Op het eerste gezicht lijkt dit alles paradoxaal of mystiek te zijn, maar dat is het niet: de poëzie van Stevens reflecteert het denken dat denkt maar niet de grond kan raken, omdat heel wat niet te begrijpen valt. Stevens vervalt niet in een religieuze potpourri, hij plaatst wel de dingen naast elkaar. Deze poëzie geeft steeds de indruk een rots te zijn, maar de rots is ook te verplaatsen.

Stevens noemde dat leven ‘the intricate metamorphosis of thoughts’ waarbij de beweging, het veranderingsproces, centraal staat: in tegenstelling tot emoties, is het denkleven niet statisch.

Stevens was een product van de Europese cultuur, zijn problematiek was Europees maar zijn denken Amerikaans-pragmatisch, als een verlengstuk van het protestantisme (de Europese cultuur bestaat uit een katholieke stroming die de basis van het misdenken in Platoon gevonden heeft en een protestants-humanistisch denken dat door Aristoteles beïnvloed is. Europa is zowel de metafysica als het empirisme (het rationalisme is een seculiere vorm van de metafysica en de enige superieure denkvorm), zowel de vraag als de methode – het angelsaksische denken heeft de vragen van de metafysica als onzin afgedaan, maar Stevens doet dit niet: hij behandelt die in een ander kader) en filosofie was voor hem altijd levensfilosofie: ‘What was he, after all, if not some New Jersey Epicurean who took long walks and smoked and read the maxims, axioms, and adagia of Leopardi and Schopenhauer and Pascal and Rochefoucauld and called such things the knowledge of the world?’ (p. 49).

Het leven is geen viering van de mislukking: een waarheid kan maar gevonden worden in het succes – ook dat maakt Stevens een volbloed Amerikaan. Zo succesvol hij was in zaken, zo was hij dat ook in de poëziepraktijk. Hij heeft het geluk gehad een aantal belangrijke personen ontmoet te hebben, maar hij heeft er ook veel voor gedaan: hij stuurde zijn gedichten naar de juiste tijdschriften, deed mee aan wedstrijden, mat zich met de juiste personen en onderhandelde over boekuitgaven (al was hij zeer terughoudend in het samenbrengen van de gedichten in een bundel). Met een dichter als Ezra Pound had hij echter niets te maken. Maar ondanks dat is The waste land van T.S. Eliot hét modernistisch icoon geworden, had Stevens echter betere verdedigers gehad en had hij eerder gepubliceerd dan was zijn poëzie hét icoon geworden – en bedenk hoe het negatieve dan niet de overheersende toon geweest zou zijn.

Wallace Stevens was een atheïst die het godsprobleem onderkende. Maar net zoals bij Spinoza is het onduidelijk wat bedoeld wordt (Stevens: is god gelijk aan de verbeelding ? ; Spinoza: is god gelijk aan de natuur ?). Stevens gebruikt het woord god soms voor het mysterie van het leven, zonder een godsgelovige te zijn. Boven het kenbare is er iets dat niet verklaarbaar is, die kern heeft Stevens steeds benaderd, omschreven zonder die te kunnen vatten. Er is een leegte in dit oeuvre, dat brandt als de zon.

Deze problematiek wordt door Mariani echter misbruikt. Stevens stierf in 1955 en hij stierf als een katholiek – zegt men. Die jaren was de Katholieke Kerk bijzonder ijverig om de intellectuelen te bekeren, en om hun ziel als trofee aan de goegemeente te kunnen tonen. Men zegt dat Stevens zich op zijn sterfbed tot het katholicisme heeft bekeerd. De Kerk heeft daar echter, zolang Wallace Stevens leefde, geen ruchtbaarheid aan gegeven. Dit is een onmogelijkheid – die Kerk kennende. De tweede onmogelijkheid is ‘Father Hanley’, een gewone priester die zogezegd diepe gesprekken met Stevens gehouden heeft en hem daardoor heeft kunnen bekeren. Hij verhaalde nadien over de twijfel van Stevens die door de problematiek van goed en kwaad gevoed was en hoe Hanley Stevens antwoordde met de dooddoener dat God ook oneindig rechtvaardig is.

Maar voor een figuur als Stevens heeft de problematiek van goed en kwaad geen enkel belang om al dan niet in een god te geloven. Men kan even goed (en met meer recht) beweren dat deze wereld het uitwerpsel van een god is (zoals John Banville het in Doctor Copernicus plastisch beschrijft): goedheid of slechtheid zijn slechts menselijke waarden. En de rechtvaardigheid is uiteraard een nog slechtere verdediging omdat die slechts een secundaire waarde uitmaakt – hoe kan een god zich verlagen om de rechtvaardigheid na het handelen te leggen? Een goede biograaf zou de antecedenten van Father Hanley moeten blootleggen – overigens kon Stevens volgens de katholieke leer ook niet bekeerd worden omdat hij ‘niet vergeven kon’ (p. 401-402). De reactie van Holly Stevens, de dochter van Wallace Stevens, op de bekering van haar vader, was slechts een schouderophalen : zij hechtte geen belang aan de woorden van die priester. Het is intellectueel oneerlijk van Mariani dat hij haar verdere reacties en strijd tegen het verhaal van deze zogenaamde bekering niet vermeldt – en wanneer we het boek omgekeerd lezen, dan zien we hoe Mariani op een slinkse wijze de katholieke god in het hele leven van Stevens binnengebracht heeft om zo zijn hoofddoelstelling te bewijzen : de grote atheïstische dichter is ‘eigenlijk’ een katholieke dichter. (Waarmee weer het verderfelijk-onmogelijke van het essentialisme wordt aangetoond.) Dat dit de zoveelste pr-stunt van de katholieke kerk was, ontgaat Paul Mariani. Maar ook intellectueel is dit een vervalsing: Stevens heeft geen harmonie bereikt, geen eenheid ontmoet – in dat besef heeft hij geleefd en het concept van de verbeelding was een trachten deze harmonie te bereiken maar met een bewustzijn die wist dat dit niet kon. Zeggen dat Stevens dan toch de harmonie bereikt heeft, is een ontkennen van een leven, een denken en een weg. Toch is deze problematiek niet onbelangrijk, zoals John Banville het liet zien in Doctor Copernicus, omdat het gaat over de vormen, de rituelen, de uiterlijkheden, de oppervlakkigheden en de ontologische waarde ervan. Misschien zijn er alleen maar rituelen en zijn het de vormen die de inhoud zijn. ‘What kept painting or poetry or music alive generation after generation was deep form, for that alone contained within it an “ever-youthful, ever-vital beauty”. (Mariani, p. 386)

Net zoals de beeldende kunstenaars was Wallace Stevens op zoek naar een nieuwe realiteit, of beter gezegd naar een adequatere uitdrukking van een nieuw vermoede en gemaakte wereld. Ook hier trachtte hij 2 werelden op te nemen: die van Marcel Duchamp, die een abstract-intellectuele wereld voorstelde en die van Picasso die een levend-intellectuele kosmos schiep: een combinatie van het particuliere en het abstracte. In het algemene is het ene opgenomen; in het ding is het al zichtbaar. Stevens heeft ook belangstelling voor het surrealisme gehad omdat daar de mogelijkheid van een nieuwe dimensie verondersteld werd, onvermoede gedachten. Mariani schrijft: ‘It is the imagination, then, which allows us to behold the full powers of which we are capable, so that we might transform ourselves into a brave new creation.’ (p. 128). Maar voor Stevens lag de poëzie niet in dat surrealistisch irrationalisme maar in de wisselwerking tussen de werkelijkheid en de sensibiliteit van de dichter (p. 215). Merkwaardig genoeg zwijgt Mariani over de ‘samenwerking’ Stevens – Kurt Seligmann voor de boekuitgave A primitive like an orb (Prospero, 1948).

stevens_seligmann_2

De gedichten van Stevens bestaan uit flinters, zijn denken is een dwalend denken. Men moet niet denken de ‘echte’ Stevens ergens te kunnen vinden, zichzelf vond hij een inconsequente denker en Mariani geeft enkele voorbeelden van hoe zijn eigen interpretatie niet spoort met zijn gedichten zelf – alsof Stevens zijn eigen werk versimpelde. Deze versplintering toont zich in de vorm: ze zijn dikwijls opgebouwd uit apodictische uitspraken die het aforisme benaderen, die een bijna oosterse manier van zitten weergeven – toch beschrijft Stevens bewegingen. Ook daarom blijft dit oeuvre hedendaags en raadselachtig: stappend in en met de tijd, is er het verlangen naar de stilte van wat was. En er is de veelvuldigheid van de werelden – een idee waarmee het oeuvre van John Banville constant speelt.

Ook de wisseling van het standpunt draagt bij tot de verwarring die voor ons zo herkenbaar is. Niet alleen beschrijft de dichter verschillende perspectieven (niet voor niets is hij gevormd door het kubisme van Picasso en Braque), hij laat ook toe dat de lezer een eigen inbreng heeft – de uiteindelijke conclusie (ook van en voor het mysterie) is een lezerszaak. De dingen zijn de dingen, de blikken maken de dingen en tillen die boven de realiteit uit. Ook voor hem luidt het Make it new. En ook hier stuiten we op een paradox: in de uiterste subjectiviteit van de dichter ervaren we de intersubjectiviteit van het menselijke. En dan is er nog iets, die hardheid. Velen lezen het niet in het oeuvre van Wallace Stevens, toch bezit die hardheid, die ijshelderheid ook een agressiviteit tegenover de bedreigende wereld. Het axiomatische van Stevens is geen uitnodiging tot dialoog maar een verweer tegen een mogelijke bedreiging. Het concept plezier staat daarbij centraal omdat dit juist het verweer is: de mens verheft zichzelf boven de banaliteit van de biologie, de geologie, het naturalisme en wordt daardoor meer – het werk van Wallace Stevens staat stevig in een humanistische traditie (en op het einde van zijn leven wilde hij aan het ‘it must be abstract – it must change – it must give pleasure’ een ‘it must be human’ toevoegen (Mariani, p. 392). Daarom schatte hij de poëzie ook hoger dan de filosofie: de eerste kon aan de kennis en de zoektocht het element plezier toevoegen, een ornans. Hij sprak over ‘sterke poëzie’ die in het nu geworteld was en de verbeelding als een kracht beschouwde en aanvaardde, waar de dichter zich echter niet aan mocht onderwerpen (zoals dat bij de surrealisten het geval was): deze kracht staat in het centrum van het bewustzijn, er is geen zich overleveren aan maar wel een zich tegenover stellen om op te gaan. Daarom staat poëzie ook hoger dan filosofie: de laatste formuleert hypothesen over het reële ; de poëzie kan zich meer veroorloven en kan zodoende ontdekken.

En over het leven van John Banville weet ik niets, heb ik niets te vertellen. Maar wat een leven!

Beeld: de twee prenten van Kurt Seligmann uit het boekje A primitive like an orb, 1948

Advertisements