een blauwe gitaar (3)

door johan_velter

John Banville laat in zijn roman De blauwe gitaar een schilder spreken maar de bundel van Wallace Stevens is poëzie (een dichter), de gitaar is een muziekinstrument. Het onderliggend kunstwerk bij Stevens is het werk van Pablo Picasso De oude gitaarspeler, een bijna naturalistisch werk uit zijn blauwe periode. Het blauw staat hier voor miserabilisme, denk maar aan het blauw van het werkplunje, de zo typische overalls en mannenjasjes. Of denk aan de meisjeskostuums van de nonnenmishandelingsscholen. Stevens zelf heeft steeds ontkend dat het schilderij zo’n groot belang had maar dat is misschien wel ongeloofwaardig. In het gedicht zelf verwijst hij naar Picasso en het schilderij lijkt toch (minstens) een vonk op gang gebracht te hebben. Wel is het juist dat het blauw al eerder een rol gespeeld heeft in het werk van Wallace Stevens en dat dit staat voor de fantasie, de verbeelding, het niet-realistische. Daarom nog niet het onmogelijke. Er is een verband met de blauwe bloem van Novalis, de heliotroop en/of de korenbloem, die staat voor de zucht naar het verre, weg van het dagelijkse. De blauwe bloem, en dit is een mooie paradox, bestaat wel degelijk in de werkelijkheid: het zoeken van de romantiek is toch veel een onzinnig dwalen.

romy haag

Romy Haag, de Duitse cultzangeres, de disco-queen, die voor Patrick Conrad nog gezongen heeft in die fantastische film Mascara, en die in David Bowie’s Berlijnse jaren een kleine rol gespeeld heeft – geen enkele Vlaamse bibliotheek is blijkbaar in staat een cd in Duitsland te bestellen, u zal het dus met het internet moeten doen – heeft een lied ‘Meine blaue Gitarre’ opgenomen, een lied van weemoed, verval, verlangen en niet-vervulde wensen – maar ook van inzicht.

Michael Tippett (1905-1998) componeerde in de jaren 1982-1983 een muziekstuk dat op deze gedichtenreeks gebaseerd is, hij volgt niet de officiële titel van het Stevens-gedicht, ook al wordt dit gedicht gemeenzaam ‘The blue guitar’ genoemd. In het werk van de dichter vond de componist een gelijke adem: de gedachten over de poëtische inspiratie vonden een gelijkenis in de waarde van de droom bij Tippett als het overstijgen van de werkelijkheid en het doordesemen van het reële met de kracht van de menselijkheid. Waar het gedicht van Stevens kracht uitstraalt, is de muziek van Tippett echter al te melancholisch-dromerig-dromerig, zwak van toon en inhoud: geen oude, klassieke muziek maar ook niet de kennis bevattende van Schönberg waardoor het stuk niet veel meer dan behang is. Aan het stuk ontbreekt niet alleen artistieke intelligentie maar ook de degelijkheid van de steen: er is geen grond.

Over David Hockney en zijn prachtige prenten – ooit, later, misschien, als de adem het haalt. Maar hier al een prent.

david hockney_the blue guitar

De gitaar had in het begin van de 20ste eeuw een andere betekenis dan nu. Nu associëren we dit met geweld, lawaai, agressie, commercie en banale stoerdoenerij. Het instrument staat midden in de populaire, kapitalistische cultuur. Maar wanneer Braque en Picasso de gitaar in hun schilderij opnamen dan was dit een dagdagelijks element waarop muziek van en voor de kleine man gespeeld werd. Ach, de kitsch van de kleine man. De gitaar heeft lang buiten het officiële orkest gestaan, ze was niet edel genoeg. De gitaar is dus een democratisch volksinstrument – met simpele deuntjes, de zang ondersteunend, wat ritme aantokkelend.

Ze vervangt toch ook de lier van Orpheus en daarmee wordt het instrument een complex geheel van verwijzingen: staande in de nieuwe 20ste eeuw brengt ze een stroom van associaties mee die de cultuurproblematiek (de plaats en betekenis van cultuur) zichtbaar maakt. Een gitaar wordt nooit met grote ambities verbonden, noch met hooggestemde, nobele verzuchtingen – en het is juist dat instrument dat Picasso, Braque, Stevens tot hun instrument maken: ondanks alles (hun eigen persoonlijke situatie) is de gitaar een verzet tegen de macht en de dominantie van een dode cultuur: het is het leven van de dag dat ze in de kunst willen binnenbrengen maar niet zoals het volk de gitaar gebruikt om bij de eigen zuchten te blijven. De gitaar is hen een poort.

Binnen de beeldende kunst herinnert het blauw aan het lapis lazuli, de rijkdom, het exotische (‘de internationale treinen’ van Richard Minne) of de panni paonacei en in de 20ste eeuw staat het blauw voor het onbereikbare van Yves Klein, de vrijheid en de wereld zelf. Vanaf de achttiende eeuw is het blauw de kleur van de macht geworden (wat ver van de verbeelding af staat) maar ook van de massa (uw jeansbroeken) en van de kunst. Michel Pastoureau schrijft: « Sur ce terrain mouvant des préférences chromatiques, le triomphe du bleu avait été préparé depuis longtemps : promotion théologique et valorisation artistique au XIIe siècle, prouesses des teinturiers à partir du XIIIe, primauté héraldique dès le milieu du XIVe, forte dimension morale avec la Réforme protestante deux siècles plus tard. Mais c’est au XVIIIe siècle que ce triomphe est véritablement achevé : d’abord par l’usage à grande échelle d’un colorant naturel remarquable, connu depuis longtemps mais dont l’emploi n’était pas libre (l’indigo) ; puis par la découverte d’un nouveau pigment artificiel permettant l’obtention, tant en peinture qu’en teinture, de tons nouveau (le bleu de Prusse) ; enfin par la mise en place d’une symbolique renouvelée des couleurs, accordant au bleu la première place en en faisant définitivement la couleur du progrès, des lumières, des rêves et des libertés. En ces domaines, le rôle joué par le mouvement romantique et par les révolutions américaine puis française a été essentiel. » (Bleu : histoire d’un couleur, Seuil, 2000, p. 124).

Het blauw van Wallace Stevens is dus een cultuurbegrip, het verwijst naar het verleden en tegelijkertijd is de kleur een persoonlijk attribuut van de dichter : een kleur die een concept wordt en dus gemoduleerd kan worden, die vibraties kan kennen, verschuivingen in het zien en denken veroorzaakt. Een kleur is altijd sensueel, het is verbonden met het aardse, de symboliek verwijst naar het denken en dus naar de verbeelding – wie niet denken kan, kent de verbeelding niet – zie de huidige beeldende kunst.

Waar staat de blauwe gitaar voor? Binnen de Wallace Stevens-interpretatie staat dit voor de verbeelding en wordt dit gesteld tegenover de werkelijkheid. Het is de adem van de verbeelding die de dingen bezielt en in tegenstelling tot wat een aantal Wallace Stevensspecialisten zegt heeft dit geen uitstaan met religie (zeker niet met georganiseerde godsdienst) of met metafysica. De adem is hier het goed gekozen woord: het is de adem van de mens, de wind van de natuur én van de geciviliseerde wereld. In de pas verschenen biografie The whole harmonium : the life of Wallace Stevens (Simon & Schuster, 2016) citeert Paul Mariani Wallace Stevens die de grond van dit gedicht verklaart als : ‘the relation or balance between imagined things and real things’ (p. 222) en dat deze relatie een hoofdbekommernis is in het hele werk van hem.

Het project van Stevens kan omschreven worden als een bezieling van het materialisme; niet het vulgaire maar het geciviliseerde materialisme is het menselijke.

Banville lijkt van deze interpretatie iets af te wijken en hij voegt er een nuance aan toe, een uitbreiding van de interpretatie. Hier is het niet zozeer de verbeelding (want dit wordt maar al te gemakkelijk misbruikt) maar wel de aandacht die men heeft voor de dingen.

En met wat een bravoure en intellectuele kracht heeft John Banville zich van het gedicht van Wallace Stevens meester gemaakt om het te transformeren en daardoor juist te begrijpen.

Advertenties