een blauwe gitaar (2)

door johan_velter

pablo picasso_de oude gitaarspeler_1903

The man with the blue guitar van Wallace Stevens verscheen in 1937 en is een klassieker in de literatuur. Rein Bloem vertaalde dit lange leerdicht. Stevens schrijft geen zoetgevooisde poëzie maar wil in de kunst een ideeënrijkdom exploreren, of zoals de grote Elisabeth de Fontenay het onlangs zei: «J’ai cette conviction que la grande littérature pense.». De vertaling van Rein Bloem is niet zozeer verouderd, dit is nooit een goede vertaling geweest. In het voorwoord dankt Rein Bloem o.a. Hugo Claus voor diens spitsvondigheden (hij dankt hem ook door in gedicht IX diens ‘naam’ op te nemen, een ongewoon woord immers voor ‘speech’ (maar wel passend in de toneelcontext). ‘Of the actor, half his gesture, half / His speech, the dress of his meaning, silk’ vertaalt Bloem als ‘Van de acteur, half zijn gebaar, half / Zijn claus, omklede bedoeling, zijde’) maar hij is ook zo eerlijk te zeggen dat hij veel suggesties niet gevolgd heeft. De vertaling is gekunsteld waardoor het gedicht nodeloos zwaar gemaakt wordt waar Stevens, alhoewel geen gemakkelijke dichter, een eerder lichtvoetige toets hanteert om zijn hedendaagse filosofie op te bouwen. Het dichten van Stevens is een waarlijk denken in beelden, een denken dat verder schrijft en niet blijft stilstaan bij de gewaarwording of beleving. Dat grote kunst ook steeds levensfilosofie is, bewijst Wallace Stevens.

Om de problematiek van het vertalen te duiden geef ik een voorbeeld uit het eerste en het laatste gedicht (het citaat hierboven zegt eigenlijk al genoeg).

The man bent over his guitar
A shearsman of sorts. The day was green.

wordt vertaald als:

De man boog over zijn gitaar,
Een snijder gelijk. De dag was groen.

Het kernwoord hier is ‘shearsman’ dat Rein Bloem vertaalt als ‘snijder’, een woord dat reminiscenties met een slager oproept. Nemen we het ‘grondschilderij’, De oude gitaarspeler van Picasso erbij dan zien we hoe de speler zijn benen kruist als een kleermaker, en hoe hij gebogen over zijn gitaar hangt, zoals een kleermaker boven de stoffen, die hij snijdt en samenvoegt. Het snijden is een chirurgische ingreep maar een kleermaker snijdt én voegt samen: voor het gedicht van Stevens is dit essentieel: er is een kubistische analyse maar er is ook een synthese – waarmee hij de gang van Braque en Picasso volgt: na de analytische periode heeft het kubisme een synthetische gekend.

Het laatste gedicht eindigt met:

The moments when we choose to play
The imagined pine, the imagined jay

wordt vertaald als:

Wij kiezen voor een spel met taal,
De verbeelde pijnboom, de verbeelde gaal.

Het rijm kan onverbiddelijk met de vertaler aan de haal gaan. Wallace Stevens heeft een gedicht gemaakt dat in één interpretatie uitsluitend over het dichten zelf kan gaan maar ruimer gezien gaat het gedicht over het leven van een individuele mens en hoe die mens in de 20ste eeuw moet denken, nu zoveel onmogelijk en mogelijk geworden is. In een persoonlijke crisis heeft Stevens ook de Westerse crisis ervaren. Dit gedicht is dus ruimer te interpreteren dan een oratio pro domo, voor de levenskeuzes die de auteur gemaakt heeft, of een verdediging van de poëzie. Het moet ook gelezen worden als een proces zonder duidelijke uitkomst, ook al geeft Stevens er één op het einde van de cyclus. Stevens schrijft dat er gekozen wordt voor een spel, Bloem maakt er een spel met taal van – en beide uitspraken hebben ‘niets meer’ met elkaar te maken. Het spel van Stevens is niet zomaar een taalspel of taalspelletje maar een levenshouding, een loskomen van zwaarte en verwijst naar de verbeelding (concreter: het gitaarspel). Rein Bloem verandert ook de tijdsduur en de beslissing: er is nu 1 uitkomst. Stevens schrijft echter dat zijn generatie slechts 1 droom gekend heeft (‘the only dream they knew’) maar dat hij kiest voor het spel, dus voor de veelheid. De ‘pine/pijnboom’ staat voor de natuur die geaard is; de ‘jay/gaai’ voor de natuur die ons ontsnapt (als de merel, maar hier de Vlaamse gaai is) en opstijgt maar beide elementen worden verbonden met de verbeelding: er is een band met de werkelijkheid en die wordt niet verlaten maar verbeeld – er is geen sprake van esoterie of psychologie. Maar Rein Bloem heeft ook in zekere zin gelijk omdat de Vlaamse gaai bekend staat als een babbelvogel, een kletskous waarmee de band met de taal gelegd kan worden.

Nog een toegift. Gedicht XV begint met:

Is this picture of Picasso’s, this ‘hoard
Of destructions,’ a picture of ourselves,

Picasso’s doeken noemt hijzelf een ‘troep
Van destructies.’ Is die troep van onszelf,

In een interview met Christian Zervos (Cahiers d’art, 1935) verklaarde Picasso zijn werkwijze met te verwijzen naar de breuk in de 20ste eeuw: in het verleden was een schilderij het resultaat van toevoegingen (laag na laag, personage na personage) maar dat zijn schilderijen ‘une somme des destructions’ waren, hij voegde dus niet toe maar hij vernietigde. Toch spreekt ook Picasso van een som: er is wel degelijk een resultaat, een geheel. De vernietigingen van Picasso zijn voor het schilderij en het wereldbeeld constitutieve elementen: onder de doodskop zit de natuur verborgen (om het al te simpel te zeggen). Picasso ontkent het eerdere niet, integendeel elk element dat toegevoegd wordt, steunt op een verwijdering. Het woord ‘somme’ is uiteraard belangrijk omdat het een positief begrip is, geen negatie. Het is die paradox, die constante dialectiek die het oeuvre van Picasso kenmerkt en hem in een grote, heidense traditie plaatst – tegen de Platoonse metafysica. Stevens gebruikt niet het woord sum als vertaling van ‘somme’ maar wel ‘hoard’, een verzameling. Ook dit blijft een positief woord en brengt elementen samen in een geheel. Rein Bloem leest dit echter als ‘een troep’ en herhaalt dit woord een tweede keer om het op onszelf toe te passen – waar Wallace Stevens het woord ‘picture’, beeld, spiegel voor gebruikt, een neutraal begrip. Een ‘troep’ is negatief, een ongeordend geheel, afval en daardoor verdraait hij de woorden van Picasso. De schilder speelde met het woordenpaar ‘additions-destructions’ om het verschil in werkwijze tussen de klassieken en de moderne schilder aan te duiden maar het gaat niet echt om destructies wel om overschilderingen (en in die zin zijn het ook ‘additions’ niet naast elkaar maar boven op elkaar, het ene zicht wegnemend van het andere, overpeinzingen). Bij Bloem wordt dit nu begrepen als een mislukking: de verschillende vernietigingen hebben tot niets geleid. Door Picasso verkeerd te begrijpen (hij heeft de wereld niet versplinterd maar juist weer bij elkaar gevoegd) begrijpt Rein Bloem ook het gedicht van Wallace Stevens niet die juist in de tegenstellingen en de vernietigingen van het oude een nieuw wereldbeeld wil creëren. Het is juist dit element dat bij John Banville zo’n grote rol speelt [sic].

Wat een durf is het dus van John Banville om zich in deze traditie te plaatsen – en hoe glansrijk slaagt hij daarin!

Advertenties