museum m van mallotigheid

door johan_velter

frans ii pourbus_ca 1595_portret van een onbekende man

Je komt het museum M in Leuven binnen, áls je binnengeraakt en áls je niet buiten gekeken wordt, in een immense lege hal, gevuld met lucht. Vroeger was er nog het begin van een boekhandel, nu is er nog enkel een toeristenstandje. Waarom een boekhandel als er winkelstraten vol boekwinkels zijn, denken ze daar. Maar een restaurant is er wél en die blijft natuurlijk want er zijn in de stad geen gelegenheden om te drinken en te eten.

De eerste zaal van de ‘oude kunst’ is een goede zaal, ook al is die te vol en zijn de bijschriften nogal euh nogal. Daarna kom je (ik beschrijf niet alles, ik volg een weg) in een zaal met oude meesterwerken en het museum bezit wel degelijk een aantal belangrijke en/of interessante schilderijen. Maar de werken komen niet tot hun recht omdat het plafond te laag is. Nu is het alsof een aantal schilderijen afgekapt zijn of schuin geplaatst worden om ze toch maar te kunnen tonen. Er zijn wat panelen geplaatst om zo veel mogelijk in een al te kleine kamer te kunnen persen. De museumbezoeker denkt: ‘wat haat men hier de kunst’. Ik zwijg dan nog van de slechte verlichting – sommige schilderijen staan in het duister, van andere zijn delen niet te zien door de verkeerde plaatsing van de lampen.

En dan kom je in de grote zalen, immens veel licht, hoge plafonds, ruimte zat. En wat toont men daar? Moderne kunst die al lang geen moderne kunst meer is maar behoort tot de achterhaalde moderne kunst. Politiek correcte kunst, de stadsideologie wordt weer eens verkondigd. En dus – veel is voorspelbaar- natuurlijk ook video. In de winter van 2016 was er werk van Sarah Morris te zien, zeer aantrekkelijk door haar eenvoud en eenduidige kleurvlakken. Maar ook een videofilm van stadsbeelden, niet op een klein scherm maar metershoog en metersbreed zodat er een overweldigend effect op de toeschouwer toegestroomd kwam, de toeschouwer die schouderophalend zijn rug keert. Als Richard Serra metershoge en metersbrede werken maakt, dan hebben die verhoudingen zin en zijn ze niet om te verbluffen maar om zichzelf te zijn. Hier was het weer, en dit voor de zoveelste keer, het uitschreeuwen van zichzelf: kijk, hoe hedendaags ik ben: een groot scherm. (En mijn dagelijkse ervaring is: hoe groter het scherm, hoe dommer de bedenker.) De schilderijen die van Morris getoond werden waren uiteraard ook zeer groot én tussen de werken was er meer dan voldoende ruimte zodat de werken elk op zichzelf beschouwd konden worden – niet dat dit de bedoeling was. Wat een verschil met de oude kunst, daar hangen de werken dicht naast elkaar en kan geen enkel werk op zichzelf gezien worden.

Maar ik ging naar Museum M van mallotige middelmaat voor de tentoonstelling over Hendrick De Clerck, een schilder die niet zo bekend is maar toch interessant werk geleverd heeft, hij leefde van 1560 tot 1630. Ook toen leefden mensen lang. Je komt binnen (na een dwaaltocht) in een kamer die veel te laag is maar ook hier een muurhoge video als welkom. Een vrouw die bijzonder onflatteus gefilmd wordt, heeft het woord genomen en staat die niet meer af. In een Nederlandsachtige taal doet ze verslag van zichzelf. Ha, denkt en roept het Museum M van mallotige middelmaat, wij zijn modern, wij hebben ‘multimedia kamerbreed en -hoog’. Toch is het maar een filmpje. Met het lawaai van mevrouw op de achtergrond bezoek je de tentoonstelling: de zaal is te klein om dit soort werken te tonen en de inspiratieloosheid is al te duidelijk. Men heeft een aantal werken bij elkaar gehaald maar men maakt geen ambitie zichtbaar. In het Louvre hangen twee werken van De Clercq op zaal en beide werken smeken om eens in een goede context en op een normale hoogte bekeken te worden (Diana ontdekt de zwangerschap van Callisto (1608) en Het huwelijk van Thetis en Peleus (1606). Dan valt het op hoe weinig bruiklenen er zijn: de tentoonstelling mocht blijkbaar niet te veel kosten. De werken konden ook in een samenhang getoond worden: waarom toonde men geen Rubens om beide stijlen tegen elkaar af te wegen? Het zal te veel moeite gekost hebben. Er is natuurlijk een rariteitenkabinet, altijd gemakkelijk en vrijblijvend. Je wandelt door de tentoonstelling en telkens weer besef je hoeveel kansen men heeft laten liggen. Hoe weinig gedegen uitleg er is, hoe vreemd men alles presenteert. Hoe men minachting heeft voor de kunst en de bezoeker. En als men dan toch met ‘multimedia’ wil werken, kan dit wel op een wetenschappelijke-didactische manier gebeuren. Want men hoeft inderdaad niet altijd de werken materieel te tonen: men kan virtuele (!) verbindingen maken. De catalogus kost 125 euro – dan verwacht je toch een uitzonderlijke monumentale uitgave. Niets van. Dit is een gewoon kunstboek waarin zelfs nog niet alle gekende werken van De Clercq zijn opgenomen. In het museum zelf kostte het boek de helft van de handelsprijs.

De auteur en ‘curator’ van de tentoonstelling was Katharina Van Cauteren, werkzaam in het bedrijf van Fernand Huts, de grote mecenas, kartonbouwer en arbeidswettenbreker. Je kunt de man zijn pleziertjes niet onthouden, je kunt zelfs een zekere bewondering voor hem koesteren maar de lege branie is er toch te veel aan. Het boek is zogezegd betaald door Huts, maar met een kostprijs van 125 euro is het belachelijk dit te beweren. Het boek zelf is niet uitzonderlijk, integendeel sommige prenten zijn al te onscherp (zie bijvoorbeeld p. 136 waarvan het ook onduidelijk is wat de linkerkant behelst). Er is veel goud maar goud is overbodig. Ook de tekst is niet denderend te noemen. Integendeel, als voorbeeld van mallotige kunstgeschiedenis kan dit boek de geschiedenis ingaan. Er is geen index, wel zijn er in het boek 2 portretten van de auteur zelf opgenomen.

Hoe kun je die stijl omschrijven? Het is een mengeling van volks vermaak, platvloers gepladder en treiterig uitdagen – de hond is zoals zijn baas – maar oppervlakkig gefladder is daarom nog niet juist. De stijl is de uiting van een nihilisme. Niet een waardennihilisme maar dat van het geld: buiten geld en macht is niets van waarde, is alles belachelijk. En het hoge dwingen we tot ons niveau, dat van de geldzucht, de pronkzucht en de buikzucht.

Om een voorbeeld te geven. Op p. 287 geeft Van Cauteren een ‘informatiehoekje’ prijs over Justus Lipsius. Ze kan niet anders dan enigszins de lof zingen maar ze doet dit op een manier zoals tante Germaine met haar buik vooruit, de benen uiteen en de handen in de zij ‘ah ja?’ vraagt: de bevestiging van het ongeloof en het naar omlaag halen van alles wat niet direct zichtbaar goud is. En dus schrijft Katharina Van Cauteren: ‘Al op zijn negentiende publiceert de geleerde een bundel waarin hij een hele resem taalfouten van klassieke Latijnse auteurs corrigeert.’ Wat een blaaskaak, wat een pretentie, denkt de nietsvermoedende lezer. In werkelijkheid zuiverde Lipsius teksten die door overlevering corrupt geworden waren – en dit is iets totaal anders dan wat Van cauteren insinueert. Dan spreekt ze over zijn De constantia en het werk Politica. Van Cauteren: ‘Zes jaar later beschrijft hij in de Politica dan weer de ideale vorst : die hoort vroom te zijn, wijs, rechtvaardig, bescheiden, geduldig, grootmoedig, kuis. Wanneer Lipsius dat boek in 1605 opnieuw uitbrengt, draagt hij het op aan aartshertog Albrecht. Die belichaamt – althans volgens de humanist – al deze deugden. Het geslijm legt hem geen windeieren: de aartshertog promoveert Lipsius tot zijn raadgever. Eerder al, in 1595, was hij benoemd tot hofhistoriograaf van Filips II.’ De samenvatting die Van Cauteren van het boek Politica geeft, is wel zeer beknopt. Een woord als ‘geslijm’ is dodelijk: die mens is niet te vertrouwen, het is een hond. En daarmee kan ook het humanisme afgedaan worden: schone woorden hebben die schone mannen maar het gaat om geld. Zo de baas, zo de hond: het geld telt. En kunst dient om de wereld uit te dagen.

Naast dit stukje is een portret afgebeeld. Het is een werk van Frans II Pourbus met als titel ‘Justus Lipsius (?)’, ca 1595. Waarom moet een wetenschappelijke uitgave een portret opnemen van een man die niet Justus Lipsius maar een onbekende is, terwijl er portretten van Lipsius gekend zijn. Het antwoord is in het bijschrift te vinden. Het werk behoort tot de collectie van The Phoebus Foundation en dat is de instelling waar Katharina Van Cauteren werkt en waar haar meester Fernand Huts is. In het dankwoord van dit boek schrijft Van Cauteren: ‘Geschreven is het [dit boek] echter voor Fernand Huts, de man die me leerde wat in dit leven onbetaalbaar is: mollige muzikanten, tien centimeter sneeuw, gewoon jezelf zijn en altijd papjong blijven. Het is aan hem dat ik dit boek opdraag, in warme dankbaarheid, en in de hoop op nog veel meer van hetzelfde.’ (p. 7). Wat is dit? Een liefdesbrief, geslijm? Wetenschap?

Dat een museum, een wetenschappelijke instelling, zich zo laat gebruiken is 1 zaak, dat een museum deze populistische politieke correctheid een podium geeft, een 2e zaak, dat dit museum geen eigen beleid heeft, een 3e zaak, dat het museum kunstliefhebbers bedriegt, een 4de zaak. Toch kun je dit de familie Huts niet kwalijk nemen: een ondernemer onderneemt waar hij kansen ziet. Het is de kwalijke vriendjespolitiek die de culturele instellingen kapot gemaakt heeft. Verweesd blijft de kunst achter.

The Phoebus Foundation organiseert binnenkort een tentoonstelling in het Caermersklooster in Gent, Voor god en geld. Ook hier is de titel duidelijk: het is inderdaad ideologie, geen wetenschap en 20 jaar geleden zouden we zeggen dat dit een CIA-dekmantel is. Jozef Dauwe, de CD&V-deputé voor cultuur heeft deze tentoonstellingsruimte kapot gemaakt door een kleinburgerlijk, dorps en achterlijk beleid te voeren. En nu de instelling (alhoewel gezegd moet worden dat de kleine Van Eyck-tentoonstellingen wel de moeite waard zijn) kapot is, wordt Fernand Huts binnengehaald met een tentoonstelling die normaal in het MSK had moeten gehouden worden – maar het MSK wil ook al geen museum meer zijn maar een ontmoetingsplaats. Ach, droefheden der droefheden.

beeld: Frans II Pourbus, Portret van een onbekende man, ca 1595, The Phoebus Foundation

Advertenties