4 filosofen, nee 5, misschien wel 6 (3)

door johan_velter

Het werk De vier filosofen van Peter Paul Rubens is een memorieschilderij, een herinnering aan dierbaren. Het is geen realistisch stuk, zo zat men niet naast en bij elkaar. Het is de schilder, die ons links aankijkt, die het stuk gecomponeerd heeft. We kunnen 3 groepen onderscheiden: links de broers Rubens, in het midden de doden, de vereerde meesters, Lipsius en Seneca en rechts Woverius met de hond. Er zijn 3 doden: Philip Rubens, Justus Lipsius en Seneca: 3 levenden: Peter Paul Rubens, Jan Van den Wouwere en de hond. Lipsius is niet alleen een lijk, hij ziet er op het schilderij ook als een lijk uit, versteend, de kleuren die hem orneren doen hem bijna in het decor opgaan. De andere figuren worden door zwart gekarakteriseerd. De figuren kijken elkaar niet aan. Het schilderij lijkt op een gesprek, of beter op een les, maar is het niet. De leerlingen kijken door het raam. De meester is een beeld.

Justus Lipsius schreef talrijke brieven aan zijn vrienden/leerlingen/medestanders. De brieven waren lessen in het neostoïcisme – zoals Erasmus brieven verstuurde die als pamfletten gebruikt konden worden – pamfletten in de positieve betekenis van het woord: inlichtingen, vermaningen, uitleggingen. In een van die brieven, later als essay beschouwd en getiteld ‘Honden en geleerden’, behandelt Lipsius zijn persoonlijke relatie met en affectie voor honden. De brief is gericht aan zijn huisgenoten, de contubernales, waaronder Philip Rubens en Jan van den Wouwere. De brief is in het Nederlands vertaald door Jan Papy en uitgegeven door P, uitgeverij te Leuven (Brieven aan studenten, Justus Lipsius, P, 2006).

Lipsius schrijft over zijn honden maar hij bedoelt natuurlijk de mensenwereld – een mens moet als een hond zijn. O nee, niet zoals managers vandaag kettinghonden zijn maar zoals een vrije, gedresseerde hond moet zijn (o nee, geen contradictie, de vereerde heer Spinoza weet) en geleerden kunnen (zouden moeten) de goede eigenschappen van een hond overnemen. Dit lijkt te theoretisch-didactisch te zijn, maar dat is het niet: Lipsius had een ware liefde voor zijn honden, in deze brief doet hij daar verslag van en op menigvuldige prent werd hij ook met een hond afgebeeld. In de iconografie behoort de hond bij de geleerde. Wat zijn die kenmerken die zo lovenswaardig zijn, die hem niet alleen geschikt maken tot metgezel van maar ook een voorbeeld zijn voor de geleerde? Trouw, ijver, kracht, verstand, waakzaamheid en liefde. In deze brief meet Lipsius zich met de klassieke auteurs, hij staat in de traditie van de lofrede: een lofprijzing op soms het futiele, de opdracht is elegant, kunstig, intelligent, wijs en glimlachend de strijd te winnen.

Lipsius memoreert hoe hij in zijn kinderjaren tussen 4 of 5 honden opgroeide. Hij herinnert zich ook de hond van zijn grootmoeder die tijdens haar doodsstrijd niet van haar zijde week en na haar sterven zich een hol in de grond maakte en zichzelf daar begroef. Hij noemt verder nog zijn Mopsus bij name: deze hond had een formidabel geheugen. Hij vraagt zijn huisgenoten, waaronder dus Woverius en Rubens: ‘Of zien jullie dat [zijn geheugen] soms niet bij mijn Mopsus?’ – de hond op het schilderij De vier filosofen kan dus inderdaad deze Mopsus zijn – maar als het om een symboliek gaat, dan wordt toch niet zijn geheugen bedoeld. Nog verder spreekt Lipsius van een hond ‘van het ras van mijn Mopsulus’. In deze brief neemt Lipsius ook 3 gedichten op die hij geschreven heeft voor zijn 3 honden (‘ter ere van of ter herinnering aan’) (‘een kleine, een ietwat grotere en een echt grote’). Hun namen zijn: Saphyrus, Mopsulus en Mopsus. Saphyrus is de kleine hond. Mopsulus is de tafelgenoot van zijn meester en hij deelt ook het bed met hem (tja, dat schrijft Lipsius zelf), een dikke tweejarige hond. Mopsus is een Schotse hond en met een zekere verbeelding kunnen we de hond op het Rubens-schilderij met de beschrijving van Lipsius identificeren: ‘Mopsus, een Schotse hond, heeft een diepe kastanjebruine kleur, maar rond de oren en op zijn snuit is hij lichter blond. Boven elk oog heeft hij twee ronde vlekken van gelijke grootte die eveneens goudgeel zijn. Aan zijn voorpoten, de binnenkant van zijn dijbenen en aan zijn achterste heeft hij diezelfde kleur. Maar zijn brede en nobele borst is, als bij een panter, gevlekt wit en kastanjebruin. Zo ook zijn de uiteinden van zijn poten. Hij is nu drie jaar en benijdenswaardig mooi.’ (vert. Jan Papy, p. 55).

De hond op het schilderij van Rubens ‘bespringt’ echter niet Lipsius maar wel Woverius. En wat is dan de eigenschap die zo geprezen moet worden? Is dit schilderij enkel een memorie voor de schilder Rubens zelf of is dit niet eerder een opdrachtwerk voor Woverius? In het Journal of the Warburg and Courtauld Institutes (1999) heeft Jan Papy een artikel over de honden van Lipsius geschreven en dit verbonden met het schilderij van Rubens (Lipsius and his dogs : humanist tradition, iconography and Rubens’s Four Philosophers). Hij plaatst de brief en de gedichten over de honden in een literair-filosofische traditie en hij haalt ook het problematische ervan aan: Lipsius werd van blasfemie beschuldigd: de honden werden als mensen behandeld, er kan sprake zijn van heidendom (mausoleum oprichten voor een dier). Over Saphyrus parafraseert hij Lipsius: ‘that he buried Saphyrus among flowers – his other love.’, alhoewel het citaat niets zegt over die liefde maar slechts beschrijft: ‘quidem inter flores’ (p. 171). (Hier kan De Bom zijn uitlating over de tulpen gehaald hebben – alhoewel er slechts sprake van ‘bloemen’ is.) Er is ook nog sprake van een andere hond, Melissa, die niet in de bovenstaande brief opgenomen werd en Jan Papy constateert ‘about whom modern literature on Lipsius is curiously silent’ (p. 172), ook al heeft Lipsius een gedicht over haar geschreven, zijn model voor dit lofdicht was Phaselus ille van Catullus. Papy besluit zijn plaatsing van de hondengedichten van Lipsius in een klassieke traditie met de retorische vraag: ‘What better allegorical image could Lipsius – not only a true dog-lover, but a humanist with a firm pedagogical programme – have offered his Louvain students of the virtuous qualities of the scholar?’ – word hond, is de raadgeving van Lipsius – nochtans lieten de cynici de hond meer hond zijn.

Als tweede deel van zijn artikel geeft Jan Papy een overzicht van de iconografische rijkdom. Het eerste schilderij waar Lipsius met hond is voorgesteld, is van de hand van Isaac Claesz. Swanenburgh (1585), Lipsius en zijn hond Saphyrus, een schilderij in het Plantin-Moretus Museum. (Ik heb enkel een zwart-witportret te bieden.)

3_justus lipsius_swanenburgh_1585

De ets uit 1587 die door Cr. De Passe werd gemaakt (en hier al eerder werd getoond, zie nummer 2) naar een portret van Hendrick Goltzius (in de catalogus Hendrick Goltzius 1558-1617 : tekeningen, prenten en schilderijen, Huigen Leeflang en Ger Luijten (Waanders, 2003) wordt deze prent, zonder de tekst onderaan, opgenomen als nummer 57a en is ze een illustratie bij de gravure Portret van Frederik de Vries uit 1597 waarop een spelende jongen en hond getoond wordt – Goltzius beeldde zijn eigen hond af en het kind waarover hij voogd was.

3_goltzius_frederik de vries_1597

Ook dit is een ‘belerende’ prent, aansluitend op Van Mander vermeldt de catalogus : ‘Volgens die interpretatie heeft Goltzius hier in de gedaante van de hond zichzelf voorgesteld: hij is het immers die moet waken over het geestelijk en lichamelijk welzijn van zijn pupil. Daarnaast past het prachtige konterfeitsel van het dier in een humanistische traditie, die de liefde van de hond voor zijn meester verheerlijkt’, volgt dan de verwijzing naar de Lipsius-prent. Het is overigens verbazend hoeveel honden er op oude schilderijen midden in het tafereel afgebeeld staan – wat doen die daar allemaal?) toont Lipsius eveneens met Saphyrus.

Een prent van Theodoor Galle diende als frontispice bij Opera van Seneca (1605) en daar werd Melissa getoond (zoals in de andere prenten: enkel het hoofd van het dier werd getekend en Lipsius legt er zijn hand op.) De honden zijn steeds klein (of de hand van Lipsius moet wel zeer groot geweest zijn), het is alsof Lipsius een kippenkop bedekt, automatisch komt de verhouding in herinnering hoe schenkers op middeleeuwse schilderijen afgebeeld worden – ze zijn er wel maar toch niet zo beduidend als de ‘heilige’ figuren.)

Jan Papy dateert het schilderij De vier filosofen rond het jaar 1614. Hij parafraseert de uitleg van Wolfram Prinz. De hond is de hond van Lipsius die zijn meester overleefd heeft en blijkbaar is Woverius niet alleen de testamentuitvoerder van Lipsius, hij heeft ook de hond geërfd en deze brengt nu zijn nieuwe meester eer, zoals hij Lipsius liefhad. Op deze manier is de opvolging van Lipsius gelegitimeerd in de hond: zijn trouw, ijver en kracht zijn nu overgegaan op Woverius. Zoals de hond zijn meester trouw was, zo is ook Woverius Lipsius trouw.

De uitleg van Papy wijkt hiervan enigszins af. Voor hem is het centrale koppel Justus Lipsius-Philip Rubens. Deze laatste was immers bestemd om Lipsius aan de universiteit op te volgen, maar deze weigerde. Op het moment van het schilderij was hij ook al dood – de opvolging is dus niet doorgegaan. Papy zegt dat Lipsius Philip Rubens onderwijst en beschrijft de ineenstrengeling van de armen en hun plaatsing voor de beide kolommen als een visueel bewijs van hun centraal belang. De bloemen verwijzen voor hem naar de liefde van Lipsius voor tuinen, en dan vooral voor tulpen, maar staan ook symbool voor de 2 dode en de 2 levende filosofen. Ook hij ziet als mogelijke bestemmeling van het schilderij Woverius zelf: ‘[…], it seems only natural to suppose that Rubens’s picture – which shows Woverius and the painter flanking the dead Philip and Lipsius, ready to protect and preserve their memory in images and in words – was intended as a visual equivalent of and reciprocation for the Latin poem of consolation which Woverius composed for the artist.’ (p. 197).

Deze conclusie is problematisch omdat Papy geen oplossing geeft voor zijn eigen stelling dat Lipsius en Philip Rubens het centrale paar van het schilderij zijn. Het is en blijft eigenaardig dat de beide broers Rubens prominent aanwezig zijn: eigenlijk heeft Peter Paul Rubens met de opvolging of de testamentuitvoering van Lipsius niets te maken. Ook Philip Rubens niet: het testament van Lipsius was duidelijk, Philip Rubens was dood, er konden even goed andere leerlingen op het schilderij afgebeeld worden. Het was voor Woverius géén eer om afgebeeld te worden naast twee broers waarvan de ene eerder in de tijd door Lipsius als zijn opvolger was aangeduid. In dit schilderij zegt Rubens dat Woverius slechts tweede keus was.

En dat de blikken van de personages elkaar niet ontmoeten maar de hond wel Woverius bekijkt wordt door Papy als volgt verklaard : ‘If significance can be attached to the directions of glance of Lipsius, Seneca, Rubens and his brother, and the circumstance that nowhere in the picture do pairs of eyes meet, then what can be deduced from the disposition of Woverius and his dog? As the loyal executor of Lipsius (and presumed recipient of the painting), Woverius sits with his eyes fixed to the left, gazing across the painting. By contrast, the dog stares outward to the right. Is Woverius reflecting on the dead and on the past, with an open book (still blank), while the dog, with his prudentia, iudicium [kennis, achting], dialectical insight and visionary gift, looks to the future?’ (p. 198) – wat tevens het besluit van zijn artikel is.

Maar ook dit is onbevredigend. Er is geen verklaring voor de doodlopende blikken van de mensen en de hond kijkt ook niet naar Woverius maar kijkt naar rechts (dus niet naar omhoog), ook hij heeft geen oogcontact. En dat de rechtse, dode blik een blik in de toekomst is, is wel zeer een vaststelling voor de 21ste eeuw. We hebben dus een wirwar van ooglijnen die elkaar nergens raken. Ook het lege blad (?) van Woverius is geen blik in het verleden maar in de toekomst (wat we nog niet weten). In werkelijkheid kijken de hond en Woverius de tegengestelde richting uit. Het is daarentegen natuurlijk wel zo dat het de hond is die Woverius ‘caresseert’ en dus bij hem hoort. De vraag is of dit de ‘opvolgingshond’ is of niet.

Het is misschien een uiting van het cynisme van een oude man die de ervaring van de kettinghonden al te veel heeft meegemaakt en daardoor de traditionele interpretatie niet ziet. Als we alle elementen samen nemen dan zien we hoe Peter Paul Rubens zijn broer dicht bij Lipsius geschilderd heeft en hoe hijzelf als het ware boven zijn broer troont om hem te beschermen, hoe Philip Rubens de actieve intellectueel was want hij houdt de pen in zijn hand, hoe Woverius slechts volgt wat de meester zegt. Rubens toont hier hoe Philip Rubens de ware erfgenaam van Lipsius-Seneca was, helaas heeft de dood dit verhinderd en Woverius heeft zijn plaats ingenomen. Die hond is een valse hond want hij gaat probleemloos van de ene meester over naar de andere (als we de brief van Lipsius in gedachten houden dan toont de ware liefde van de hond voor zijn meester zich in een gezamenlijke dood, niet in zo’n lafhartig vluchten naar het huis van een andere meester – de hond is dan immers een loopse teef). En bovendien is de geest van Philip Rubens overgegaan in die van zijn broer – Rubens beeldt zich hier dan niet af als een schilder maar als een filosoof: hij is de erfgenaam van Philip Rubens en dus van Lipsius en Seneca.

Het schilderij is een krabbenmand.

Advertenties