losse flodders

door johan_velter

het meisje met de dode vogel

Een bijzonder innemend en interessant onderwerp, vogels in de beeldende kunst en Matthias Depoorter kan niet anders dan beuzelarijen vertellen. Tegen mijn gewoonte in, heb ik het boek uitgelezen (een teken van dementie), en verwijt het mijzelf hartsgrondig, ter verdediging: ik heb de laatste pagina’s in een snelheidsrecord gelezen en van uitputting mijn vuist gebald. Toch had ik beter XXXXX.

Vliegwerk : vogels in de kunst (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2015) van Matthias Depoorter is niets van wat het boek had kunnen zijn. Het begint al met de illustraties. Er zijn onscherpe reproducties, sommige ‘belangrijke’ werken zijn niet opgenomen, van andere slechts een detail. Waarom het Zelfportret met uil van Jan Mankes 2 x paginagroot is opgenomen, weten we niet en wat de ‘observatie’ van de auteur bij dit portret zegt, is al een aanduiding van wat komen zal: ‘Nog geen decennium na dit portret sterft Mankes aan de gevolgen van tuberculose.’. Dit is mystificerend schrijven, net alsof het portret iets te maken heeft met tuberculose, net alsof er een strikte oorzakelijkheid tussen beide bestaat. Dit is wat ik denkspeeksel noem: een gordijn van pseudozinnen uitspuwen.

Het observatievermogen van de auteur is euh nogal zwak: hij ziet wat niet op de schilderijen te zien is en interessante elementen merkt hij niet op. Op p. 137 ‘spot’ hij ‘parmantige pelikanen’, waaronder eentje die vissen naar binnen schrokt. De pelikaan op de prent schrokt niet en er is 1 pelikaan te zien die 1 vis binnenhaalt.

Het boek is zogezegd een combinatie van persoonlijke elementen, ornithologische kennis en kunsthistorische beschouwingen. Vergeet het. De auteur is zo vol van zichzelf dat de persoonlijke anekdotes als het belangrijkste element gepresenteerd worden. Je voelt hoe hij vloekend iets moet schrijven over kunst en hij verfoeit die vogels die niet bestaan als hij er niet is. Was wat hij vertelde dan nog interessant, men kan van dat wat men waarneemt interessante dingen vertellen als men zelf interessant is wat hier echter niet het geval is, en nee meer dan zelfbewieroking leest men niet. Onthutsend is hoe de blinde waarnemer wel zijn reizen vermeldt maar niet welke schade hij daarmee aan de natuur berokkent, ja hoeveel vogels er sterven door vliegtuigen, treinen, bussen, auto’s. De hypocrisie is de tweelingzuster van de zelfverheerlijking.

De vogelkennis is oppervlakkig en dat wordt door de beuzelaar gemaskeerd door Latijnse termen te gebruiken, die in het boek geen enkele functie hebben. Er is ook nauwelijks diepe kennis aanwezig, wat de beuzelaar van dienst vermeldt is in een ordinaire vogelgids ook te vinden. Al te veel stelt de auteur zich tevreden met het opsommen van de vogels en de lezer is dan verplicht een echt vogelboek erbij te nemen want de auteur is bijzonder vaag in het lokaliseren van de vogels op de schilderijen.

De schilderijen die Depoorter heeft geselecteerd zijn de gekende, kunsthistorisch heeft hij niets toe te voegen aan wat reeds geweten is over deze werken. Men zou zich kunnen voorstellen dat als een ambachtsman kunst bekijkt, hij een en ander te melden heeft. Dit is hier niet het geval: het ornithologisch gezichtspunt van Depoorter is geen vruchtbare blik. Prentjes van vogels verzamelen is geen kunst. Hij beschrijft de schilderijen op een selectieve wijze maar slaagt er niet in de vogelkennis te verbinden met de (kunst)geschiedenis. Over de papegaai op het schilderij Madonna met kanunnik Joris Van der Paele van Jan Van Eyck is veel meer te vertellen dan wat Depoorter doet – erger: anderen hebben dit al gedaan maar blijkbaar bezit de auteur niet de al dan niet kunsthistorische kennis om met bibliografieën te werken (in de broodtekst vermeldt hij een hedendaagse uitgave van Buffon in de bibliografie is een oude uitgave vermeld). Dit is hoe boeken nu gemaakt worden: doe alsof je schrijver bent, doe alsof je journalist bent maar wees vooral een gladde luchtverkoper:  doe geen moeite, spuw speeksel, dan let niemand op de leegte. Lees nu de zogenaamde kennis van Depoorter over Jan Van Eyck: ‘[Hij] perfectioneerde het schilderen met olieverf, niet als uitvinder maar als lichtend voorbeeld. Hij was de eerste die een standaard bereikte die de kwalitatieve maatstaf was voor al wie na hem kwam. Zijn techniek stelde hem in staat om alles uit de bestaande wereld op het platte vlak te imiteren.’ (p. 27) die gelden mag als oefenstuk om de logische fouten aan te duiden. De onnozelheid van de kunsthistoricus. Zo schrijft hij bij het Lam Gods ‘denk ik er altijd tierelierende leeuweriken, het diepe oepoepoe van de Hop of het vocale gekibbel van grasmussen bij. De bossen moeten wel bruisen van het leven.’ (p. 59). De bossen moeten niets en wat de kunsthistoricus voelt is van geen belang. Over het werk Het meisje met de dode vogel van een onbekende schilder, zegt Depoorter slechts: ‘De getalenteerde kunstenaar legde de psyche van het kind bloot. De tristesse van het verlies spreekt uit die lege, starende blik.’ (p. 145), maar misschien is dit wel het portret van een dood kind en is de vogel het zinnebeeld van de kindziel.

Over de velduil: ‘Dan lijkt het net alsof hij applaudisseert voor zijn partner.’ (p. 109): geen enkele wetenschapper kan zoiets schrijven. Op dezelfde pagina beschrijft hij hoe zangvogels een uil uit hun territorium kunnen verdrijven, en dat de mens dit middel heeft overgenomen. Terwijl de vogels de natuur volgen is de mens volgens de auteur ‘opportunistisch’ – waarom deze moreel-afkeurende term? En zo is volgens Depoorter de schreeuwarend een ‘pragmaticus’ (p. 123): het vermenselijken van dieren is toch een achterhaalde visie?

Deze tijd is verwend: beeld en tekst kunnen op een gemakkelijke manier bij elkaar gebracht worden. Waarom gebeurt dit dan niet? Depoorter beschrijft bijvoorbeeld het werk Madonna bij de rozenhaag (onscherp afgedrukt) van Martin Schongauer maar hij doet dit op een oppervlakkige en benaderende manier: waar zit de jonge putter? waar de volwassen exemplaren? Depoorter vermeldt 1 roodborst, zijn er geen 2 te zien? Wat hij durft te schrijven over de Tuin der lusten van Jeroen Bosch is al te oppervlakkig. Het boek als verzameling van clichés: ‘Op de wonderlijke details in het werk van Bosch raakt men nooit uitgekeken.’ (p. 36). Erger is dat hij geen niveau hoger geraakt met zijn zogenaamde vogelkennis of dat hij aan de hand van die kennis geen dieper inzicht krijgt in de kunsthistorische werken. Niets gaat verder dan ‘nonkel Mat vertelt’. Over Korenveld met kraaien van Vincent van Gogh, gekwaak: ‘Van Gogh infuseerde alles met gevoelsgeladen kleuren. Het lijkt me overigens geen doodlopend pad. Het is een kruispunt, maar de blik op de einder wordt ons door het lage gezichtsveld en het heuvelend veld ontnomen. Alsof we in het leven geen alomvattend overzicht hebben. We vragen ons af wat de toekomst brengt. Wat bevindt zich achter het korenveld? Een schilderij als een vraagteken.’ (p. 82). Een uitleg als een tang op een varken, de pseudodiepzinnigheid van de onderpastoor.

Over Zelfportret met roerdomp van Rembrandt: ‘Hij lijkt hier te willen meedelen dat hij bijzonder trots is dat zijn schilderkunst de realiteit overtreft.’ (p. 107). Commentaar is overbodig. Het esthetisch oordeel van Depoorter over Hans Holbein’s Portret van Robert Cheseman: ‘Jammer dat het Latijnse opschrift het portret ontsiert. Het is te nadrukkelijk, te retorisch.’ (p. 163).

Sommige prenten worden in het boek afgebeeld, andere niet: er is geen verwijzing van tekst naar illustratie zodat de lezer zélf maar moet uitzoeken of het beeld al dan niet in dit boek is opgenomen. Er wordt veel overbodige informatie opgenomen waar verder niets mee gedaan wordt (waar niets mee gedaan kan worden – want overbodig en nietszeggend): ‘Rond 1520 reisde hij [Dürer] naar de Nederlanden en zag daar het werk van de Vlaamse primitieven en ontmoette er hun opvolgers.’ (p. 37). Niet grappig is dat sommige werken in de broodtekst een andere titel hebben dan in de bijschriften.

De taal die Depoorter bezigt, is affreus en ziek in het Dirk Leymanbedje. Er wordt een muur van bijvoeglijke naamwoorden opgebouwd, net alsof de auteur een oordeelsvermogen zou bezitten, maar die nevel verdoezelt slechts een niet-weten en heeft als enige functie een blad vol te krijgen. Voor een lezer is het ploegen, zwoegen en vloeken. Dat dit een flauw, zouteloos denken is toont zich in het populisme : nee, schilders maakten geen ‘selfies’ (p. 163), alpenkauwen zijn geen ‘luide kwajongens’ (p. 21), de Tuin der lusten van Jeroen Bosch is niet ‘van de pot gerukt’ (p. 36), Albrecht en Isabelle vertoefden niet in de ‘jetset’ (p. 42), de David van Michelangelo had geen ‘lovehandles’ (p. 47), Jezus had geen ‘trouwe trawanten’ (p. 59), de ekster op een schilderij van Bruegel is geen ‘visuele kwinkslag’ (p. 72) (weer het onzorgvuldige: eerst zeggen dat dit een ekster is om de vogel direct daarna toch een ‘vreemde, donkere vogel’ te noemen. Is dit het zo geroemde observatievermogen van de vogelaar?). Meisjeslectuur: pestvogels die naar hier afzakken ‘omdat hun maagjes knorren’ (p. 75), Van Gogh schilderde niet in zijn ‘gekende flow’, de kunstenaar Raymond Harris Ching raffelde zijn opdracht niet af (p. 126).

De auteur denkt van zichzelf een cowboy te zijn: ‘[…] reden we naar ons verblijf in Cagliari, de onzekere nacht tegemoet.’ Of: ‘Het donkere uitspansel is gedoopt in sterrenstof. Met zilverstift is de nacht gekleurd, […].’ Over dit proza zegt juffrouw Elga van de derde leefklas dat ons Eefje poëtisch aangelegd maar iets te dromerig is.

Of regelrechte onzin: ‘Daar klopte het hart van de schilderkunst, maar diepgeworteld als hij was, bleef de schilder ter plaatse.’ (p. 125)

Er worden woorden gebruikt waarvan de auteur noch de waarde noch de inhoud kent. ‘Vermaledijd’ bijvoorbeeld op p. 105 betekent vervloekt, verwenst maar heeft geen relatie met de dodo. De prenten van Audubon zijn geen vuistslag en waarom zouden ze niet bestemd zijn voor ‘gevoelige vogelaars’ (p. 126)? De auteur wil sensatie creëren en daarvoor produceert hij een taal die sensationeel wil zijn maar niet passend is. In de dertiende eeuw was het idee van de vogeltrek geen ‘vooruitstrevende gedachte’ (p. 160), wel een vroeg wetenschappelijk inzicht.

Het boek is opgedeeld in 5 hoofdstukken: De kunst van het kijken, In vogelvlucht, Opvallende vogels, Mens & vogel, Omgevingsfactoren. U mag zich daar niet door laten leiden, ook dit is slechts een fuik om de ongeordende rommel van de auteur op een pseudo-wijze te ordenen. Veeleer is het zo dat de auteur zijn dagboek als rode draad heeft bovengehaald en daarrond prentjes en vertelseltjes verzameld heeft. Er is geen ordenende ratio aan het werk, de tekst is slechts noodzakelijk om het boek vol te krijgen en wat er gezegd wordt, heeft geen belang. Er is ook geen samenhang tussen de zinnen. ‘Mythes, legendes en sprookjes voeren talloze vogels op. De vermetele Icarus kwam ten val nadat zijn wassen vleugels smolten toen hij de zon te dicht naderde.’ (p. 58): vermetele (!) Icarus is geen vogel.

De auteur permitteert zich ‘terzijdes’, grappig bedoelde tekstopvullingen of wijsheden. Helaas is dit alles pseudo. Inderdaad op een schilderij ‘valt weinig te rapen voor aaseters’ (p. 72). Of als de auteur meent een cultuurhistorische opmerking te moeten plaatsen, ervaren we zijn ouderwets metafysisch katholicisme. Over de achttiende eeuw (zelfs de chronologische kennis ontbeert de auteur): ‘Het moeten angstige tijden geweest zijn, bedacht ik, zittend op een rots aan de Capo Sandalo. Misschien was de vrees voor het onbekende wel de echte motor achter de wil om de wereld te ontdekken.’ (p. 82). Hedendaagse kritiek: ‘Je kunt je vandaag de dag niet meer voorstellen dat een regelgevende grammatica de kunst in het gareel houdt.’ (p. 82): de werkelijkheid is dat er alleen maar gareel is in het huidige kunstveld en dat er nauwelijks nog vrijheid heerst: iedereen werkt naar de verlangens van galeries, musea en verzamelaars. Wraakroepende domheid die misdadig wordt: ‘Tv-feuilletons zijn al jaren van hoogstaand niveau. De karaktertekening van de personages doorstaat in sommige gevallen de vergelijking met de wereldliteratuur. Ik denk aan de baanbrekende [sic] The Sopranos […].’ (p. 93). Het getuigt van schaamteloze domheid om een goedgemaakte tv-serie te vergelijken met, om maar iets te zeggen, Der Tod des Vergil. Dat de auteur maar bazelt bewijst hijzelf door in de daaropvolgende regels te zeggen dat het ‘peperkoeken hart’ van de maffiabaas ‘een cliché uit de psychologie’ is (p. 93). Wanneer zogezegde intellectuelen zelf een rol in de vervlakking spelen, dan hebben ze geen recht meer op het woord intellectueel, dan zijn het ordinaire bedriegers.

Beeld: Het meisje met de dode vogel, Anoniem, Zuid-Nederlandse school, begin 16de eeuw, Brussel KMSK.

Advertisements