hugo claus en nonkel miele (12)

door johan_velter

Nonkel Miele speelt een rol in de bundel In geval van nood en zijn rol is dus niet beperkt tot Flagrant.

In het gedicht ‘Buiten spelen’ is er sprake van … Magda: ‘Mama, mag Magda buiten komen spelen?’. Ook dit is een brokkelig gedicht, een opeenvolging van wilde gedachten en herinneringen aan het verleden – schijnt er spijt doorheen? Slechts de laatste regels kennen een rust in de onrust, een stilstand, een verademing, een verklaring: ‘Het knopje van je roosje / Het duiveltje in je doosje’.

Het gedicht ‘Klanken’ herhaalt de vraag uit ‘Buiten spelen’ : ‘Mama, mag ik buiten spelen?’. Het gedicht bestaat uit twee delen, het eerste idyllisch. Kinderen en verrukkelijke klanken. Het tweede deel begint met een droge opmerking en is daarom des te krachtiger:

Men heeft na de aanranding van Magda haar stembanden doorgesneden.

Opdat Magda niet zou kunnen spreken, heeft men haar nog meer mishandeld (zie Metamorfosen van Ovidius). Het gedicht eindigt met:

Lach met de ongelukkige
Liefde verminkt te allen tijde
Maar een pauw kan moeilijk kwaad
blijven. Zo bezig met zijn schoonheid

Dit lijkt van Claus onmeedogend te zijn maar de traditie van de Ovidiusuitlegging leert ons dat wat eerst als een ongeluk gezien wordt, kan verkeren in iets dat toch nog goed is (het is schaamteloos) : de moord op Argus heeft de pauw zijn pauwenogen opgeleverd. De minnaar zal het niet overleven : hij komt wel van de grond maar enkel horizontaal [in zijn kist]. Wie is de ongelukkige? Magda of de minnaar? De pauw verwijst naar een man, diens staart het teken van schoonheid.

Het lachen. In dezelfde bundel is een gedicht opgenomen over de lach van Bert Schierbeek.

In het gedicht ‘Een zee van tijd (1)’ staat de vraag ‘Mama, mag Magda buiten spelen?’, een flard uit het verleden, die ‘zee van tijd’.

Het gedicht ‘De slang onder de tafel’ brengt ons nog eens nonkel Miele:

Het rikketikken van doodsangst
De slang onder detafel [sic] ratelde
Nonkel Miele slaat om zich heen
treft bibelots porselein
Polaroids, medailles
De slang richt zich op
spuwt haar brandend zuur
in Nonkel Mieles linkeroog
Wat is er giftig aan
de kroeshaarvogelspin?
Vegetatiegeesten, lentegebruiken
strompelend
over elkaars teelkracht

Het aan elkaar schrijven van ‘detafel’ in het gedicht, niet in de titel, wordt overgenomen in de verzameleditie ‘Gedichten 2’ (2004]. We kunnen nauwelijks geloven dat De Bezige Bij weet wat redacteurschap is.

Hier beschrijft Claus het doodsbed van nonkel Miele. De plastieken slang wordt de slang van het aards paradijs, het verraderlijk serpent. Nonkel Miele wacht niet rustig de dood af maar maakt radeloze gebaren: hij veegt de rommel, de opsmuk weg. Dylan Thomas: ‘Do not go gentle into that good night’. De haren van de spin zijn giftig maar hoe is de overgang van slang naar spin te verklaren? Het gif van de spin wordt hier metaforisch gebruikt en Claus somt zijn eigen praktijk op zoals hij het gelezen heeft bij J.G. Frazer in The golden bough. Het is het leven zelf dat giftig is.

Het harige komt terug in het gedicht ‘Consult’:

Op de rand van het ledikant
zit Nonkel Miele, harig
wankel, verontrust.

Het woord ledikant is ouderwets en doet denken aan Het ledikant van Lady Cant, de roman van Ward Ruyslinck uit 1968. Ook Claus gebruikt het rijm op een licht ironische wijze. Die eerste verzen zijn ‘echte’ Claus-verzen: een alledaagse situatie, een onzeker moment toch. Het woord harig beschrijft het soort figuur dat nonkel is. ‘Wankel’ en ‘verontrust’ zijn typische Claus-gemoedsstemmingen: altijd onzeker. ‘Hij weegt honderdtwaalf kilo, ‘Een Gorilla in de Mist’. ‘Gorillas in the mist’ (1988) was een film over het leven, van Dian Fossey die een deel van haar leven tussen berggorilla’s heeft doorgebracht en vermoord werd omdat ze actie voerde tegen de illegale handel in huiden.

Nonkel Miele is radeloos, hij weet niet wat hij heeft. Claus beschrijft hem als pathetisch.

‘Hij spert zijn kaken:
‘Wat heb ik toch, dokter?
Adders in mijn keel? Zeg het mij!’

De adders verwijzen naar de slang in een eerder gedicht: hij voelt zich opgevreten. De dokter kan hem niet redden: hij is op, de tijd is voorbij. Claus voegt aan het gedicht een expliciete verwijzing naar Proust toe, een op het eerste gezicht overbodige toevoeging.

De dokter ritst zijn plastic chirurgen
handschoenen af, richt zich op,
steekt een madeleine in zijn
mond en zegt:
‘Miele, jij hebt bijna
het hart van een paard,
bijna de endeldarm van Cipollini,
bijna de longen van
Keith Richards.’
– ‘Wat heb ik, dokter? Alstublieft? Zeg het mij!’
– ‘Wat jij hebt, Miele,’ zegt de dokter, ‘dat
is verloren tijd.’

De endeldarm is in het lichaam de verzamelplaats voor de excrementen. Dat Claus dit verbindt met Cipollini, de Italiaanse renner die verdacht wordt zijn successen dankzij doping te hebben behaald, is, laten we zeggen, ongewoon. Darmkanker is voor mannen een gevreesde ziekte, Claus kan natuurlijk een verband zien tussen het fietsen en de anus. Keith Richards is niet de zanger maar wel de gitarist van een jongensgroepje, een boysband, hij is bekend als overlevende van festijnen, een groot roker ook. Het paard heeft een groot hart en het hart moet sterk zijn – voor zo’n lichaam, voor zulke prestaties. (In het vorige gedicht, ‘Objet trouvé in de tram’ stond: ‘Hij had het hart van een paard.’) De dokter zegt: het lichaam werkt, maar de tijd is op.  De vragen van nonkel Miele herinneren ons aan de wanhoop van Romy Haag. De madeleine verwijst naar Proust. En aldus is die laatste bundel ook een reflectie op de tijd, de herinnering en de liefde.

In de naam van Magda weerklinkt Madeleine, de grote liefde van Guillaume Apollinaire.

Advertisements