hugo claus en nonkel miele (11)

door johan_velter

apollinaire_poème secret

Net zoals Guillaume Apollinaire in zijn gedicht « La jolie rousse », begint Hugo Claus het zijne, ‘Apollinaire revisited’, met een exposé van/over zichzelf. Op een Jean-Jacques Rousseau-achtige manier presenteert hij zichzelf maar ook daaraan tegengesteld: ‘een zinnig man’ met levenservaring, gelouterd en wijs geworden. Maar Claus voegt noten toe. Wel zinnig maar toch vooral het lichamelijke (bronst). Wel  het leven, maar toch ook het denken dat onvoldoende was (het inept (dwaze) idee, de platgetreden paden, het versleten/al uitgesleten nieuwe). Ooit, schrijft Claus, heb ik jullie de wereld van de fantasie willen geven, dat wat jullie niet wilden kennen en dan komt het belangrijke: ‘in ordening of in avontuur’. Niet zoals Apollinaire wil hij zijn mening geven over « cette longue querelle de la tradition et de l’invention / De l’Ordre et de l’Aventure » maar hij brengt orde en avontuur onmiddellijk samen om zijn oeuvre te karakteriseren. Ook in de orde kan het andere gevonden worden. Daartegenover stelt hij zijn eigen, persoonlijke domein: ‘een historische neurotische / provincie’. Het achterlijke is zijn voedingsbodem gebleven.

Net zoals Apollinaire vraagt hij genade voor de twee kampen: die van de volmaakte orde (maar Claus heeft nooit het volmaakte nagestreefd) en die van het avontuur – opvallend is dat hij spreekt over ‘ons’ om het avontuur te duiden en over ‘hen’ voor de orde(nte)lijken. Deze wereld van de verbeelding verbindt hij met het geloof van Apollinaire in horoscopen – de wensdromen zijn al even onzinnig als het geloof in sterren en dierenriemen. En hij verwijdert zich nog verder van Apollinaire door zijn geloof ‘in de uitverkoop / van wanhoop’ te beklemtonen, de existentiële twijfel tegenover dat oppervlakkig gedoe van geboortedata. Ook al heeft Claus gezongen over bronst en vrijheid, zijn oeuvre is zwart als dat van Cioran.

De volgende twee delen verwijzen naar de laatste regels van het Apollinaire-gedicht maar zijn hier gebald weergegeven en met een typisch Vlaamse toets: ja, lach maar, ‘Tot kelders en koelkasten leeg zijn.’: het lachen wordt verbonden met eten en drinken. Maar Claus zegt niet dat er om hem gelachen moet worden – veeleer zou men kunnen zeggen, ja lach maar jullie idiote lach met jullie dikke buiken en dorstige kelen – de dichter staat boven dat platvloerse-vulgaire. En zelfs als er een ondertoon zou zijn van ‘lach maar om mij’, dan nog is het uitdagend: lach maar om mij, de vertegenwoordiger van de cultuur en het weten, jullie lachen toch met jullie zelf, boekhouders en fantasielozen.

Met de volgende ‘strofe’ begint Claus zijn afscheid. Wat zal hij geven? ‘nog wat wijsheden, / als adieu / als gewaarwording.’ Hij doet er licht denigrerend over omdat hij weet: parels voor de zwijnen. Hij verfoeit de cliché-rituelen. Wat zijn die wijsheden, die gewaarwordingen (en ook hier worden kennis en ervaringen op eenzelfde niveau gezet): ‘een bliksem in de dageraad’, heupen (lendenen!), tepels en dan een surrealistische fase: ‘Iemand drong met een zilveren bestek / bij iemand naar binnen / in al die openingen’ – is dit een verwijzing naar de ‘negen openingen’ uit Apollinaire’s gedicht ‘Les neuf portes de ton corps’, uit de Poèmes secrets en waarnaar Claus in zijn De Oostakkerse gedichten verwees, gedicht 14 uit de reeks ‘Een vrouw’ (Gedichten 1 (2004), p. 197), zoals Paul Claes me schreef, die er aan toevoegde dat de animale beeldspraak van Apollinaire het model van Claus lijkt te zijn.

Apart van deze ‘gewaarwordingen en wijsheden’ staat een andere gewaarwording, die van een crematie – het harnas hier kan verwijzen naar ‘la Raison ardente’, de vurige rede, van Apollinaire:

Het vuur gromde. Haar harnas siste.
De dode knielde.
Haar smaak van ijzer.
Iemand schuierde de as van iemand zijn jas.

Deze verzen zijn een toevoeging van Claus. Is het de begrafenis van een vrouw, een man of van de oude vorm? De maatschappij die de poëzie verbrandt? De smaak van ijzer is onaangenaam maar herinnert ook aan de sterkte van het metaal.

De volgende strofe volgt weer Apollinaire’s laatste regels waar er onduidelijkheid is over de status van de ‘jullie’ en de idioten die vernoemd worden: gaat het over dezelfde of over een andere groep? (Regels 2, 3, 4  en 6 moeten inspringen.)

Er is zoveel dat ik jullie niet durf zeggen
want hier ben ik omringd
door moordzieke gekken
lasteraars, smalend onbenul

Er is zoveel dat jullie mij niet zouden laten zeggen

Ze/jullie belagen de dichter waardoor de poëtische en menselijke vrijheid onmogelijk gemaakt worden. De maatschappelijke en relationele knel verhindert de vrijheid van spreken. Daarop vraagt de dichter ‘Genade. Kom terug.’ : wie moet terug komen? Aan wie moet genade gevraagd worden? De vurige rede, de rosse, roodharige – die hier de reminiscentie van Venus begint te krijgen? Verwijst dit naar de eerdere fase waar ‘haar harnas siste’ en de dood?

Dan wordt Claus concreet en hij wijst zijn eigen praktijken van kruidenier en apotheker af. Hij vraagt genade en tegelijkertijd bekent hij dat hij zelf tegen zijn eigen adagium in, anders gehandeld heeft. Het ‘hoekje in de krant’ verwijst uiteraard naar het ‘ontstaan’ van dit gedicht, de versie die in De Standaard verschenen is en waar de anekdotiek nog iets groter was (regel 3 en 8 moeten inspringen), waar het rijm iets prominenter gebruikt werd en waar het slot van de strofe, dat tevens het slot van het gedicht is) anders geïnterpreteerd kon worden (DS-versie: Ik voel mij versmallen in een wereldwijde vallei. / Ik rijmde meer dan ik zei. / Genade voor dit tekstje voor een heksje. / Voor de lezers. Wij waren met zeven. / Voor het nu al vergeten hoekje in de krant / Waar ik het tienmaal heb gerooid, tienmaal / Als een gebrekkige ekster heb gekwetterd / Adieu tot je weet maar nooit.’ (De eerste regel herinnert aan Hadewijch – in een omgekeerde beweging: niet het ik gaat op in het heelal maar het ik verschrompelt in de vallei die de geborgenheid van een moederschoot oproept. De tweede regel is de treurnis dat Claus zich meer heeft laten leiden door de vorm (rijm) dan door de inhoud – uiteindelijk is het wat belangrijker dan het hoe. Hij vraagt genade voor dit ‘tekstje’ die hij geschreven heeft voor een ‘heksje’: wat gedaan is, is onbelangrijk, voor wie is jammerlijk. Ook Claus heeft zich in de luren laten leggen door het verlangen te behagen. Opmerkelijk is het ‘Wij’: zeven lezers. De auteur is een lezer: Aristoteles dus. De vijfde regel is een rechtstreekse verwijzing naar dat wat de lezer in zijn krant vindt: het geschrevene is al even vergankelijk als een krant. Hij verwijst naar de tien gedichten die hij in deze krant geschreven heeft en hij heeft niet gezongen als een nachtegaal maar hij was als de gebrekkige ekster die bekend staat (ten onrechte) om zijn stelen en zijn akelig gekrijs. De dichter neemt afscheid ‘Adieu tot je weet maar nooit’ – net alsof de vrijdenker toch nog een mogelijkheid van nabestaan openlaat.)) De versie In geval van nood:

Ik voel me versmallen
in een wereldwijde vallei
Genade. Doe het niet
voor dit tekstje voor een heksje
voor een hoekje in de krant
waarin ik heb gekwetterd
als een gebrekkige ekster
Genade. Vliegen
tot je weet maar nooit.

Het adieu en de onzekerheid over het leven na de dood, zijn hier veranderd. De dichter vraagt genade en hij stelt zijn ‘tekstje’, dit al te aardse ding, tegenover het vliegen, zelfs weg van de einders. Vliegen kan hier ook symbolisch en bij leven geïnterpreteerd worden: zich durven geven aan het de verbeelding. De ekster staat voor de gemankeerde mens, het is de vogel die kiezen moet tussen goed (wit) en kwaad (het zwart van zijn vederpak). De wereld van de verbeelding is een andere. De lezers zijn verdwenen, 1 ‘Envoi’ is genoeg.

In de versie van de bundel In geval van nood vervolgt Claus met zijn  herinnering aan het verleden toen ‘Wij wilden goedheid ontginnen / Dat ontzaglijk gebied / waar alles zwijgt’: hij verbindt het goede met het schone en het ware (veel klassieker kan het niet) – het zwijgen staat hier tegenover het kwetteren van de ekster en de dichter en roept een mystieke sfeer op waar in de stilte de volte heerst. Claus beschrijft de warmte dan als een ecologische ramp (de aarde wordt drie graden warmer), de zon is nu de dreigende dood geworden, niet langer meer het wakkere vuur. Deze verzen kunnen niet autobiografisch gelezen worden: natuurlijk is de jeugd van de dichter voorbij en ‘dood als de lente’ – maar hij staat niet voor de zomer. Biografisch is zijn zomer ook voorbij.

De laatste verzen getuigen van een tederheid, een voorbije zomer, een levensvreugde. ‘Lach lach maar’ kan een aansporing zijn tot de ‘aanbiddelijke rosse’, de krachtige rede, maar kan ook gericht zijn aan ‘jullie’ die met de dichter lachen omdat jullie de vorm niet kennen, of kan de dichter zelf aansporen alles los te laten en nu te lachen, nu de ‘tere, nobele vorm’ in aantocht is: alles bereikt, alles dood – maar dit wordt ontkend door het lachen. De ‘tere, nobele vorm’ is niet langer alleen een vorm maar is inhoudelijk gemaakt: teder verwijst naar gevoeligheid, nobel naar mannelijke kracht en eer. (Regel 6 moet inspringen.)

Wacht met mij
op de tere, nobele vorm
die zij aanneemt
Zij? Zij heeft de gedaante
van een aanbiddelijke rosse

lach lach maar

Claus beëindigt zijn oeuvre met een raadselachtigheid – ‘zoals dichters doen’. Het mooie is dat de laatste strofe met het werkwoord wachten begint: het is de dichter die de dingen moet laten gebeuren, het is ‘de rosse’, de schoonheid, die die tere, nobele vorm zal aannemen. Dit staat tegenover het doen van de dichter, zijn kwetteren. Had hij de dingen maar meer laten gebeuren, zonder te moeten tegenwringen. Uiteindelijk overwint de kunst de dichter als persoon. De lach is het leven dat lacht. Of mag er nu gelachen worden, nu de dichter dit leven verlaat? Het kan hem niet meer schelen.

Dan enkele citaten van Hugo Claus uit een interview met Humo.

Ik bevind me nog altijd dichter bij Picasso dan bij Morandi: het avontuur moet primeren.

Tevredenheid komt niet in mijn vocabulaire voor.

Feministen zouden willen dat je de vrouw altijd met al haar deugden en ondeugden neerzet. Maar ik beperk me in mijn boeken helaas nogal dikwijls tot de libido, en dan komen de feministen natuurlijk in het verweer.

Onder het trefwoord ‘Spijt’ (Hugo Claus : een groepsportret, De Bezige Bij, 2004):

Ik heb van weinig dingen spijt of wroeging. Spijt, wroeging, nee, daar ben ik niet zo goed in, […] Berouw is niet mijn sterkste kant. Berouw, spijt, wroeging … Het zijn gevoelens die wel opduiken, maar die ik de kop indruk. Uit egocentrisme, omdat ze te veel van mijn tijd vergen.

(Beeld: handschrift van Guillaume Apollinaire, Poème secret, Lettres à Madeleine, Gallimard, 2005)

Advertisements