hugo claus en nonkel miele (10)

door johan_velter

hugo claus_apollinaire en ik_ds_3-1-2000 (a)

Het gedicht ‘Apollinaire revisited’ uit de bundel In geval van nood was eerst een vertaling van een gedicht van Guillaume Apollinaire, « La jolie rousse », en verscheen in De Standaard van 3 januari 2000 als laatste gedicht van een 10-delige reeks. Bewerkte fragmenten verschenen in de bundel Flagrant met eenzelfde titel om uiteindelijk als een volwaardig, nieuw gedicht te verschijnen in In geval van nood – niet dat het Flagrant-gedicht slecht is. Het uiteindelijke, lange gedicht is brokkelig van vorm. Er zijn stukken die als een strofe kunnen gelden; er is, net zoals in Flagrant een typografische inspringing die als commentaar van Hugo Claus op het oorspronkelijke Apollinaire-gedicht kan gelden. Maar deze structuur wordt verlaten vanaf ‘Mensen van overal’. Er is ook verder nog een typografische verdeling ‘Ik zal de eeuw’ in een tekstblok laten inspringen, is opvallend. De bladspiegel is ook niet zo goed gezet, zie op p. 196 ‘En mijn jeugd’ dat eigenlijk op de volgende bladzijde had moeten belanden.

Het gedicht is niet volledig te begrijpen, juist ook door die structuur – vanwaar komt dit, wat doet dit? Er is dan ook nog een moeilijkheid in de uiteindelijke tekst die waarschijnlijk een omissie bevat. Ik citeer:

Ik zal de eeuw
en waar waarin
de aarde drie graden warmer
zal worden
En zie, daar komt de zomer
het gewelddadig seizoen

Wat zal de ik? En wat betekent het ‘en waar’? Durft Claus niet uit te spreken wat hij te zeggen heeft en dat in een gedicht waarin hij zich beklaagt tijdens zijn leven niet alles gezegd te hebben? Het lijkt er op dat er hier een stuk is weggevallen – in de verzameleditie Gedichten (De Bezige Bij, 2004) is de oorspronkelijke bladspiegel behouden gebleven. Nemen we de DS-versie erbij:

Genade
Voor wie vocht aan de grens van het onbegrensde
In de toekomst

De eeuw waarin de aarde drie graden
warmer zal worden en waarin ik
niet zal overleven.
En zie daar komt de zomer het gewelddadig seizoen

(De regels ‘De eeuw … overleven’ behoren in te springen, maar WordPress doet dit niet of ik weet niet hoe ik dit moet doen.)

We mogen dus veronderstellen dat Claus bedoelde dat hij de eeuw niet zal overleven – wat logisch is, nog honderd jaar erbij is veel, maar hij bedoelt natuurlijk/waarschijnlijk dat hij de eeuwwende niet lang zal overleven.

« La jolie rousse » van Apollinaire is een herneming van de aloude Querelle des anciens et des modernes waar dichters van de oude en de nieuwe school zich verdedigen. Zoals steeds gaat het om oude en nieuwe vormen, om een traditie gebaseerd op klassieke vormen (en klassiek verschilt van tijd tot tijd) en een gevoeligheid voor het hedendaagse. Maar Apollinaire verdedigt niet zomaar de avant-garde: hij neemt een tussenpositie in, zoals alle avant-gardisten, het zijn maar de navolgers die fundamentalistisch zijn. Het gedicht bestaat uit 6 onderling verschillende delen. In het eerste deel presenteert hij zichzelf als een mens die geleefd en gevochten heeft, gelouterd door het leven een bekende van de dood. Jan Pieter van der Sterre heeft dit gedicht vertaald in de reeks ‘De mooiste van …’ (Lannoo, 2007). De vertaling bevredigt niet. De titel vertaalt hij als ‘Een pracht van een rossige vrouw’. In de eerste regel vertaalt hij ‘meute’ voor « tous »: ‘Hier sta ik voor de meute een oordeelkundig mens’ – « Me voici devant tous un homme plein de sens » – ook verder zijn er nog verschillen in toonaard, gevoelswaarde en dus betekenisverschuivingen.

Apollinaire speelt met zijn levenservaring en de dood van de kameraden en dit is een voor-spiegeling van zijn betoog waar hij zijn mening zal geven over de strijd tussen traditie en inventie, tussen orde en avontuur – hijzelf staat voor het leven en dus het nieuwe; het oude is de traditie is de dood – zogezegd.

Hij spreekt de anderen aan, we zijn in het tweede deel beland, die de vertegenwoordigers van de goddelijke orde zijn, de spreekbuizen van het gemakkelijke. Hij vraagt hen welwillend te willen zijn voor hen die het avontuur opzochten.

In het volgende deel zegt hij dat er geen vijandschap is tussen de twee, integendeel: de modernen wilden de ouden ‘weidse gebieden schenken’ waar het nog nooit vertoonde getoond wordt en waar de tijd (tussen klassiek en nieuw, verleden en heden) opgeheven wordt: de toekomst dus. En hij vraagt hen ook medelijden te hebben voor hun zonden en hun vergissingen. Een eigenaardige regel bij Apollinaire is: « Nous voulons explorer la bonté contrée énorme où tout se tait ». Van der Sterre vertaalde dit als ‘Wij willen de goedheid verkennen een enorm terrein waar alles zwijgt’. Claus vertaalde dit als ‘Wij wilden goedheid ontginnen / Dat ontzaglijk gebied / waar alles zwijgt’ (In geval van nood, p. 196) en in het DS-gedicht vinden we een bijna gelijke vertaling maar met een belangrijke toevoeging – net alsof ook Claus twijfelt aan het woord « bonté »:

Wij willen de goedheid ontginnen
Dat ontzaglijk gebied waar alles zwijgt
Goedheid ineens een slagroomzacht
predikaat voor dood.

(Weer: regel 3 en 4 moeten inspringen)

hugo claus_apollinaire en ik_ds_3-1-2000 (b)

Het woord « bonté », en zijn vertaling ‘goedheid’, is atypisch omdat de avant-garde niet echt met moraal te verbinden is. En Claus interpreteert dit begrip, dat in de toekomst ligt, met de dood, goedheid een halfzacht begrip en dus heeft de avant-garde, de nieuwe vorm, geen toekomst. Dan komt dit overeen met zijn kritiek op Cobra in de roman Een zachte vernieling. Maar misschien moet « bonté » eerder begrepen worden in combinatie met « contrée » en dan hebben we een andere betekenis: dan gaat het over de vruchtbare gronden waar stilte heerst: dan en daar is het kabaal van de querelle overstegen. Apollinaire wil zich immers niet associëren met de vormvrienden: er moet ook inhoud zijn (wat dan weer de kant van de traditie zou zijn). Hij wilde het conflict overstijgen en een weg verder bewandelen – en ook Claus koos die weg: steunend op de ouden het nieuwe exploreren. Apollinaire zegt voor de zomer te staan, de lente en de jeugd zijn voorbij en hij bezingt de zon, de klaarte, de warmte, de gloed. De kern van het gedicht is dan:

O Soleil c’est le temps de la Raison ardente
Et j’attends
Pour la suivre toujours la forme noble et douce
Qu’elle prend afin que je l’aime seulement
Elle vient et m’attire aussi qu’un fer l’aimant
Elle a l’aspect charmant
D’une adorable rousse

(Weer : regels 2, 6 en 7 moeten inspringen.) In de vertaling van Jan Pieter van der Sterre: ‘O Zon het is de tijd van vlammend hete Rede / En ik wacht / Met haar voorgoed te volgen tot ze zacht en wijzer / Geworden is zodat ik enkel van haar hou / Ze komt en trekt me aan zoals magneten ijzer / En kijk ze blijkt een pracht / Van een rossige vrouw’.

De zon is het levensbrengend element dat de rede bevlamt, begeestert en waardoor de vormen verzacht worden (deze passage doet denken aan Wallace Stevens) en het is dat samengaan van orde (rede) en zon (avontuur) dat voor Apollinaire de poëzie van de toekomst is en die bevlamde rede (dat ijzer doet denken aan een harnas dat in de zon gloeit – zo las Hugo Claus het) vindt een vorm in een « adorable rousse ». De vorm is leven, erotiek, wildheid en gebondenheid geworden.

Het volgende deel bezingt die vrouw met beelden die zo oud als de straat zijn: goud, lichtflits, vlammen en verwelkende theerozen. Het laatste deel begint met « Mais riez riez de moi » en is een uitnodiging om de dichter uit te lachen want hij durft zoveel niet te zeggen en hij weet dat hij verhinderd zal worden dingen te zeggen, daarom « Ayez pitié de moi ». De moderne dichter heeft de nieuwe vormen en de nieuwe tijd gezien en die durft hij niet te vertellen aan het gewone volk, net zoals de ambtenaren niet willen weten wat er achter de einder ligt. Omdat de dichter zich niet kan uitspreken, moet men medelijden hebben met hem. Het is de doem van hem die weet zich niet te kunnen / te mogen uiten. De dichter wordt het land uitgestuurd.

Het gedicht van Apollinaire heeft de structuur van een redevoering, een apologie. Hij is als een beschuldigde die voor een jury komt te staan. Hij presenteert eerst zijn verdiensten, dan zegt hij wat hij te zeggen heeft, hij stuurt aan op verzoening om uiteindelijk te moeten constateren dat hij een vreemde is en blijft. Hij wil wel geven (de weidse verten) maar het is redelijk nutteloos. Bij Apollinaire is er geen schuldbekentenis of zelfverwijt. Hugo Claus heeft dit wel tot sluitsteen van zijn oeuvre gemaakt.

Advertenties