hugo claus en nonkel miele (9)

door johan_velter

(En nee, nonkel Miele is niet vergeten maar het ene volgt uit het andere en er is de vreugde van het dwalen, nog steeds beter dan dat dodelijk dorre dove domme.)

Met het gedicht ‘Apollinaire revisited’ in Flagrant en in de bundel In geval van nood besluit Hugo Claus zijn poëtisch oeuvre. Het is niet verkeerd  daarin een testament te zien maar beter is het het gedicht als een terugblik en een verdediging van een bestaan te zien. Het is ook een spiegel voor de dichter. Hij neemt zelf de weegschaal ter hand en besluit.

In het tijdschrift Filter beschrijven Pauline Hovens en Stéphanie Vanasten hoe André Fontaine in 2003 de band tussen Claus en Apollinaire blootlegde en hoe Claus de verschillende versies van het gedicht als stadia van schrijven gebruikte: van een bijna letterlijke vertaling naar toeëigening (het korte artikel is op het internet te vinden). Het gedicht had immers een eerdere versie gekend in een reeks gedichten die Hugo Claus geschreven heeft voor de maandagkrant van De Standaard, eind 1999-begin 2000. Wat? Wat zegt u? 2000? Een nieuw millennium? (Het gedicht ‘Apollinaire en ik’ verscheen ook in DS als laatste gedicht van de reeks – nadien nam Benno Barnard het over – en dit lijkt de oerversie te zijn want dicht bij het origineel van Guillaume Apollinaire.)

hugo claus_prognose_29-11-1999

Inderdaad, ook het gedicht ‘Prognose’, het tweede gedicht uit de bundel Flagrant, heeft in deze reeks een eerdere versie gekend. Het is een lang gedicht en delen ervan zijn opgenomen in Flagrant maar delen hebben ook elders in deze bundel, bij andere gedichten, een thuis gevonden. Verrassend is dat Claus zijn ‘krantversie’ aangepast heeft aan de datum van verschijnen. Het gedicht verscheen in de maandagkrant van 29 november 1999 en begint met ‘Nog vier weken en het is zover. / Glorie of vernietiging.’ In de bundel Flagrant was het ‘Nog acht weken’. In de DS-versie luiden de laatste regels: ‘Ik zal nog eenendertig dagen / geeuwen om al die eeuwen / zoals het een dichter past / en dat is / ‘Kouder, dommer, dover dan een vis.’ (Deze laatste woorden vonden een rust in het titelloze gedicht ‘Zal je deze papieren ooit lezen’.) In de krantversie gebruikt Claus in de laatste regel aanhalingstekens zodat het als een citaat geldt. De dichter doet zich voor als iemand die van de tijd is afgewend en slechts vegeteert: hij hangt daar in die viskom. In Flagrant heeft Claus een denigrerende opmerking over de christenen toegevoegd en plaatst hij dus zichzelf bij hen. In de krantversie schrijft de dichter dat hij verbrand zal zijn. Hij spreekt de lezer (‘lieve lezer’) aan: ‘Of je na vier weken schrik / nog deze krant zult lezen? / Of zij verbrand zal zijn als ik?’. In bovenvermeld Filter-artikel wordt de werkwijze van Claus als vertaler uit de doeken gedaan. Toch is dit ruimer te duiden. Claus had twee manieren om zijn gedichten te schrijven. Hij schreef korte stukjes, al dan niet zinnen of strofen, en voegde die later samen tot een groter gedicht. Of hij schreef en schreef om het vele later te reduceren tot een meer elliptische benadering en hij schrapte dan ook dikwijls de directe verwijzingen.  De verschillende versies zijn soms ook inhoudelijk van elkaar te onderscheiden: het gedicht gaat toch een deel zijn eigen gang.

Terug naar ‘Apollinaire en ik / Apollinaire revisited’. De krantenversie en de publicatie in de bundel In geval van nood liggen dichter bij elkaar dan de krantenversie en het gedicht in de bundel Flagrant. Claus weet hoe hij zijn lezers om de tuin moet leiden. In de DS-versie spreekt hij ‘Rosse, Zuid-Nederlands voor roodharig’, maar rosse verwijst natuurlijk naar het gedicht ‘La jolie rousse’, het gedicht van Apollinaire – dat ook zijn laatste gedicht is – en rosse is natuurlijk ook een wilde vrouw. Claus heeft zich echter niet alleen tot dit gedicht beperkt maar heeft ook elementen uit andere Apollinaire-gedichten opgenomen. Uit het gedicht ‘1909’ van Apollinaire gebruikte Claus het « Elle riait elle riait » wat slaat op een prachtige vrouw die zo sterk is dat Apollinaire er bang van werd. Maar in « La jolie rousse » komt het « Mais riez riez de moi » ook voor wat Claus niet letterlijk overgenomen heeft maar naar een tussenvorm heeft laten evolueren: een aansporing en een feit, een vreugde en een uitlachen. Claus besluit zijn gedicht met: ‘Zij? Zij heeft de gedaante / van een aanbiddelijke rosse / lach lach maar’. De lach is hier levensvreugde. Het is alsof de dichter een nieuwe vorm heeft gecreëerd, als een god die uit de baren een vrouw deed ontstaan, een vorm die het prachtige doet ontstaan en dan telt niet meer de ernst van de orde. Als Claus in dit gedicht schrijft : ‘Apollinaire geloofde / in broze horoscopen.’ (DS) en in de bundel In geval van nood dit verandert naar ‘Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop’ dan herinneren we ons het gedicht ‘Sur les prophéties’ waarin bevestigd wordt dat Apollinaire in horoscopen geloofde: « Tout ce qu’elle m’a dit du passé était vrai et tout ce qu’elle / M’a annoncé s’est verifié dans le temps qu’elle indiquait ».

Maar zoals steeds moeten we weer een Bezige Bij-blunder vermelden, die het misschien ook niet is. In de bundel In geval van nood werd de strofe: ‘Het eigen domein: / een hysterische neurotische / provincie’ uit Flagrant veranderd in ‘Het eigen domein: / een historische neurotische / provincie’. Indien Claus bedoelt dat deze neurotische provincie al eeuwen lang neurotisch was, dan had er beter ‘historisch’ gestaan – maar hysterisch is natuurlijk veel beter om het neurotische en problematische te beklemtonen. ‘Misschien’ schrijf ik omdat in de DS-versie er ook van historisch gesproken wordt: ‘Het eigen land een neurotisch / historisch eiland.’ – maar hier is het historisch wel beter verklaarbaar: dat land is niet hedendaags maar ouderwets (als we dit woord ter vervanging van historisch mogen gebruiken). En nog iets. In de twee boekversies spreekt Claus van de ‘vreemdste wijdste domeinen’ dat een vertaling is van « de vastes et d’étranges domaines ». Jan Pieter van der Sterre vertaalde dit echter als ‘vreemde weidse gebieden’ (De mooiste van Guillaume Apollinaire, Lannoo, 2007). Terecht natuurlijk.

Apollinaire schreef met zijn « La jolie rousse » een verdediging van de eigen poëzie. En wat doet Claus ermee? Hij is Vlaming, hij denigreert zichzelf.

Advertenties