hugo claus en nonkel miele (8)

door johan_velter

hugo claus_apollinaire

Het laatste gedicht in de bundel Flagrant is ‘Apollinaire revisited’ – en Hugo Claus schrijft in het manuscript de naam van de Franse dichter correct. In de bundel In geval van nood is dit gedicht ook het laatste gedicht en het is daarmee ook letterlijk het laatste gedicht van de dichter geworden. In de officiële uitgave, de De Bezige Bij-uitgave dus, is het gedicht danig uitgebreid en wanneer het goed gelezen wordt, kan dit gelden als een testament. De laatste woorden daar zijn gewijd aan de vrouw, het bevrijdend lichamelijke. Een duiding van dit gedicht is te vinden op de nu helaas wat minder actieve
blog.

Ik volg eerst de bundel Flagrant. Hier bestaat het gedicht uit vier strofen die typografisch van elkaar onderscheiden zijn doordat 2 en 4 inspringen – deze strofen geven een commentaar op respectievelijk 1 en 3. (WordPress doet dit niet, daarom gebruik ik een witregel om de strofen van elkaar te onderscheiden)

De eerste strofe is een duiding van wie aan het woord is, de dichter toont zichzelf als een Luther of een Galilei. Hij heeft het leven geleefd en lijkt een balans op te maken. Er spreekt zelfbewustzijn uit deze verzen en tegelijkertijd is hij iemand die, net zoals anderen, een leven geleefd heeft.

Hier sta ik dan
een zinnig man
die van leven en dood
kent wat een overlevende kan kennen


Zinnig?
Dat weet ik niet zo zeer
Hij zingt wel maar
alleen over bronst

Het woord zinnig is inderdaad problematisch. Het betekent ‘bij zinnen zijnd, verstand hebbend’, verstandig zijn, redelijk in de betekenis van betrekking hebbend op de rede. Toch verbinden we het woord ook met zintuigen en karakter (eigenzinnig). In de vierde regel gebruikt Claus 2 maal het werkwoord kennen – er is een relatie: hij weet wat er te weten valt: hij heeft het leven geleefd en het verstandelijk geanalyseerd. Hij kent het leven zoals de levensfilosoof die kent. Maar in de tweede strofe wil hij dat zinnig toch in vraag stellen. Het krachtige is dat Claus het weten verbindt met het zingen (en wie in de poëzie over zingen spreekt, denkt aan Homeros) en het gezang wordt verbonden met bronst – dat in onze tijd nog weinig verbanden heeft met weten (maar ooit was het anders – denk aan de achttiende eeuw (de Sade, Diderot, Casanova en de erotische literatuur als een manier om het nieuwe denken vorm te geven) en dat nu nog overleeft in de satire – waar het seksuele en de macht met elkaar verband blijven houden – denk aan de tiran Erdogan – het lichamelijke is altijd de kracht van het volk geweest: het huidige puritanisme is een onderdrukkingsmechanisme). Het tweede opvallende element is dat de derde regel van de tweede strofe van persoon wisselt: niet meer het ik spreekt, als wel een derde persoon die nu ‘over hem’ spreekt.

De derde strofe gaat niet, zoals men na 2 zou verwachten, over de liefde en het genot maar juist over het tegenovergestelde: de doden in de oorlog, de vrienden van de dichter, de verschrikking die de politiek in dienst van het kapitaal teweegbrengt (denk aan de oorlogsdreiging van vandaag). Maar door deze drie oorlogsmomenten te beschrijven, verandert het ik van Hugo Claus in het ik van Guillaume Apollinaire.

Mijn dierbaarste vrienden
heb ik zien sneuvelen
Ik heb de bommenwerpers zien
dalen
De treinen vol soldaten
zien verschroeien.

Ooit heb ik jullie de vreemdste
wijdste domeinen willen geven
in ordening of in avontuur
Het eigen domein:
een hysterische neurotische
provincie.

En daarmee is de bundel Flagrant afgelopen. Het gedicht zoals het hier staat, kan op zichzelf bestaan maar de uitgebreide versie is wel beter. Claus sprak in de tweede strofe over de bronst (en dat kan uiteraard ook slaan op de bronst ‘bij’ Apollinaire, een beduchte erotomaan die o.a. de fantastische reeks Les maîtres de l’amour (Paris, Bibliothèque des Curieux) heeft opgezet) maar dit lijkt in het gedicht geïsoleerd te staan – maar is het toch niet. Dus: 1: hier sta ik, 2. een verwijzing naar de lof van het seksuele, 3. de dood van de vrienden door de oorlog.

De vierde strofe is terug het ik: een dichter (?) die de anderen de domeinen van de vrijheid heeft willen geven ‘in ordening of in avontuur’: dit is het denken of de fantasie: het uitbreiden van de menselijkheid. En dit vele, het andere, het betere stelt de dichter tegenover zijn eigen domein: ‘een hysterische neurotische / provincie.’ Er is een verwijzing naar het freudisme, weer het seksuele, en de provincie is dat gebied dat achterlijk en bekrompen is. Claus eert Apollinaire dus: hij is een dichter die verten geopend heeft en uiteraard speelt hij met het ‘ik’: gaat het om Apollinaire of om Claus of om beide dichters? Want ook Claus heeft zijn verlangens gehad, ook hij heeft in het surrealisme de vrijheid gezocht en gevonden, ook voor hem was dit een poort naar het eigen ik, een exploreren van de fantasie en de mogelijkheden. Tegelijkertijd is het einde dan een schuldbekentenis: ik heb wel de verten willen geven (waarbij het onduidelijk is of die er ook gekomen zijn) maar mijn eigen domein is dat van het gemankeerde subject, waarbij provincie zowel kan slaan op de geografische werkelijkheid als op het eigen denk- en leefdomein.

De titel van het gedicht kunnen we lezen als ‘Terugkeer naar Apollinaire’ en de Franse dichter en essayist is voor Claus een bron voor zijn dichterschap en denken geweest.

Het eerste gedicht in Flagrant, deze bundel, gaat over het ontstaan van het biologische leven en dit geschetst in een wetenschappelijk kader. Vanaf het tweede gedicht is er de dreiging van het vergaan – maar dan nog in een maatschappelijk kader. Er is de natuur die een gevaar oplevert, en er zijn de fascisten die (ook vandaag nog) de waarheidszoekers belagen. Dan keert de dichter terug naar de kern van het bestaan: het lichamelijke, het seksuele (‘Een staartster’). Het gedicht staat precies in het midden van de bundel: nummer 5 van 9. Vanuit deze intimiteit verkent de dichter weer de wereld van ellende, vergaan en kleinburgerlijke wensen. Het zevende gedicht is het denken over de taak van de mens, i.c. de dichter en hoe de poëzie het individuele overstijgt. Dan komt de vraag wat er overblijft, eens de fysieke dichter verdwenen zal zijn. Het voorlaatste gedicht is defaitistisch: zij, de dood, het smeerlap. Het laatste gedicht is het opmaken van een ultieme balans en een toegeving: het had meer kunnen zijn. Had ik maar, was ik maar; maar helaas, dit is ik, dit mijn grond. De pascaliaanse beperktheid wordt aanvaard. Het is maar dit. Maar toch, het is dit. Het is een zelfrelativering: de dichter is zijn eigen personage. Hij mist de vrienden, hij is achtergebleven bij zichzelf.

Advertisements