over het platvloerse en de kracht van de troost

door johan_velter

 

 

‘platvloers’ (bn), laag-bij-de-gronds, triviaal.’ (van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal, 1992)

Het slaat in je gezicht. Je buigt je, je gelooft je ogen niet. Je hersenen bevestigen. Dit zijn slechte fotokopies van slechte foto’s van schrijvers op tegels geplakt. Ja, loop er maar op, ja vertrappel maar die foto’s, veeg er uw voeten aan af, leg er het stof van de straat op, besmeur ze maar met de uitwerpselen van beesten, de resten van spuugsel. We zijn vandaag in een bibliotheek. O digitale wereld.
Oh maar men bedoelt het gracieus, sierlijk, eerbiedig en achtenswaardig. (“
And Brutus is an honourable man”). Immers, de creativiteit! de originaliteit! De goedkope kopies zijn een lokaal origineel (!) eigen zelfuitvinding equivalent van de koperen filmsterren in Cannes. Men volgt de papieren en men stoot op een kastje. Ha, dan toch reclame voor zichzelf. Als een instelling en een instituut alleen nog met zichzelf bezig zijn, is het einde nabij. Er is een kunstwerk, nee, er was wat iemand een kunstwerk genoemd heeft. Een cultuurinstelling.

bibliotheek_merel_0

bibliotheek_merel_1

Maar er is de troost. ’s Morgens rij je met je fiets langs een afhangende struik, je hoorde al een tijd een levendigheid. Vader en moeder die een nest maken. Daarna moeder-merel die zacht piepend bang van het lawaai was, de man-merel, dapper als hij is, vanop een afstand toekijkend. Maar de vreugde van de nabijheid is voldoende, er is geen gevaar. En dan plots ’s morgens vroeg, een verschrikte meisjesmerel die zich geen weg weet. Ze vliegt tegen de deur, ze klampt zich vast aan het raam, zoekt de reling op – maar wat van de mensen is, is te koud, te hard, te meedogenloos. Toch is er de zekerheid dat, als de bruutzak blind is en dat is hij, de natuur wel haar plan zal trekken. Och, mochten de merels maar de duiven en de duivels kunnen verjagen.

 

merel_4e

En dan kom je boven, zet het raam open, ververst het water, ademt diep. Weer een dag wachten op wat gebeuren zal. Je maakt een kansberekening en een speltheoretisch concept: als dit dan dat, misschien is er toch een overlevingskans. En daar is hij. Hij verfrist zich, hij bekijkt het ontwakende leven, begroet de zon, koestert zich in de warmte van de natuur. Hij negeert terecht: het komt hem toe.

Het plaatje is idyllischer dan de werkelijkheid (u ruikt niet de benzine- en dieseldampen van de ondergrondse parking, u hoort niet het razen van de kettinghonden, u hoort niet het bulderen van de Joris Van Severen-adepten, u hoort niet het gekletter van de messen).

Advertisements