hugo claus en nonkel miele (6)

door johan_velter

Het zevende gedicht uit Flagrant, ‘Op de fiets naar de eeuwigheid!’, beschrijft de nietigheid van de mens: tegenover de eeuwigheid een nietig wezen, zelfs geen denkend riet, maar iets dat piept als een trampoline. Dit gedicht wordt in de bundel In geval van nood hernomen en aangevuld – het thema blijft hetzelfde: de homo sapiens die geen (nauwelijks) blijk geeft van intelligentie. De titel van het gedicht is daar ‘Panoramisch’ en is opgenomen in de cyclus ‘Gedaanten’. De titel houdt een standpunt in: van bovenuit wordt het gewriemel bekeken, in het gedicht zelf is het letterlijker te lezen. De eerste strofe is in beide versies gelijk – met uitzondering van het uitroepteken na de eerste regel in Flagrant (maar het teken is ook niet opgenomen in de handschriftversie).

De tweede strofe is helemaal van toon veranderd. In Flagrant konden we deze zinnen lezen als een kritiek op de metafysica, de inbeelding, de romantiek. De versie van In geval van nood is kinderlijker, narcistischer, egocentrisch:

‘Panter,’ zo fluistert mijn rosse
kater, ‘stoute panter, allermooist
pantertje.’

Het rosse in dit gedicht verwijst naar het laatste gedicht van de bundel, ‘Apollinaire revisited’. In Flagrant staat deze strofe op zichzelf.

In de derde strofe vervangt Hugo Claus ‘de bom’ door ‘de kruisraket / die alleen maar witte schaduw wierp’. De bom is in Flagrant gevallen en daar liet die alleen maar witte schaduwen achter. Maar hier is de kruisraket slechts een bedreiging die een witte schaduw werpt. Toch mag dit niet helemaal letterlijk gelezen worden: een witte schaduw is niet mogelijk. ‘Verdomd doods decoratief’ blijft over en de 4de regel ‘Toen eindelijk vlogen zij gedrieën’ is raadselachtig: vanwaar komen die drie nu? En welke drie en waarom eindelijk? Vliegen? Er is Magda, Nonkel Miele en de kater, maar die kater is ‘mijn kater’: de dichter breekt in in zijn eigen gedicht. Dus blijven er maar 2 over. Nee, 3, we lezen verder.

In hun Groot retorisch woordenboek (Vantilt, 2015) schrijven Paul Claes en Eric Hulsens: ‘Hyperbolisch taalgebruik is typisch voor de lage én de verheven stijl, […].’ ‘Een semantische figuur, vervanging van een term of wending door een sterk overdreven […] term of wending, vaak bij overstatement.’ Claus schrijft ‘Magda lag hyperbolisch klaar / Zij piepte als een trampoline / Had Nonkel Miele toen al / zijn sokken uitgetrokken?’ In de bundel In geval van nood vervangt Claus ‘zij’ door ‘Magda’ en voegt bij haar klaarliggen de term hyperbolisch toe. Was ze dan heet?

En dan voegt Claus het eerste gedicht van Flagrant in uitgebreide versie aan dit gedicht toe:

Nog lang niet
Nog lang geen homo sapiens
Klei schuim kalk moleculen
graaiend naar de vorm van een
zoogdier

Van het krakkemikkige moment in de eerste strofe, naar de inbeelding in de tweede strofe, van de dreiging van oorlog en geweld in de derde strofe, naar het seksuele bed in de vierde strofe, de vaststelling in de vijfde dat de mens (nu? toen?) nog geen homo sapiens is.

De zesde strofe is een uitgebreidere variant van de Flagrant-versie. Aan de jongenswetenschap over de odontogriphus voegt Claus nu de opaline toe, de Latijnse naam is Opalinidae, microscopische parasitaire organismen. Antoni van Leeuwenhoek is de eerste wetenschapper die dit in 1683 waargenomen heeft. Maar vijf ogen? En Claus voegt ook nog de Hallucigenia toe, alweer een wezen uit de oersoep van de wereld. De drie hebben gemeen dat ze moeilijk te classificeren zijn, de homo sapiens schiet ook hier tekort: het verleden is een raadsel en de mens een stofdeeltje.

Maar Hallucigenia roept ook het woord hallucinogeen op waardoor de laatste regels van deze strofe en dit gedicht voorbereid worden. Ik citeer de volledige laatste strofe:

Of de Opaline met haar vijf ogen?
Of de Odontogriphus, het getande raadsel
of gewoon Hallucigenia
CAMERA SEVEN:
Een kwieke panoramische
zwenk langs het dak van het Hilton Hotel
Komt zien! Komt horen en zien!
De mens als pannenkoek!!

Met de Engelse woorden ‘Camera seven’ begeeft Claus zich in de populaire cultuur van de film. Wat nu beschreven wordt is sensationeel en mediatiek, het wordt geënsceneerd en het wordt gezien. De panoramische zwenk is maar mogelijk door een atletische figuur, geen lomperik als de dichter. Er is een Hilton Hotel in Amsterdam en Herman Brood sprong op 11 juli 2001 van het dak. He, rock-’n-roll’: hier is dit dan, de mens, de homo sapiens, plat als een pannenkoek. Het gedicht sluit zich als een cirkel: de eeuwigheid van de eerste strofe is het asfalt van de straat geworden. Daartussen is de mens heel even iets, hij stelt zich heel wat voor, maar is hij meer dan die microscopische wezens? En hoe dom is hij die zich aanstelt en het leven als een film ziet. Waarom dat circus?

In de derde (!) strofe schreef Claus ‘zij gedrieën’: verwees hij daarmee naar Opaline, Odontogriphus en Hallucigenia die inderdaad nu met Herman Brood gevlogen hebben? De mens die zich doodt, doodt de evolutie. De mens die leeft, heeft de evolutie in zich. De mens is niet meer dan een verzameling wezens, een vergaarbak, niet alleen van darmen, maar van minuscule diertjes die hem in leven houden. Een plastisch gemaakte materialistische levensfilosofie.

Advertisements