hugo claus en nonkel miele (5)

door johan_velter

hugo claus_flagrant_oorlog

Nu we De eieren van de kaaiman bekeken hebben, kunnen we veronderstellen dat het derde gedicht uit de cyclus Flagrant godsdienstige connotaties heeft. De eerste regels beschrijven de priesteres die zich een masker oplegt. De dieren die geëvoceerd worden hebben een maatschappelijke rol: de geit als zondebok, het beest van de duivel; de kaaiman kunnen we lezen als de draak die gedood moet worden (volgens het Westen) maar in het Oosten als levenskracht, seksuele vruchtbaarheid en onsterfelijkheid gezien wordt. De flamingo is het groepsdier dat rust op 1 poot (omwille van de lichaamswarmte) en in zichzelf gekeerd lijkt. Er zijn 3 momenten: het spel van de geitenbokjes, de stilstand van de flamingo en het oorlogsnaderen van de kaaiman. Er is gevaar. Die toestand van de natuur wordt verplaatst naar de wereld van de mens.

Het vierde gedicht is getiteld ‘Oorlog’. We zijn terechtgekomen in Wereldoorlog II – dit wordt niet expliciet in het gedicht gezegd. “Moeder zong het in het Frans / en het Duits min of meer / gelijktijdig. / ‘Komm mit mir ins / Chambre séparée’.” De laatste regels komen uit Der Opernball (1898) van Richard Heuberger. Een komedie à la Romain Deconinck: mannen worden tijdens een gemaskerd bal door hun vrouwen op huwelijkstrouw getest. Eind goed, al goed. De geciteerde regels zijn misschien het bekendste deel uit dit stuk: verleiding. Intrigerend omdat er een combinatie is van Duits en Frans: de frivoliteit van Parijs wordt gebruikt om de Duitse degelijkheid te bewijzen. Het is door de combinatie van beide talen en cultuursferen bij uitstek geschikt om de Vlaamse collaboratie te duiden – ook Elisabeth Schwarzkopf heeft deze operette gezongen. Claus heeft steeds beweerd dat hij gefascineerd was door de Duitse degelijkheid en ernst. Maar hier lezen we het omgekeerde: de Duitsers schieten in de lucht en een kogel raakt de rechterbil van nonkel Miele. Die is kwaad omdat die kogel Pierke, de labrador, had kunnen raken. Die 3 weken later toch een natuurlijke dood zal sterven en in de duinen begraven zal worden ‘[…] en Nonkel Miele zong iets / van Hugo Wolf, / “Alte Weisen” geloof ik.’.

» Alte Weisen « is een liederencyclus op muziek van Hugo Wolf, de zes gedichten zijn van Gottfried Keller. Laat-romantiek, het zwelgen van de Duitse ziel. Hier: het goede en het schone dat door de barbaarsheid vermoord wordt. De oorlog die Claus beschrijft is een farce: Duitsers die in de lucht schieten, een man in de rechterbil verwonden maar dit gebeurde door een verdwaalde kogel, een hond die in de duinen begraven wordt onder begeleiding van Duitse muziek (geen marsmuziek). Operette. We zijn op vertrouwd terrein: de grote woorden en gevoelens worden teruggebracht naar trivialiteit. Ook weer het verleggen van de aandacht, de woede, de angst voor wat zou kunnen gebeuren: nonkel Miele wordt geraakt maar die is razend omdat men Pierke had kunnen doden die echter niet geraakt is. Later wordt Pierke toch door Ananke aangeraakt.

In de bundel In geval van nood (p. 104) is dit gedicht niet alleen van titel veranderd (van ‘Oorlog’ naar ‘Alte Weise’, nu enkelvoud) maar de verklaring van Pierke (‘een Labrador’) is weggelaten waardoor men zou kunnen denken dat Pierke naar Pierke Pierlala, het Gentse schavuitje, de Gentse pseudo-humor, verwijst. Maar ook de eerste regels zijn veranderd. In Flagrant, zie boven. In geval van nood: “Moeder zong het in het Frans / Vader in het Duits / Min of meer gelijktijdig. / ‘Komm mit mir ins / chambre séparée’.” De gelijktijdigheid wordt nu verdeeld over twee personen, is een lied voor twee stemmen geworden en is daarmee ‘logischer’ maar daarom poëticaal niet beter. Opvallend in dit gedicht is dat de hond gestorven is aan de dichter weet niet wat. Hij somt drie mogelijkheden op zonder uitsluiting te geven: ‘door een hersenvliesontsteking / of een longontsteking / of zijn treurnis om de gang van de wereld’ – het is vooral dit laatste dat treft: het hondse bestaan. Nog een wijziging: waar in Flagrant van hersenvliesontsteking gesproken wordt, staat in In geval van nood ‘hersenbloedontsteking’ – niet bestaand. Een wijziging van de auteur (bedoelde hij ‘hersenbloeding’?) of weer 1 van die beruchte De Bazige Bij-blunders?

Het volgende gedicht is titelloos, ‘Een staartster’. De romantiek in praktijk gebracht, de liefdesdaad. Claus legt een verbinding met het universum, een staartster, het wensen van de mens die in een kelder schuilt – het tegengestelde van het hemelgewelf. De ik vervult haar seksuele verlangen. Daarna stilte, volbrachtheid. Op pagina 25 van In geval van nood werd dit gedicht onder de titel ‘Staartster’ opgenomen, er is wat geschrapt maar de strekking blijft hetzelfde. Toch is dit geen zoet gedicht. Er is immers sprake van dominantie en als we de schrijversfiguur samenbrengen  met de auteur zelf dan is dit een atypisch gedicht: niet is de vrouw de meesteres die de man als offer brengt maar de man is de dominante figuur: ‘Zij is in mijn bereik / gehurkt in de kelder’. Op het einde is haar keel dicht en haar schaambeen moe: de man heeft haar bewerkt, zij stond in zijn dienst.

Het titelloze zesde gedicht ‘Op de fiets naar de eeuwigheid’ is een typisch Claus-gedicht: aards, hangend naar het eeuwige, radeloos niet-wetend. Vier strofen slechts. In de eerste strofe komt tweemaal het woord eeuwigheid voor dat gesteld wordt tegen het krakkemikkige van de fiets en het fietsen – dat hier staat voor het armzalige oude leven dat het leven nu geworden is. Alles kraakt en doet pijn. Maar de mens stelt zich een eeuwigheid voor, een eeuwig leven, een god. Deze toestand wordt nu vergeleken met de kater in zijn mand die zich een panter waant – de panter, het wilde dier, de kater, het luie, vette, vadsige, gedomesticeerde. Door te denken aan de panter, verbindt de kater (wat van de mens geworden is) zich met de oudheid, de helden en Christus (de wellust, het eten, de drank, het opstaan na drie dagen, de wildheid van wat eens het leven was) – hoe romantisch Claus kan zijn. Er is een verwijzing naar het solipsisme van Willem Kloos, ‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten’ – hoe nietig de mens is, stelt Claus daar tegenover.

“Panter!” zo fluistert mijn kater
zich toe
tot in het diepst van zijn mand

De derde strofe keert zich naar de wereld die binnendringt in dat bastion van het ik. Er is een bom, er blijven enkel ‘witte schaduwen’ over (de schimmen). Het puin is ‘verdomd doods / decoratief’ (in het handschrift staat ‘doods- / decoratief’ wat een andere nuance is). En wat doet de mens? De vierde strofe is ‘vulgair-triviaal’: de wereld is de wereld, en wij zijn wij. Leven en laten leven, de domheid zegeviert – is een mogelijke interpretatie: het seksuele is hier géén triomf van de levenswil:

En zij lag klaar
en piepte als een trampoline
Had Nonkel Miele toen
al zijn sokken uitgetrokken?

Sokken betrekken bij de mannelijke liefde, is redelijk vernietigend, de-erotiserend. Ook dit een tamheid. De nawereld van de bom doet denken aan Blindeman waar er een decor was van puin. Decoratief is binnen de beeldende kunst een scheldwoord, niet helemaal terecht. Het doet denken aan de zogezegde tegenstelling tussen Matisse en Picasso. De eerste al te decoratief, de tweede al te expressief. Maar beiden hebben ook het werk van de ander op- en overgenomen. Wat rest van de wereld is inderdaad decoratief want er is geen betekenis meer. De vierde strofe kunnen we ook anders interpreteren. ‘Zij’ lag daar klaar vóóraleer de bom gevallen is en is nonkel Miele dan gestorven zonder sokken, die immers al uitgetrokken waren vooraleer ze daar piepte? De vierde strofe lezen we dan als een versteend tafereel. Pompeï. De vulkaan is door een bom vervangen.

Het merkwaardige is dat de bundel In geval van nood een uitgebreide versie van dit gedicht bevat, met meer ‘verklaring’, meer vlees. Het gedicht heet daar ‘Panoramisch’, bevat 6 strofen, is een combinatie van het eerste en zesde gedicht uit Flagrant.

Advertenties