hugo claus en nonkel miele (1)

door johan_velter

hugo claus_flagrant

In die laatste, complexe bundel, In geval van nood (De Bezige Bij, 2004), van Hugo Claus, met een prachtige omslagprent van Francis Picabia, komt er een ‘nonkel Miele’ voor die echter, niet zoals bij Romain Deconinck getrouwd is met ‘tante Nette’, maar wel met een ‘tante Magda.’

Een aantal gedichten uit In geval van nood waren al veel eerder verschenen, zijn hier al dan niet soms ietwat gewijzigd. Andere gedichten moeten recenter geschreven zijn, daaronder deze ‘nonkel Miele-gedichten’. In datzelfde jaar 2004, was de bundel Flagrant bij De Slegte verschenen. Een boek in vier edities. Een volksuitgave bij De Slegte zelf, een bijna-bibliofiele editie bij Revolver (met prenten van Jan Vanriet), een ‘boekenmakers’-editie bij Grafijn van Danny Dobbelaere (met penseeldingen van Pat De Vylder) en een hoog-bibliofiele editie bij Ergo Pers (met fotografische etsen van Pierre Alechinsky).

Tussen de gedichten in Flagrant en In geval van nood zijn er grote verschillen. De Bezige Bij-redacteur, Suzanne Holtzer, zei dat ze met deze bundel een van de eigenaardigste ontstaanswijzen gekend heeft, met voortdurende wijzigingen van de auteur, terugkomen op beslissingen, weer nieuwe makend. In de wijzigingen kunnen we het vlietend bewustzijn van de auteur vermoeden. Maar Claus heeft zijn eigen werk, net zoals dat van anderen, voortdurend onderworpen aan een nieuwe blik. Slechts in een beperkt aantal gevallen kunnen we spreken van metamorfosen, veeleer zijn het varianten. Dit woord mag in zijn technische betekenis begrepen worden, maar bij Claus is er ook een levensbeschouwelijke en kennistheoretische grond aanwezig. De verandering is het levensprincipe; de starheid (van theologie, godsgeloof, ideologie, maatschappelijke banden) levensvijandig. Als de waarheid niet bestaat, dan ook niet het definitieve gedicht – het is de dood die een punt achter een oeuvre zet ; zolang er lezers zijn, zal er interpretatie gebeuren en zal de ene variant het boven de andere halen. Door de varianten te tonen (en van elke variant een definitieve te maken) laat Claus horen dat het er niet toe doet, ze zijn er allemaal en ze functioneren elk op een eigen wijze. Dit is een anti-metafysisch denken, een republikeinse levensopvatting omdat er naar gelijkheid geneigd wordt, niet naar uitverkorenheid.

De bundel Flagrant bevat 9 gedichten. Ik, volksjongen zijnde,  gebruik de De Slegte-uitgave die links een handschrift van Claus toont en rechts de gedrukte tekst (de eerste letter van elk gedicht is steeds in het rood gedrukt). Zelfs hiertussen zijn er verschillen, niet enkel orthografische maar toch vooral. Ook bemerk je hier en daar een inzinking. (Merkwaardig is dat Hugo Claus, ook in handschrift, Apollinaire correct spelt en dat dit in DBB-uitgave van In geval van nood niet correct gebeurt (Appolinaire, op p. 205 maar Apollinaire op p. 194) en dit wordt gedachteloos herhaald in de editie Gedichten (2004), in de inhoudsopgave verkeerd gespeld, in het gedicht zelf correct. Met wat jij je allemaal bezighoudt!)

De bundel opent met het gedicht (de eerste regel) ‘Zee en baren ! Wee de baren?’ – dit lijkt een klankassociatie te zijn, maar is het niet: het is betekenis.

Zee en baren! Wee de baren? / Wat duikt er op? / Drie keer raden / Nee, het is niet Odontogriphus, / het getande raadsel. // Maar nog lang niet een / homo sapiens // Klei, schuim, bacteriën / graaiend naar de vorm / van een zoogdier.

Het wee van de eerste regel moet in verband gebracht worden met de dreiging van de homo sapiens. Claus beschrijft hier het ontstaan van de mens. De Odontogriphus (het eerste deel ‘verwijst’ naar de langstlevende broer van Claus) was een dier dat 540 à 500 miljoen jaar geleden leefde. Op Natuurinformatie lezen we verder: ‘Odontogriphus was een afgeplat, langwerpig dier met een afmeting van ongeveer zes centimeter. Hij had een gesegmenteerd lichaam en een kop met een paar zijdelingse voelers en een centrale tentakelkrans (lofofoor) rondom de mondopening. Deze tentakels waren verstevigd door tandvormige uitsteeksels.’ waarmee direct een verklaring gegeven wordt voor ‘het getande raadsel’. Er is slechts 1 fossiel bekend van dit dier en wat we weten is bijzonder weinig, buiten het feit dat het er is (gesteld dat er geen dominicaner monnik een vervalsing in elkaar gekwanseld heeft). De homo sapiens weet dus (nog) niet zo veel als zijn naam zou doen vermoeden. Het ‘Drie keer raden’ uit de derde (!) regel wordt herhaald in de eerste regel van de derde (!) strofe: ‘Klei, schuim, bacteriën’: daaruit zal de mens geboren worden. Het is modder, vuilheid, ongedierte.

Het tweede gedicht heet ‘Prognose’ en is een millenniumgedicht: zoals het jaar 1000 rampen zou meebrengen, zo ook het jaar 2000 (alle computers gingen immers ook vastlopen). De tijd van het gedicht is 8 weken vóór het einde van het oude millennium. Het onderwerp is de sociale ellende of sociale dood, dat wat mensen zichzelf wijsmaken. Het gedicht bestaat in handschrift uit 1 geheel, in gedrukte versie zijn er twee strofen. In het eerste deel beschrijft Claus wat men ons wijsmaakt, het tweede deel is een combinatie van de moraal in de traditie van Epicurus (‘vrees niet’) en van de typische middenstandersmoraliteit (dat toen en nu de moraal van het postmodernisme geworden is): ‘Wacht dus nog acht weken / Hou je poot stijf / schrob je tiara / Vrees niet voor het vege lijf / Eet van alle wallen / vervallen doet het toch’. Of het jaar 2000 er nu aankomt of niet, het doet er niet toe: 2000 is als 1942: de neergang, het eten van alle wallen (Het verdriet van België speelde zich voor een deel af in Walle, het Clausiaanse Kortrijk). Een vreemde regel is ‘schrob je tiara’ omdat alle andere regels verwijzen naar uitdrukkingen. De tiara is de drievoudige kroon van de paus (priester, koning, leraar) gemaakt van zijde – wat, denk ik, niet geschrobd mag worden. Claus kan hier verwijzen naar de valse autoriteit van de paus, maar ook naar de rijkdom die toch vervallen zal: dan gaat de moraal over: lijfsbehoud, het laatste wat rest, karaktervastheid, sluwheid. Als de dood er is, is er geen moraal.

Gedicht 3 is titelloos en begint met de regel ‘Zij smeerde banaan’ en vervolgt op regel 2 met ‘en bloedkersen over haar gezicht’. De ijdelheid van de paus (de macht) wordt verdergezet met die van de vrouw (de schijn). Claus schetst een huiselijk tafereel, alhoewel de onzinnigheid en het dreigende ‘bloedkersen’ al iets anders doen vermoeden. De schijnbare vrede wordt verdergezet met de geitenbokjes die elkaar kopjes geven en de flamingo die eenpotig is en blijft – er is immers nog geen gevaar. In strofe 3 treedt de kaaiman op ‘en noemde vele namen van vogels’ – wat verwijst naar het paradijs waar Adam de dieren namen gaf maar hier het omgekeerde is: de namen zijn de vogels die verslonden zijn. In dit gedicht beschrijft Claus de natuur als een strijdwereld (een vroege Tonnus Oosterhoff). ‘De drek van de lemuren’ is niet letterlijk te begrijpen: lemuren zijn spoken, wat van de doden toch nog overblijft. De drek is hun erfenis op aarde, bijvoorbeeld ‘de drek van Verhofstadt’. De voorlaatste en laatste strofe: ‘De kaaiman begraaft / zijn eieren in de modder / “Haast je, Nonkel Miele! / Pas op voor de krokodiele!” // Ternauwernood / in geval van nood / en moord’. De eieren die in de modder liggen (herinner u de ‘more’ uit Blindeman) gedijen in het slechte. In 1996 verscheen van Claus het toneelstuk De eieren van de kaaiman, volgens de omslagtekst ‘een gruwelijk sprookje’ waar het gaat om een strijd tussen ‘Tandelozen’ en ‘Berggeiten’ – de verwijzingen naar dit gedicht zijn duidelijk. (Is dit toneelstuk overigens ooit opgevoerd geweest?). Dit theaterstuk heeft als motto een citaat van William Shakespeare uit het toneelstuk Henry VI (2), bedrijf 3, scène 1: ‘As the mournful crocodile / With sorrow snares relenting passengers.’ (in de vertaling van Willy Courteaux: ‘[…], net zoals de krokodil / Met zijn geschrei de weke wandlaar vangt,’). Het citaat is niet correct geciteerd: Claus doet alsof de eerste regel begint met ‘As’ en de tweede eindigt met een punt. In werkelijkheid is het citaat een middenstuk: het gaat over misleiding en de krokodil wordt aan de slang gelijk gesteld. De ‘krokodiele’ verwijst uiteraard naar de kaaiman en is een typisch slechte Romain Deconinck-regel, pseudo-humoristisch, plat rijmend.

De laatste strofe is in haar beknoptheid raadselachtig. Ternauwernood betekent ‘nauwelijks, met grote moeite’: de vraag is nauwelijks wat, in geval van nood en moord? ‘In geval van nood’ is de titel van de bundel die hetzelfde jaar bij DBB verschenen is en in die bundel komt dit gedicht niet voor. Resten ervan vinden we wel in het gedicht ‘Baas’ (p. 39 en in Gedichten, deel II, p. 544) en ‘in geval van nood’ is het eerste gedicht geworden (met die titel) en krijgt daar een geheel andere betekenis.

Advertenties