shakespeare in gent (2)

door johan_velter

Vóór de Minard staat nu een standbeeld van Romain Deconinck, een gedrocht van  Etienne Hublau, deze tijd onwaardig,

romain deconinck_etienne hublau

maar men doet nu alsof dit beeld Deconinck eert en dat daarmee een schuld is ingelost. Het plein voor de Minardschouwburg dat geen plein is, wordt tot het Romain Deconinck-plein herdoopt. Het boek, Romain 100 : 1915-1994, Snoeck, 2015,  behoort eveneens tot die schuldaflossing, ook al is het uitgegeven onder redactie van Rik Vandecaveye, een vroegere organisator in de Vooruit en de huidige directeur van de Minard (Gent is klein maar de wereld is nog kleiner). Freek Neirynck noemt in deze gelegenheidsuitgave Romain Deconinck de ‘Vlaamse Simenon’ (p. 99), ja waarom niet de Vlaamse Shakespeare? Wie een stuk van Deconinck heeft gelezen, heeft een bovenmenselijke krachttoer uitgehaald: belegen, achterhaald, vals, sentimenteel. Er is ook nog een website: elke pagina geeft dezelfde achterhaalde en onjuiste informatie. Wat een geklungel, alweer.

Romain Deconinck wordt als een socialist voorgesteld, vandaar ook de vele manifestaties, maar was dat helemaal niet. Hij stond voor een kleinburgerlijk, braaf, voorwaardelijk leven. Alles werd in een persoonlijke sfeer getrokken en op het einde van elk stuk komt men samen, men drinkt een pint, vertelt een mop en de wereld is een paradijs. Peis en vree. Deconinck was een façadeschrijver. Men zegt dat hij maatschappelijk betrokken was en een linkse visie had. Dit is onjuist: hij gebruikte maatschappelijke toestanden (wat nog iets anders is dan maatschappelijk inzicht of een socialistische visie hebben) om grapjes te kunnen maken én om een status quo te bepleiten. Blijf braaf, drink je pint en zwijg: de mens is machteloos. Of in het citistisch jargon: ‘draag je strop en smeer mosterd onder je neus: de Gentenaar heeft niets te zeggen’.

De personages van Romain Deconinck waren karikaturen. Zeg postbode en je ziet een rondborstige man van middelbare leeftijd, een snor, een grijze cape, een scheve pet en een rode neus. Zeg schoonmoeder en je ziet een rondborstige oudere vrouw, haar in permanent, een vooroorlogs bloemetjes kleed, halfhoge hakken, dikke kuiten en bazig. Een voorbeeld van een ‘actueel theaterstuk’? Nonkel Miele en tante Nitte weten nu nog van de hitte! Of een stuk uit 1971 Dolle minas of snoezepoezen? – waar de ‘moraal van het verhaal’ natuurlijk het tweede was. Men mag het niet zeggen maar zowel de speelstijl als de strekking van deze stukken was achterhaald en in het licht van een Verlichtingsdenken reactionair. Maar zo was het socialisme ook toen: patriarchaal, eten en onderwijl alles onder elkaar regelend, nietszeggend. Of nog een ander voorbeeld van vijgen na Pasen: Deconinck schreef een stuk, Circus te koop (1968), als ‘kritiek’ op het verdwijnen van het Gentse circus De Muynck … acht jaar na dat verdwijnen!

Bovenvermeld boek bevat twee hoofdbijdragen. Het eerste is geschreven door Björn Rzoska, een kritiekloos vertelsel, het tweede ‘Liefde en Waarheid (Hou ende trou)’ door Jaak Van Schoor. Beiden schrijven over het ‘verlies van de Minard’. Eerst Rzoska:

‘Het moet een koude douche geweest zijn toen hij in 1988 vernam dat de NV Minard geen nieuwe exploitatievergunning zou aanvragen. De beheerraad wilde de zaal overlaten. Voor Romain een ramp. Plots had hij geen bühne meer om zijn stukken te spelen. De Stad Gent kocht de zaal en plande een fundamentele restauratie. Het is hier niet de bedoeling de oude discussie definitief te beslechten. Dat is wegens de gevoeligheid van de hele zaak overigens onmogelijk. De Stad had redenen om te restaureren. Romain had evenveel redenen om erg aangeslagen te zijn.’ (p. 55)

Daarna Van Schoor:

‘[…]; de Beren waren in 1987 door Het Stadsbestuur ook al gedwongen om de Minard te verlaten wegens dringende renovatiewerken. Er was de belofte dat het allemaal niet lang zou duren. Maar er kwam geen vaart in en men kreeg de indruk dat het Stadsbestuur het volkstheater in de steek had gelaten. Een wijkzaal [sic] in Ledeberg [sic, Ledeberg was en is een zeer volkse deelgemeente, men zou zeggen : daar moet volkstheater gedijen] was natuurlijk niet te vergelijken met het vertrouwde nest van de Minard in het centrum van de stad. De belangstelling was navenant, de sfeer totaal anders en er viel weinig motivering te bespeuren.’ (p. 102-103)

Beiden houden zich aan de oppervlakte.

De teksten van Van Schoor en Rzoska overlappen elkaar, zeggen precies hetzelfde, of hetzelfde toch anders of spreken elkaar tegen – er is uiteraard geen redactie gebeurd. Een grappig detail. Van Schoor schrijft dat de repetities van 18.00 tot 1.00 uur duurden (p. 104) en Rzoska laat Suzy Van Herberghen  zeggen: ‘Hij was een Pietje just’, bevestigt Suzy, ‘alles moest lopen zoals hij het wilde. Repetities begonnen stipt om zeven uur en geen minuut later.’ (p. 45)

De tweede kwestie waar rond geschreven wordt, is de ‘opvolging’ van Romain Deconinck. Men spreekt dan van zijn erfenis, waardevol erfgoed enz., niet over cultuur echter. Frank Beke noemde een aantal namen waarvan enkel Luk De Bruyker met zijn ‘Pierke Pierlala’ enige aanspraak mag maken op de ‘eretitel’. Hij heeft, zoals men zegt, een stoute muil maar hij zalft ook. Hij lacht gemoedelijk met de politici die dan gemoedelijk met zichzelf lachen, alles is pr en er volgt na de voorstelling nog een druppel, en De Bruyker is weer even goede maatjes met de politici. Ook Arne Sierens is genoemd geweest maar hij heeft nooit de impact van Deconinck gehaald en hij opereert ook in een ander segment: cultuur tegenover amusement. Tevens staat zijn werkethiek in contrast met die van Deconinck. De huidige situatie is dat Deconinck het boegbeeld van het Gentse volkstheater genoemd wordt, maar wat is een boegbeeld waard als er geen volkstheater is?

Het allermerkwaardigste echter is dat in dit hele boek nergens de naam valt van het Gents Amusementstheater (met de ongelukkige afkorting GAT) van Eddy Daese. Hier werd wél maatschappelijk relevant volkstheater gespeeld, eveneens met amateurs, de structuur van het theater met een betaalde regisseur en vrijwilligers kwam overeen met die van Romain Deconinck en zijn ‘Beren’. Eddy Daese combineerde op een bijzonder gelukkige wijze ernst en luim, zijn humor was volks en intelligent. Er zijn ook hier speelmomenten geweest die ver boven het NTG-amateurisme stonden. Eddy Daese was bovendien een linkse theaterregisseur, die de emoties niet schuwde maar ze niet op een achterbakse wijze gebruikte, zoals dat men sentimenten gebeurt. Had het stadsbestuur het volkstheater ernstig genomen, dan had de Minard door het Gents Amusementstheater bespeeld moeten worden. Nu gebruikt men het volkstheater om zichzelf sympathiek te maken in de zekerheid dat meer dan de helft van de bevolking nooit een stuk van Deconinck gezien heeft. Alles is pr, men noemt dat communicatie, maar het is Newspeak.

Advertenties