shakespeare in gent (1)

door johan_velter

hugo claus_romain de coninck_1

Hugo Claus schreef Blindeman bewust in een soort Oostvlaams dialect. Hij maakte daarmee een vermenging mogelijk van orale en schriftelijke cultuur, een wendbaarheid in de taal die het idee ondersteunde: wat gezegd wordt, is het ene maar ook het andere. Geen enkel stuk van Claus is geschreven in een ‘hoognederlands’, steeds waren er zijn rafelige kanten, rare wendingen en zonden tegen de taal. Ook dat is een credo: onzuiverheid. Willem Frederik Hermans begreep dit niet. Taal was voor Claus een vervoersmiddel, slechts. De autonomie van de taal was niet aan hem besteed, de loutere walschapiaanse anekdote echter ook niet. Zijn standpunt was gemengd. Hij was een bastaard.

Veel stukken van Claus werden en worden dialectisch opgevoerd omdat men niet goed weet wat ermee gedaan kan worden: is dit volkstheater? Op zeker moment werden zijn stukken enkel nog door amateurgezelschappen gespeeld – ‘Claus was niet meer relevant’. Dit is nu wel iets anders geworden, maar eigenlijk is het nog geen eer door het NTGent gespeeld te worden – amateurs doen het soms inderdaad beter.

Er wordt gezegd dat Hugo Claus Georges Vermeersch, het hoofdpersonage van zijn stuk Vrijdag, geïnspireerd heeft op Romain Deconinck, de in Gent wereldberoemde toneelspeler, regisseur, zanger en acteur. In het boek Romain 100 : 1915-1994, Snoeck, 2015 (een geactualiseerde heruitgave), coörd. Rik Vandecaveye, Paule Verbruggen, Sofie Vrielynck, lezen we wat Romain Deconinck dacht bij het zien van het stuk en hoe hij toelating kreeg van Claus om Vrijdag in het Gents te spelen (geen bewerking moet enkel een vertaling?): ‘Toen kwam regisseur Marcel De Stoop – verbonden aan de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) – met het idee om Vrijdag van Hugo Claus op te voeren in de Minard. Nog voor De Stoop zijn plannen ontvouwde, was er al heel wat te doen geweest over Vrijdag en Romain. In verschillende interviews had Claus verklaard dat hij Romain voor ogen had gehad toen hij de figuur van Georges Vermeersch schiep. Claus was een trouwe bezoeker van de Minard, nog voor hij echt was doorgebroken als schrijver. […] De Stoop trok naar Amsterdam om toestemming te vragen aan Claus om Vrijdag in het Gents dialect te spelen, met Romain als Georges. Claus ging akkoord. Al eerder had Deconinck beweerd: “Ik ben zelfs overtuigd dat een Vrijdag in het Gents dialekt veel beter zou zijn dan wat het nu is. Ik heb het stuk in Kortrijk gezien. Er is geen mens in Kortrijk uit het milieu dat Claus voor zijn stuk heeft gekozen, die de taal spreekt waarin het opgevoerd is. Wat ontbrak was het dialekt.” Vrijdag in de Minard was een succes. […] Claus zelf was ook enthousiast, hoewel hij vond dat Romain [sic] nog te veel respect had getoond voor de Vermeersch zoals hij hem had geschreven. Was dat nu niet net wat Romain kenmerkte, respect voor de auteur, iets waarnaar hij zelf als schrijver en theatermaker op zoek was?’ (p. 50)

Bovenstaande tekst is geschreven door Björn Rzoska, de Groen-politicus die geen aanwinst is voor de politiek maar ook geen verlies voor de wetenschap. Zijn tekst staat bol van gemeenzaamheden, al te losse flodders en vooral gaapt er in zijn tekst, net zoals in het hele boek, een zwart gat van wat niet in Gent gezegd mag worden.

In bovenstaand citaat, zoals elders, wordt er over ‘Romain’ gesproken, zo spreekt men over zijn hond. In dit stuk wordt een belangrijke rol aan Marcel De Stoop gegeven, terwijl de vraag aan Hugo Claus via zijn vader gesteld is. In het verhaal van Rzoska is er geen plaats meer voor het telegram dat Claus gestuurd heeft: ‘Romain wel, NTG niet’ (zie p. 97, de bijdrage van Jaak Van Schoor))– Claus had na zijn vergeefse sollicitatie als directeur van het stadstheater, verboden dat zijn stukken nog in Gent zouden opgevoerd worden. Voor Romain Deconinck maakte hij een uitzondering – ook wel om het NTG te pesten. Er is blijkbaar (zie illustratie) een dubbele toestemming geweest: een handgeschreven toelating en een telegram. Het enthousiasme van Claus moet met een korrel zout genomen worden. We weten allemaal hoe vriendelijk hij was, maar ook hoe hij, (al dan niet) subtiel, toch zijn waarheid vastlegde. In het programmaboekje van Yvonne Delcour, de vrouw van Romain Deconinck en in het stuk Vrijdag ‘Jeanne’, schreef hij: ‘Met mijn uiterste dankbaarheid voor een Jeanne zonder weerga’. De laatste zin in het citaat van Rzoska is helemaal onjuist: Deconinck heeft menig stuk naar zijn eigen hand gezet. Dat het stuk in het Gentse dialect had moeten opgevoerd worden, is een interpretatie van Deconinck. In de tekst van Claus staat: ‘De actie speelt zich af in onze tijd te Marke, een gemeente in West-Vlaanderen’. Dat Claus een regelmatig bezoeker van Minard was, ‘nog voor hij echt was doorgebroken als schrijver’, is een nogal eigenaardige geschiedvertelling.

Rzoska heeft een heiligenleven willen schrijven – Romain Deconinck behoort in Gent tot het ideologisch pantheon en dus is geschiedvervalsing gewenst. Een buitenstaander beseft het misschien niet, maar iedereen die de geschiedenis heeft beleefd weet dat er in dat leven, de ‘perceptie’ en de ideologische accaparatie ervan twee ‘pijnpunten’ zijn: de kwaliteit van Deconinck’s theater en zijn opvolging, zijn erfenis. Over beide zaken zwijgt het boek – wat eigenaardig is: een mede-uitgever van dit boek is het Amsab, men zou een kritisch-wetenschappelijke houding verwachten, geen braaf-politieke gehoorzaamheid.

Het voorwoord van Termont: anekdotiek, ik, ik, ik. Steeds weer dat angstaanjagend citisme : ‘in mijn eigen stad, in het Gents’. Historisch onjuist is ‘internet, Youtube en ipods’ verbinden met de teloorgang van het volkstoneel, dat was al vóór internet op zijn retour en het verminderd theaterbezoek is ook niet daaraan te wijten. Hij schrijft (of laat schrijven): ‘Het volkstoneel deemsterde weg, tot enkele beleidsmakers, regisseurs, acteurs en liefhebbers vonden dat het zo niet langer kon. Waardevol erfgoed moest in stand worden gehouden, en dus kreeg het volkstoneel in de jaren 2000 een injectie van geld en goesting [sic], en werd de Minard opnieuw ‘the place to be’.’ (p. 7). Hoe dat gebeurd is, is nog steeds de vraag. Het theater van Deconinck bestond niet meer, de Scala wordt wel gesteund maar is een privé-initiatief  en wat beleidsmakers precies gedaan hebben, blijft onduidelijk. Het volkstoneel is in Gent zo dood als een pier en dat de Minard voor het volkstheater ‘the place  to be’ zou zijn door de injectie van het stadsbestuur is empirisch moeilijk hard te maken.

Frank Beke, de vorige burgemeester, zegt een thesis over Gentse volksletterkunde in de 20ste eeuw geschreven te hebben en over Deconinck: ‘Hij deed het allemaal uitmuntend.’ Hij meent dat het volkstheater wordt verdergezet door Luk De Bruyker, Bob De Moor, Jan De Raedt en Jean-Pierre Maeren.

Onder Frank Beke, SP.A, werd de Minard, de thuishaven van Romain Deconinck, gesloten. Op dat moment was het volkstheater al kwijnend: de humor van Deconinck was belegen, de kwaliteit was te laag, de rekwisieten al te amateuristisch, de stukken te anekdotisch en te sentimenteel. Romain Deconinck had geen publiek meer, zijn rol was uitgespeeld. Was er dan geen volk meer in Gent? Het publiek van Deconinck was niet hét volk (arbeiders, allochtonen, werklozen) maar een kleinburgerlijk publiek van ambtenaren, kleine middenstanders – die kijken nog altijd liever televisie.

Dit wil niet zeggen dat hij en ‘zijn beren’ geen rol gespeeld hebben, dat er geen goede stukken geweest zijn : het heeft te lang geduurd en zijn theater had geen functie meer. In de laatste jaren van Romain Deconinck was het nieuwe Vlaamse toneel opgestaan (Jan Decorte, De Mannen van de Dam, Het Trojaanse Paard, Blauwe Maandag Compagnie). Niet alleen het volkstheater maar ook de stadstheaters werden plots met een nieuwe generatie geconfronteerd. De jonge theaterregisseurs hadden naar Duitsland gekeken (Theater heute) , Heiner Müller, Rainer Werner Fassbinder, en brachten een vervreemdend theater – weg van het realisme (de stukken van Claus zijn overigens ten onrechte ook altijd binnen dat realistisch kader begrepen). In die tijd werd Gent een broeinest van vernieuwend theater waarbij vooral Arca een belangrijke rol gespeeld heeft maar ook de Vooruit bood niet alleen een podium maar werkruimte aan (Arne Sierens en Jan Leroy met De sluipende armoede). De Blauwe Maandag Compagnie had toen als zakelijk leider Stefaan De Ruyck (die nu naast directeur van Vooruit o.a. ook secretaris is van de Raad van Bestuur van de CVBA Waalse Krook, ook hij heeft een tijd op het kabinet van Anciaux gewerkt, tot 2007. In 2007 is hij directeur geworden van de Vooruit) en macht is imperialistisch, zoekt uitbreiding. Men wilde een verbintenis met de Stad Gent aangaan, BMC wilde een alternatief stadstheater worden. Maar de stad moest dan wel een theaterzaal voorzien, de Vooruit was toen immers nog een cultuurcentrum waar de zalen haast permanent bezet waren. Dat is de reden waarom Romain Deconinck uit de Minard moest: de zaal werd aan BMC gegeven. Gegeven de omstandigheden was dit een logische en verstandige beslissing: niet alleen was Romain Deconinck uitgespeeld, ook zijn publiek was verdwenen en BMC beloofde een vernieuwend theater te zijn die ook andere groepen zou aantrekken. Antwerpen was de galeriestad, Gent moest de theaterstad worden.

Men zei dat de Minard gerestaureerd moest worden – wat waar was. Wat niet waar was, was dat dit voor Romain Deconinck gebeurde. De Minard was en is een bonbonnière, niet erg geschikt voor hedendaags theater. Daarom werd achter het podium een platform ingepland waar men slechts via achteraftrappen kan binnen geraken maar dat is geen belemmering om die zaal als een permanente zaal te gebruiken. De bonbonnière werd volledig gerestaureerd en wordt nu nog nauwelijks gebruikt. Romain Deconinck voelde zich verraden door de Stad, wat een correct gevoel was. Maar de Stad werd ook verraden door BMC die achter de rug van de Stad besprekingen met Antwerpen had aangeknoopt.

Maar eens dat Romain Deconinck weggejaagd was, verhuisde BMC naar … Antwerpen: een stadsgreep – nu werd het Antwerps stadstheater overgenomen (1998). Dat men in Gent zwijgzaam is over deze historie is begrijpelijk: de een werd door de ander gebruikt en bedot. Het vertrek van BMC is voor Gent als theaterstad een zeer grote aderlating gebleken. Het lijkt onbegrijpelijk maar het is wel werkelijk: er is toen een elan gebroken en nooit meer hersteld. Dit hing samen met de vervlakking van de nieuwe theatertendensen, de verburgerlijking van de gezelschappen en hun gang naar geld en macht. Dit alles sloeg dan over op de gezelschappen zelf en wie terugkijkt moet met weemoed denken aan hoeveel talent verloren gegaan is.

Advertenties