hodzja nasreddin ! tijl uilenspiegel ! hodzja nasreddin ! tijl uilenspiegel !

door johan_velter

nasreddin_tijl

En dat men vergeet dat er in elke cultuur gelachen wordt, dat men elkaar bedriegt en helpt, dat men bidt en vloekt, dat men stilte koestert, op zoek gaat naar waardigheid, kennis en verdieping, dat er veel wrakhout is, dat er een massa is. En dat culturen dicht bij elkaar staan.

Nasreddin Hodja leefde in Turkije rond 1300 (ook andere landen claimen zijn rondtrekken), hij was een rondtrekkende islamitische geestelijke, vergelijk zijn leven met dat van de Europese vaganten. Over hem werden en worden allerlei anekdotes verteld. Hij is een held. Net zoals Tijl Uilenspiegel is hij niet te vatten en is hij niet alleen een personage in de orale cultuur maar is hij ook binnengedrongen in de geschreven literatuur. Tijl Uilenspiegel is niet de Tijl van Charles De Coster, ook al heeft deze met zijn La Légende d’Ulenspiegel (1867), een meesterwerk geschreven. De Tijl Uilenspiegel zoals die in de volksverhalen figureerde was een schelm, een boef, een dief, een bedrieger, een uitlacher – in Frankrijk is Charlie Hebdo zijn opvolger. Het is pas in de negentiende eeuw dat Tijl tot een verzetsheld is uitgegroeid. Tijl Uilenspiegel is de nar die vanuit behoefte (honger, dorst, verlangen, vrijheidszin) alles doet om ongebonden te kunnen overleven. Niets is hem te min en mensen van nu vinden zijn grappen niet grappig meer. Dikwijls is er een grove manier van lachen, bitter, bruut en buitenzinnig. Hij bedriegt ook lotgenoten: het is een onverbiddelijke waarheid : wie dom is, moet op zijn blaren zitten.

Nasreddin was eveneens een held maar hij was een ‘hodja’, een geestelijke. Zijn humor was verfijnder dan die van de volkse Uilenspiegel, intelligenter, meer woordspel en fijne nuance. Maar ook hij was vrijheidslievend en omdat hij een hodja was, is zijn kritiek op de geestelijkheid en de machthebbers die zich van de godsdienst meester gemaakt hebben, genadelozer. Maar net zoals Uilenspiegel tot de kern van ‘onze’ cultuur behoort, zo is ook Nasreddin een held van ‘hun’ cultuur. Over hem is nauwelijks iets in het Nederlands te verkrijgen – weer een bewijs dat de politiek correcten, de multiculturalisten anti-cultuur zijn. Wat een kansen liggen hier voor een politiek van openheid, voor het lachen met al die Abou Jahjahs, voor het lezen van een meesterwerk.

Maar cultuur – en dus kennis – bindt: wie de verhalen van Nasreddin leest, ziet hoe Tijl aan het werk is – en omgekeerd. Hoe beiden in sommige zaken ook verschillen, er zijn gelijkaardige trucs. Maar vooral zijn beide figuren belangrijk omdat ze in een gewelddadige cultuur – want het Westen is al even barbaars als het Oosten – het slimme woord verkiezen boven het gevecht. Hoe dwaas onze dwazen ook zijn, ze gebruiken geen geweld. Noch Nasreddin, noch Tijl verzeilt in een gevecht. Ze laten anderen vechten en lopen weg. Ze propageren ook het geweld niet, oorlog of vechten is nooit een oplossing. De vlucht als de mannelijke weg: het zijn de dwazen die zich op hun gezicht laten slaan – en zie, ook dat propageert zogenaamd links: laat de allochtonen maar boksen, zoals de boeren vroeger op hun hanen wedden. Maar Tijl en Nasreddin zijn geen lafaards: zij hebben gesproken, zij hebben hun intelligentie ingezet tégen de macht, de domheid en het geweld.

In 1958 gaf uitgeverij Pegasus de ‘roman’ Avonturen in Bochara : de avonturen van de rustverstoorder Hodzja Nasreddin van de Russische auteur Leonid Solowjow (1906-1962) uit (de vertaler was D. Teixeira de Mattos – ongetwijfeld zal Igor Cornelissen een smakelijk verhaal over hem kunnen opdienen). Net zoals Charles De Coster van Tijl Uilenspiegel het kloppende hart van Vlaanderen tégen de godsdienstwaanzin en de machtswellust gemaakt heeft, zo heeft Solowjow dit met Nasreddin gedaan. Maar ook deze Nasreddin behoort nu tot het volk, tot de moslimcultuur en toont eens te meer aan dat er in cultuur geen essentie is en dat de allochtonen niet tot de godsdienst veroordeeld zijn. In elke cultuur zijn er tendensen tot goddeloosheid, atheïsme en verstand. De woede is er omdat links de allochtonen naar de predikers gestuurd heeft, in plaats van zelf de problemen op te lossen door de seculiere staat te verstevigen. Links heeft echter de fundamenten van de vrijheid én de gelijkheid met haar lafheid aangetast.

Het boek van Solowjow is uitgegeven door Pegasus, een communistische uitgeverij, Solowjow was ook zelf een communist – hij is dus verbannen, tussen 1946 en 1954 heeft hij in de Goelag moeten doorbrengen. Het leven is cynisch: de bezinger van vrijheid werd van zijn vrijheid beroofd door hen die die vrijheid moesten garanderen en uitbreiden.

De Nasreddin van Solowjow is een ideologische figuur (maar vergelijken met de ‘volkse’ Nasreddin kunnen we niet) maar daarom niet getreurd. Wie een genoeglijke namiddag wil doorbrengen: hierbij een mogelijkheid. Solowjow laat zijn roman beginnen met Nasreddin die bij een haremschone slaapt maar haar ontvlucht. Tweemaal de vrijheid gevierd: de echtgenoot van de schoonheid, de landvoogd, bedrogen en de eunuch bedot; de minnares ontvlucht op zoek naar vrijheid en geneugten. Solowjow laat Nasreddin terugkeren naar Bochara, zijn geboortestad. Daar treft hij een bevolking aan die uitgeput is door de onderdrukking en de uitbuiting van de vette emir en zijn trawanten, vooral de tollenaar met zijn managersmoraal (likken naar boven en schoppen naar beneden) bij het naderen van de emir : ‘Hij deelde vrijgevig muilperen en schoppen uit, maar plots boog hij het hoofd tot in het stof en sidderde van onderdanigheid.’ (p. 74) . De familie van Nasreddin is gedood of verbannen of gevlucht, gedwongen door de machthebbers: wie de vrijheid van spreken viert, wordt materieel getroffen. Hodja Nasreddin is een mythische naam geworden: overal heeft hij de machthebbers bedot en het volk geleerd wat vrijheid is. Hij is als een Willem Tell die steelt van de rijken en de buit onder de armen verdeelt.

Het volk wacht op Nasreddin, het zucht maar zelf doet het weinig. Er zijn kleine verhaaltjes die uitmonden in een overwinning op de emir en diens uitzuiger. En ja, het is niet overdreven om in de cowboys een nazaat van de vrijheidslievenden te zien. De stripverhalen over Lucky Luke zouden zo kunnen eindigen: ‘Hij reed verder en verder, zonder om te zien, zonder spijt om wat hij achterliet, zonder angst voor wat hem wachtte.’ (p. 10).

Zoals Tijl trekt Nasreddin met zijn ezel door het land – de ezel berokkent hem last maar op de gepaste momenten is de ezel intelligenter dan de machtigen en de priesters. De emir is zeer vroom, hij bouwt moskeeën en laat die door het volk betalen; hij eert Allah maar slaat en besteelt de burgers – ach, eeuwige Erdogan, sultan-tiran. Terloops en niet-terloops krijgen de godgeleerden de volle laag. In het gebouw waar de ‘Oelema’s en Moedarissen’ ‘bewijzen’ dat ‘allen, die de Islam niet omhelsden, vernietigd moesten  worden tot in het zevende geslacht’ dan wordt dit de ‘plaats der verschrikking’ genoemd. Na één van zijn heldendaden krijgt Nasreddin een Koran, alhoewel hij ‘nooit overdreven veel eerbied voor de Koran gekoesterd’ heeft, aanvaardt hij het boek, steekt het bij zich voor als hij het gebruiken kan.

En bij Tijl Uilenspiegel lezen we in verhaal 27 (Tijl Uilenspiegel, Prisma-boeken 1847, 1979, vertaald door Arjaan van Nimwegen) ‘Hoe Uilenspiegel in Erfurt een ezel leerde lezen in een oud psalter’ – uiteraard ook hier een grap en een bedrog – maar wie wordt bedot? De geleerde professoren van de universiteit. Zij wilden Tijl immers op zijn woord nemen: Uilenspiegel had beweerd dat hij iedereen kon leren lezen en vermits ‘er veel ezels waren in Erfurt’, brachten ze hem een ezel. Uilenspiegel stak haver en klaver tussen de bladen van de psalter, de ezel sloeg met zijn snuit de bladen om en balkte i-a. Het bewijs was geleverd: ezels kunnen lezen, alhoewel er nog letters van het alfabet te leren waren. Nasreddin deed het anders. Hij bracht zijn ezel binnen in het theehuis, legde de Koran op de grond en verklaarde dat hij zijn ezel theologieles gaf. De waard repliceert : ‘Waar is het ooit vertoond dat muilezels in de godgeleerdheid studeren en de Koran van buiten leren? – Er zijn anders in Bochara heel wat van die ezels, antwoordde Hodzja Nasreddin.’ (p. 91). Waar bij Uilenspiegel de professoren de tegenspeler waren, daar is het bij Nasreddin de emir geweest die hem uitdaagde. En bij alle twee is de uitkomst hetzelfde: de weddenschap is op zo’n termijn gesteld dat een van de drie, Tijl/Nasreddin, de ezel of de uitdager gestorven zullen zijn. Maar ondertussen is het voorschot welgekomen. De slimste is weg. De ezels belachelijk gemaakt.

Een ander Nasreddin-verhaal dat aan een Tijl-anekdote herinnert. Nasreddin zit in een herberg te eten en plots is er tumult. Hij vraagt wat er scheelt. De waard wil geld van een bedelaar omdat deze zijn stuk brood boven een gebraad gehouden heeft waardoor de geur het brood doordrenkt heeft en dus dubbel zo lekker smaakt. Nasreddin bemoeit zich, maant de bedelaar dat dit geen pas geeft en vraagt of de bedelaar geld heeft. Dat is zo en Nasreddin laat het geld in zijn holle hand rinkelen, brengt die naar het oor van de waard en geeft het geld terug aan de bedelaar. De waard verontwaardigd ‘Maar ik heb mijn geld niet!’ – Nasreddin: ‘Hij heeft genoten van de geur van uw gebraad en gij van de klank van zijn geld!’ – of hoe vernuft en humor samengaan en beter zijn dan een vuistgevecht. In verhaal 75, ‘Hoe Uilenspiegel de waard met de klank van het geld betaalde’, hebben we een gelijkaardige, slimme zet. Uilenspiegel zit in een herberg te wachten op het eten, de waard is traag, Uilenspiegel windt zich op. De waard : ‘ Wie niet kan wachten, moet maar eten wat hij al heeft.’ Uilenspiegel gaat bij de haard zitten en eet zijn eigen stuk brood op. Als de waard wil opdienen, roept hij Uilenspiegel, die echter zegt dat hij al verzadigd is van de geuren en geen eten meer nodig heeft. De waard wil hem echter doen betalen voor het eten: bij het eten zitten, is hetzelfde als eten: betalen moet. ‘Uilenspiegel haalde een Keulse zilverpenning tevoorschijn en gooide die op de bank. ‘Heer waard, hoort u de klank wel?’ De waard zei: ‘Die klank hoor ik zeker wel!’. Uilenspiegel greep de penning snel en stak hem weer in zijn zak en zei: ‘Net zoveel als u hebt aan de klank van mijn penning, zoveel heeft mijn buik aan de reuk van het vlees.’

Moraal:

‘Maar Hodzja Nasreddin heeft zich nog nooit en nergens voor een heerser gebogen.’, schrijft Solowjow – en zou dat ook niet voor elk van ons moeten gelden?
In het voorwoord tot de eerste Nederlandstalige uitgave schreef Michiel Van Hoochstraten: ‘Tenslotte is het beter te luisteren en te lezen zodat men lacht en niet zondigt, dan dat men zondigt terwijl men weent en schreit.’
Laat ons lachen.

“Toevoeging:
Ter info – Nasroddin leeft nog steeds. Zo worden er vandaag moppen verteld, in Turkije, Syrië, Irak, Iran (in het Turks, Arabisch, Perzisch). Avondenlang absurd, woordspelig. Allemaal op rekening van Nasroddin Hodja.

***

Zijn naam betekent Overwinning (naSr, نَصْر) van het Geloof-in-het-Transcendente * (dîn, دین) – Argument (Hudjdja, حُجَّة).

* dîn is een Perzisch woord, uit het mazdeïsme: het is niet zozeer de godsdienst als geheel van rituelen, maar het geloof in de overleving als geest en/of hereniging met de geest, na de dood (dîn, van Oud-Perzisch/Avestisch daena, betekent ook ‘ziel’, ‘dubbelganger in de geestenwereld’, ‘bewaarengel’), geloof dat die overleving ook is — de Heilige Geest, zouden we kunnen zeggen, met een beetje trekken en duwen… (naSr en Hudjdja zijn Arabisch)

Absurde woordspelige humor als hét argument voor de overwinning van het geloof in de geest.

Hij is zo levend, dat de Turkse gemeenschap in Brussel een zeer fraai “realistisch” standbeeld van hem heeft laten maken en opgericht langs de Gallaitstraat in Schaarbeek. Als je Google Images kiest en dan het volgende invoert:bruxelles rue gallait nasreddin dan vind je een hele reeks foto’s van deze sympathieke sculptuur.

Hartelijk,

‘Michel [Leclerc]”

Advertenties