turlutut

door johan_velter

arno

De oude bard is moe geworden, er is wanhoop in zijn teksten geslopen, de tijd heeft hem getekend. Arno heeft nog steeds de onterechte reputatie van de ladderzatte zot die maar rondhangt en nu en dan iets op een podium gaat doen. In werkelijkheid is Arno altijd iemand geweest die zichzelf sterk in de hand gehouden heeft. Doordat hij een bepaald imago heeft opgebouwd, heeft hij ook dat verschrikkelijke mannenpubliek gekregen dat maar zuipt en rookt en met een dikke balg wauwelend de kop schudt als een zot geworden beer. Hij wordt dikwijls vergeleken met Serge Gainsbourg maar dat is te veel eer voor de Fransman – ik heb nooit begrepen wat diens grootheid wel zou kunnen zijn. Afgezien van de tatoeages, is Arno beter met Renaud te vergelijken – heb je diens laatste lied gehoord? – J’ai embrassé un flic – mijn god, als ook anarchisten al geen anarchist meer zijn.

Ook Arno heeft de wending genomen. Hij behoorde zogezegd tot het permissieve deel van de bevolking, seks, drugs en liedjes. Maar er zat al altijd een moraliserend burgermannetje in zijn te geweldig uitdijend lichaam. Het cliché van het gouden hart en de eeuwige jongen, enz. Alles menselijk, mannelijk en bij iedereen die wat gevoelens heeft. Maar dat moralisme was niet gedirigeerd vanaf een podium of een preekstoel. Arno heeft altijd tussen de mensen geleefd – maar ook op afstand. Hij bekeek de anderen en nam er zijn gedacht van. Ook van  zichzelf. Nooit heeft hij echter het nihilisme van punk of de zwartheid van New wave volledig aanvaard – eens hippie, altijd hippie.

De wanhoop van Arno is er omdat hij ziet hoe men ons de vrijheid ontneemt. Hij is wat sentimenteel, zijn hippiekant, och, we vergeven het hem, maar hij is duidelijk in zijn standpunten: hij gelooft dit bureaucratisch bestel niet. In het eerste liedje, ‘I’m just an old motherfucker’ op de cd Human incognito (2015) verdedigt hij een vrij leven, het bestaan als een veer: zich niet te moeten vastleggen. In ‘Please exist’ speelt hij op een mooie manier met het godsbestaan: ‘Please God / Please exist / Don’t you worry / I am an atheist / Change the world / In peace and green / Give humans / The age of sixteen.’ Het is alsof Bob Dylan in Brussel rondfladdert maar de tekst toont wel aan hoe de wereld geëvolueerd is: er is geen plaats meer voor atheïsten. Nu bidden zij voor vrede en rust, terwijl de gelovigen bidden om oorlog en vernietiging. Er is veel wanhoop nodig om als atheïst God te vragen te bestaan.

In de derde song, « Je veux vivre », dat merkwaardige gelijkenissen heeft met het ‘k Zou zo gere willen leven / In een wereld zonder haat / Zonder macht en zonder streven’ van Walter De Buck, schetst Arno een wereld waar elkeen de ander gerust laat en waar er geen tegenstellingen meer bestaan. « Je veux vivre dans un monde sans jalousie, sans amants / Et où les pessimistes sont contents / Je veux vivre dans un monde sans papiers […] ». Popmuziek is altijd romantisch. Weemoed doet pijn aan het hart. Maar het lied eindigt onverwachts met « Je veux vivre dans un monde où on ne doit pas chercher / Chercher la beauté, chercher la vérité. » Waar de zogenaamde linkse intellectuelen, de priester-dichters, de orakels en de valse profeten, de woorden waarheid en schoonheid niet meer uitspreken, dan moet het nadenkende volk het wel doen. Het denken heeft in de muziek een toevlucht gevonden.

Natuurlijk spreekt Arno ook over zijn falend lichaam, maar i.t.t. de priester-dichters, de orakels en de oorlogsstokers, doet hij dit op een humoristische, zelfrelativerende manier: ‘I’m not the man I was before / And I let her stove get cold / The brain is willing but the rest is not working / Don’t say it loud / The bone is on strike.’ Muziek als troost. De tweede strofe doet denken aan een sonnet van Shakespeare en  aan het gedicht van Auden ‘Stop all the clocks’: ‘She was my drug / I’ll like her stuff / She was my bed / My pill to sleep / She makes my world / At rest and complete.’

Dan zijn er natuurlijk ook nog wat liefdesliedjes. Ach, ‘gone and gone’. Maar er is ook de wijsheid van Epicurus en vertaald in het Arno-ees luidt dit: ‘And she said, never trouble trouble / Till trouble, till trouble troubles you.’

Maar Arno wordt nu wel zeker in het pantheon opgenomen omwille van het voorlaatste lied op deze cd,  « Une chanson absurde », tegen de orakels, de waarzeggers, de mystificateurs : « J’ai vu une mouche, qui louche / J’ai vu une moule, qui tousse / J’ai vu un serpent, qui bande sur un vélo / J’ai vu une vache, qui danse un tango // Je chante une chanson absurde, turlutut / Une chanson absurde de trois minutes // J’ai vu un  renard, qui fume un pétard / J’ai vu une mouette, avec des lunettes / J’ai vu un poisson, mouillé / J’ai vu une autre moule, en bonne santé // Je chante une chanson absurde, turlutut / Une chanson absurde de trois minutes // Mon chien, il paye pas les impôts / Mon chien, il mange pas les filets du maquereau / Mon chien, il mange gratuit / Mon chien, il s’en fout de la poésie // Je chante une chanson absurde, turlutut / Une chanson absurde de trois minutes ».

Advertisements