enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (9)

door johan_velter

hugo caus - thierry de cordier

De uitgave van Blindeman (1985) van Hugo Claus neemt, zoals het hoort, de premièregegevens van het stuk op. En dus staat er : ‘Blindeman werd voor het eerst opgevoerd op 2 maart 1985 door het Nederlands Toneel Gent, in de Koninklijke Schouwburg te Gent.’ En dan volgt de rolverdeling. Omer was Hugo Van den Berghe, de grote, Blanke Heirman speelde ook op de bühne zijn echtgenote. Chef zou gespeeld zijn door ‘Nolle Verzijp’ en ‘Rosten’ door Eddij Spruijt. Is dit om te lachen? Het moet uiteraard Nolle Versyp en Eddy Spruyt zijn. Ach, De Blunderende Bezige Bij. De nog steeds bezige blunderende bij. (Bij de regie wordt enkel de naam van Hugo Claus opgenomen, Jean-Pierre De Decker wordt niet vermeld.) Deze gegevens vervielen in de verzameleditie Toneel (De Bezige Bij, 1999).

Bladerend in contemporaine kritieken, is de situatie nog onduidelijker geworden. We hebben al gewezen op de grote verschillen tussen Blindeman (1985) en Toneel (deel 1, 1999) waarbij we weten dat de 2de versie een verminking van het eerste stuk is, op geen enkele manier een verbetering. De vraag is of dit nog een stuk van Claus is, of een bewerking door iemand anders. Was het Claus, dan heeft hij toch een slechte achternoen gehad.

Carlos Alleene (Het Volk, 2 maart 1985) had met Claus een interview, vóór de première. Het NTG en Claus wilden dat er een waas van geheimzinnigheid rond het stuk hing. Claus: ‘Het moraliseren van Seneca moet je niet te serieus zien. Het is een etiket dat er bovenop geplakt wordt. De vorm van zijn werk is gekunsteld, maniëristisch, zeker niet realistisch.’

Fred Six, toen samen met Pol Arias op Radio 2 de belangrijkste criticus – De Morgen, met Daan Bauwens, moest het ook toen al van simplisme hebben –  , had in De Standaard van 8 maart geen goed woord over voor Blindeman (hij spreekt overigens over ‘Blindeman anno 84’): ‘[…] de krachtige taalpoëzie van weleer laat hij nu verzanden tot Gentse karamelleverzen; en het hele gebeuren wordt vlak voor de deur gelokalizeerd. Dit betekent [sic] dat het orakel van nu een nonnetje is in St.-Baafs (weliswaar in haar heidens blootje), dat de vadermoord indertijd plaatsvond aan de Vierwegen in Zwijnaarde (daar zal nu wel de beruchte verkeerswissel liggen), dat het koor zich vlakbij de watersportbaan [sic] bevindt, enz. Al deze indikaties plaatsen de (zijn) mythe in een ander kader, maar [Hugo Claus heeft] vergeten in te grijpen.’ Of: ‘De bonte waaier van dialekten en wat goedkope allusies op plaatselijke toestanden […] een farce.’ Het gebruik van het dialect noemt Six ‘deze truuk is gauw bekeken’ – terwijl dit voor Claus essentieel was: het volk tegen de ideologie van de macht.

Maar iemand als Hendrik Carette was wel zeer lovend over dit stuk (De Nieuwe, 7 maart 1985), alhoewel hij meer naar Ille Geldhof gekeken heeft, dan goed voor hem was. En Rudy Vanschoonbeek schreef over ‘de Waterstofstraat, parachutespringen tijdens de legerdienst’ als een stuk ‘zó verrassend én geestig’ dat hij er nauwelijks iets over wil zeggen. Het stuk is ‘verfrissend en veelzijdig, rijk aan inlevingsmogelijkheden. Deze nieuwe Claus oogt aardig. Niet te missen.’ We herinneren ons ook het stuk van Roger Arteel in Knack dat ronduit negatief was – later heeft hij toegegeven dat hij fout was, dat hij het stuk op dat moment verkeerd heeft ingeschat.

In de VPRO-gids van 29 maart 1986 verscheen een verslag van Chris Kijne. Claus gaat bij Pieter Verhoeff diens bewerking zien. Ze zitten in de keuken, de televisie staat op de grond. Claus ziet wat men met zijn stuk heeft uitgehaald maar hij blijft vriendelijk – als men zijn reacties leest, moet men toch wel aan iets anders denken dan wat in dat artikel beschreven wordt. Het begin van het stuk is blijkbaar al anders: daar wordt gevochten om voedsel en water – bij Claus is er een Beckettiaanse stilstand. De gekte van Marie wordt begrepen als een toestand van waanzin die de anderen niet mogen bereiken en daarom speelt men een toneelstuk na (want ook dit behoort tot de metamorfose, een theater in een theater – in welk kwadraat zitten we al?). Het stuk van Verhoeff speelt zich af in een kelder, bij Claus is dit de ‘open lucht’. Lannoo wordt nu Lange genoemd. Claus gevraagd, antwoordt: ‘En omdat nadenken over de schuld van de mensen zelf te moeilijk is, verkiest men irrationele dingen de schuld te geven, zelfs eigen scheppingen als Goden. Men bouwt zich hocus-pocus-mannetjes. Zoals ook Oedipus door de Goden werd gestraft voor een zonde waarvan hij zichzelf niet bewust was, waar hij zelf niet bewust was, waar hij zelf niet voor verantwoordelijk was.’ De schuldvraag is een onnozele, individuele mensen zijn niet schuldig, er is geen zonde. Een belangrijke (en onjuiste) wijziging die Verhoeff doorvoert is de tweedeling tussen het ‘werkelijke’ en het spel dat gespeeld wordt: bij hem is er een dualiteit ontstaan, die er bij Claus niet was waardoor de ambivalentie en de ‘eeuwige waarheid’ van Claus teloorgaat. Nu wordt er enkel op een amateuristische manier een stukje gespeeld. Bij Claus was het oude Griekse spel een gelegenheid voor de ‘echte personen’ om zichzelf uit te vergroten, om in zichzelf te geloven en de gespeelde waarheid als een nieuwe werkelijkheid te zien en waardoor de toeschouwer zelf niet meer weet waar het theater begint en het echte leven is. Claus toont tot wat ideologie in staat is: een valse werkelijkheid creëren. Verhoeff heeft het démasqué onmogelijk gemaakt door er een realistisch spel van te maken.

Myriam Van Imschoot besprak in De Morgen van 1 oktober 1994 de Antwerpse versie, gespeeld in de KNS. En ze vindt het stuk minder dan een hoogvlieger – terwijl ze wel verwijst naar de NTG-versie van 1985. Ze schrijft: ‘Het Gentse dialekt is vervangen door het Aantwaarps, regionale plaatsaanduidingen zijn aangepast: de Watersportbaan wordt het Albertkanaal, Sint-Baafs de katedraal, Zwijnaarde Zwijndrecht, enzovoort.’ – in de Toneel-versie van 1999, is dit niet zo: daar worden de Gentse locaties wel aangehouden. Deze versie is dan niet de KNS-bewerking, maar welke dan? In haar artikel noemt ze nog een tekstwijziging. In Blindeman van 1985 wordt verwezen naar het toen roemruchte toneel van het NTG dat inderdaad nogal sociaalbewogen was, Cyriel Buysse en Duits theater, Kroetz!, en dus laat Claus Omer zeggen dat het niet waar is dat het daar altijd over blauw bloed ging maar ‘En ’t ging dikwijls over werkmensen en vakbondsleiders.’ (p. 23, ook in de Toneel-versie van 1999). Maar in de KNS-versie moet het ‘in de Bourla’ anders gegaan zijn : ‘En ’t ging dikwijls over immigranten, vreemdelingen.’ In Antwerpen werd de verwijzing naar de Gentse Minard, waar men wél kan lachen, door de Antwerpse Bourla vervangen – maar het effect ging verloren: het stuk werd in de Bourla gespeeld.

Lien Heyting schreef in NRC Handelsblad van 21 juni 1985 over Blindeman, de NTG-versie: ‘Voor Nederlanders was deze Vlaamse Oedipus nauwelijks te volgen: de acteurs spraken een onvervalst Gents dialect. De tekst zit vol verwijzingen naar Gentse straten, banketbakkers en andere plaatselijke aangelegenheden die de niet-Gentenaren natuurlijk ontgaan. Er bestaan dan ook plannen om deze voorstelling te veramsterdamsen, maar dat lijkt me toch overbodig: de poëtische, Vlaams-Nederlandse taal van Claus zou zonder Gentse tongval goed verstaanbaar zijn. Bovendien is de herkenbaarheid van de couleur-locale bij dit drama van ondergeschikt belang.’

Conclusie. Blindeman van 1985 is niet de Blindeman van de Toneel-verzamelbundel uit 1999. De Bezige Bij heeft dit toneelstuk niet in voorraad gehouden en dit betekent dus dat een meesterstuk niet beschikbaar is buiten het antiquariaat en een bibliotheek. De uitgeverij heeft bovendien een stuk onder die titel opgenomen in de verzamelbundel Toneel maar heeft niet de moeite genomen te vertellen welke versie dit is. De vandaag blunderende bij heeft een geschiedenis van blunders.

Beeld: Thierry de Cordier, Grand nada.

Advertenties