enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (8)

door johan_velter

Een metamorfose: een oud Grieks verhaal wordt christelijk door enkele personages ambivalent te maken en door de kernproblematiek te wijzigen; dit wordt in een andere tijd, beter: buiten de tijd, geplaatst om de mythes te laten ontmaskeren door de personages die bovendien geen helden zijn en slechts bij toeval doen wat ze moeten doen. Ziedaar Blindeman van Hugo Claus in een notendop. Hij rekent ook af met een aantal toenmalige mythen: de opstand van het proletariaat, de geneugten van het matriarchaat.

–          Het zijn de vrouwen die de offerdieren slachten; het is Marie (Maria) die twee maal het mes levert: de eerste keer voor het offer, de tweede keer voor de zelfmoord van Jokaste en de blindmaking van Oedipus.

–          Het is Jokaste die weet, haar zoon het bed inlokt en de daden zonder gevolg wil laten. Zoeteke, zwijg. Zo zegt ook Marie tegen haar nu dode Marianneke dat wat gebeurd is, gebeurd is.

–          De god van Claus is geen liefde, maar een klootzak – zo is Maria ook niet de goedertierenheid. Marie met haar Marianneke op schoot, is een piëta (p. 49: ‘Marie: Marianneke, hij is content, / diene wrede vent / omdat ge dood zat op mijne schoot.’ : een omkering van het Oedipuscomplex: de vader wil de zoon dood hebben.). Marie geeft het mes niet omdat ze buiten het spel staat maar wel buiten het leven: het christendom is een onnatuurlijke godsdienst: Marie doet niet mee met dat leven, de cinema volgens haar. Claus zet haar op het toneel alsof ze in een coma leeft, halfdood is.

–          Tegenover de wreedheid van de goden, het noodlot, wordt de rede van de mens gezet: hij lost het raadsel op (bij toeval), hij ontwart de voorspellingen (tegen zijn wil) en hij straft zichzelf (de dwaas want hij heeft Laius niet vermoord). Het is een schamele overwinning.

–          Als er geen schuld is, want schuld is verbonden met weten, dan vervalt de zonde van Oedipus – maar niet die van Jokaste.

–          Zoals de spelers zich transformeren door de kenmerken van de anderen over te nemen, zo doet ook Claus het met de visies/standpunten: tikkertje spelen met de blindeman. De chaos van de wereld krijgt vorm in een theatrale mal.

Het weten (we nemen de editie 1985):

P. 10. ‘Chef : Ge kunt nooit weten.’ : er moet gerantsoeneerd worden, een mens weet nooit hoe lang hij zal leven: het weten wordt gebruikt als machtsmiddel, een onderdrukking. Men moet voorzichtig leven, gematigd.

P. 10: ‘Tiete: Ja, wakker blijven is ook dat niet.’ De ziener die de slaap van het denken verlangt.

P. 13: ‘Tiete: Au, au, mijn eksterogen. ’t Gaat regenen.’: de waarzegger. En op p. 18-19: ‘Tiete: Mijn eksterogen, dedju, dedju. – Omer: Zeg, gaat ge zagen? Zaag ik over mijn maag? – Tiete: Een mens mag toch raisonneren.’ : het neerhalen van de waarzeggersgaven, van de priesterbeweringen: er is geen grond voor die beweringen, dat ‘denken’, tenzij het eigen eksteroog.
Elk denkt op zijn eigen manier. Franske bijvoorbeeld, die de hele tijd wil wedden: deze kennis is op niets gebaseerd maar hij is zeker van zijn stuk, (p. 11, p. 18). Hij bluft, hij snoeft maar wat heeft dit voor betekenis: het heden kan niets bewijzen, de bewijzen liggen steeds in de toekomst. Franske is de herder maar ook de verteller, het koor, het volk. Wedden : overal geld uitslaan.

P. 25. Lannoo suggereert dat hij koningin zou kunnen spelen: is dit een kennen, een weten hoe het moet? Nee, hij zoekt een travestie, zijn ‘wezen’ wil hij tonen.

P. 29: ‘Rosten: Uw vader vermoorden. Is dat al? / Dat en is geen mysterie.’ – een Gezelliaanse wending om Freud te zien als de derde vernietiger van de Westerse ratio: Marx en Darwin zijn de twee andere (p. 44: Omer tegen ‘God’: ‘gij die mee de natuurwet en de historie / de mensen verbouwereert’ – natuurwet is Darwin; historie is Marx.) Claus duidt hier op een cliché-denken, wat van Sigmund Freud overgebleven is.

P. 31: ‘Chef: Eh … ge kunt nooit weten.’ Op de vraag van Franske waarom de Rosten dan door zijn verrekijker moet loeren: de toekomst is onzeker, de Chef is bang en toch hoopvol. Een kleinburgerlijk manneke dat zichzelf opblaast. Managementkritiek. En dus gebruikt hij zijn angst om het weten te monopoliseren en om het niet-weten van de anderen als hun bron van angst te vullen.

P. 32: Omer vermoedt al dat hij schuld heeft maar ‘als ’t door mij zou zijn / zou ik niet weten waarom, / wat heb ik gedaan?’ – een mens kan toch het orakel niet ontvluchten, zoals ook de tuinman ondervonden heeft. Ach, men speelt de onschuld, men weet niet wat men gedaan heeft? De geestelijke zelfverblinding.

P. 38: Het raadsel geraden door een vlucht, ‘het koor’ heeft getrukeerd en zegt ook al direct, dubbelzining: ‘Ikke, zegt hij, ’t is juist. / Ikke, zegt hij, en hij wil zeggen: de mens!’ – Omer: ‘die onnozele grolle, die stomme lolle’. Men moet toegeven: het raadsel van de sfinx is ook niet zo diepzinnig.

P. 40: ‘Franske [over Omer]: ‘ Nooit van zijn leven, hij is te stom want hij wil niet weten. Wedden? – Omer: Goed en kwaad slapen in een bedde. – Katte : Is ’t nu aan mijne toer? – Lannoo: D’r is hier geen rol voor een hoer.’ Weten – de boom van goed en kwaad – de zonde (die altijd seksueel is)  – de hoer die door de Kerk (want Lannoo is een pedofiel, O Claus die Tiresias is en zijn bisschoppen kent) verstoten wordt en in feite het leven dat uit het leven gestoten wordt. Omer verdedigt zich op een postmodernistische manier door zowel goed als kwaad te relativeren. Maar het volk verwijt de macht niet te willen weten. De rol van Katte hier is veelzeggend: ze is de warme verleiding die rechttoe rechtaan is; de verleiding van Jokaste een valse. Nu het over goed en kwaad gaat, wil Katte opkomen.

P. 41: Tegen Omer: ‘Katte: Da ’k van u was, ‘k zou ’t liever niet willen weten.’ Katte wil Omer voor de waarheid behoeden: het weten is niet altijd gewenst: beter is het niet te weten en verder te leven. Katte zorgt voor Omer, die veroveren wil: een clichématig man-vrouwbeeld.

P. 54: Chef, nadat hij de dode koning gesproken heeft en dus bevestigd gekregen heeft dat Oedipus de schuldige is: ‘Wij zouden beter nietsmendalle weten.’ – het niet-weten als de paradijselijke toestand – maar omdat het door Chef is uitgesproken: een onnozele toestand. Ook hier weer wordt het weten met verantwoordelijkheid verbonden – het is het persoonlijke teken van Claus: » Wir haben es nicht gewuβt «.

P. 54: Omer repliceert, hij is de nieuwe tijd: ‘Alles liever dan nie weten. / Wij moeten genezen!’ – Chef:: ‘Als de genezinge zo verschrikkelijk is / is ’t beter dat de mens ziek blijft.’ : dit lijkt Lucretius, maar is het niet: Omer weet immers nog niet wat hem te wachten staat. Kennis is een verschrikking, brengt geen soelaas. Van het niet-weten naar het weten is de overgang van de gelukzalige toestand naar de kernramp die door dat weten veroorzaakt is. Het denken is verworden tot een instrumentele rede die vernietigt en de eigen waarden in de plaats van de algemeen-menselijke stelt.

P. 55-56: Chef beschrijft zijn hellegang: ‘[…], de wortels / van hun karkassen lieten de more los, / […] en de naam die ik had gezeid [Laius] / wrong zijn eigen uit de more,’. More is Gents voor slijk, modder, moeras. Het is het vuil van de straat. De more staat voor de klei waaruit God de mens geschapen heeft. Maar more is niet dat wat leven brengt maar is dode en dodende materie: het is de grond van de hel. Ook hier hebben we een omkering: God is niet goed, hij heeft het kwaad bewust in de wereld gebracht ‘om ons te kloten’. Op p. 59 spreekt Lannoo van de buik (van de moeder), op p. 57 stelt hij de vrouw gelijk aan het vuil (een persiflage op het Westers vrouwideaal) ‘uw hoere, uw moere’, ‘moere’ voor moeder herhaalt ‘more’ en ‘moeras’. Op p. 59 vraagt Omer Chef: ‘Zijt gij ’t die mij in de more wilt sleuren,’ : more is altijd het kwaad.

P. 64: Rosten noemt Omer/Oedipus een ‘hoerejong’ – zo wordt de band die Claus op het einde van het spel legt tussen Katte en Omer voorbereid (al eerder was Katte een hoerejong genoemd) en omdat ‘hoere’ en ‘more’ dicht bij elkaar liggen, weten we nu dat ook Omer een troebele grond heeft.

P. 65: (en eerder en later) Omer niest. Claus toont hier een volkswijsheid – of volksgezegde, een bijgeloof, zoals dat andere: ‘het is bewaarheid’ – het vocht van de kwispel, het wijwater van de priester.

P. 66: ‘Omer: Vrouwe, ik weet wie. – Yolande: Wie wat?’ : Omer wil weten, de vrouw wil het hem beletten. Ze wil haar eigen schuld verdoezelen en verder leven als een gelukzalige onnozele gans.

P. 67: Yolande wil dat erover gezwegen wordt, ‘kijk naar mij, ik heb allang mijn verdriet verteerd. […] Laat de doden zwart zand eten, / ge moet vergeten. – Omer: Maar gij hebt hem nooit vergeten. – Yolande: Neen ik.’ Het niet-weten, het vergeten werkt niet: het opnemen van haar zoon in haar schoot, is een wraak op de vader – dit vermindert niet haar schuld, integendeel: ook Jokaste heeft haar zoon gebruikt – zoals de anderen elk een ander gebruiken. De mens is de mens een wolf: het wereldbeeld van Claus is gitzwart. Het ‘zwart zand’ is een synoniem voor more.

P. 73: Omer over zijn echte moeder: ‘Omdat ik heur gaarne zie / mag ik heur nie zien. / Surtout nu niet. / Zij is alleen. Ik ook. / We zouden tegare schremen. / Ik mag nie mee heure alleen zijn.’ Jokaste over zichzelf en Laius: ‘Hij wilde geen kinders, natuurlijk / maar de dingen zijn lijk dat ze zijn, ik was alleen / en hij was allene en dat kindje kwam er toch.’ (p. 68): de parallellie : beide relaties zijn onnatuurlijk (want Laius was homoseksueel). De mens is alleen en dan doet hij dwaze dingen – vergeet dat maar van Claus en het luchtige spel.

Yolande tegen de herder: ‘Zwijg!’ (p. 75)

P. 77: ‘Yolande: Ventje, laat het zo. – Omer: Nee. Ik wil weten.’ ‘Ventje’, de verleidster. Als een palimpsest ligt onder alle vrouwenfiguren het Eva-model.

P. 77: ‘Lannoo: (zacht) Zij willen weten, weten.’ En het is Vorten die de schaapherder Phorbas speelt, die zal zeggen: ’t Was een vorte cadeau.’ (p. 79) en met zijn gedrag toont hij hoe hij zelf een ‘vortzak’ is.

P. 81: Omer bevestigt het zwarte wereldbeeld in zijn klaagzang nadat hij alles gehoord heeft en nu weet – dit weten is tevens een aanvaarding van hoe de wereld is (veel dichter bij Seneca kan iemand niet komen) : ‘Aarde met uw zwart bloed, / verbrande aarde, het is goed / Dat ge vermassakreerd zijt en kapot, / g’ hebt wonden, moeder aarde, wel doe / die zwarte grotten en groeven van u open, / splijt en slikt en slokt mij op, / mij, de vorte vruchte / da ’k zinke in uw zwart vruchtwater / da ’k verdrinke, moeder, / in de more van uw baarmoeder.’ Hier worden ‘vort’ en ‘more’ met elkaar verbonden; de baarmoeder bevat more en de schuld wordt dus bij de vrouw gelegd – in zoverre de natuur schuld kan hebben. Omer/Oedipus vraagt dat de natuur hem zal opnemen: hij is immers ‘vort’ en kan terugkeren in de ‘more’ van de baarmoeder/hel. Het ‘wezen’ van de vrouw wordt uitgebreid naar het ‘wezen’ van de natuur. Maar toch neemt Oedipus een schuld op zich – het fatum belet niet dat er een mannelijke verantwoordelijkheid is. Hij vraagt de ‘mensen’ hem te doden, te verbranden, te splijten – maar hij zal het zelf moeten doen, het volk bougeert niet. Het volk weet, maar zegt het niet. En Claus doet ‘revolutionair’: (p. 84): ‘Franske : ’t Is ’t enigste plezier dat we hebben, koningen kloten.’ – maar er is niets revolutionairs aan, ze kloten ook elkaar. Omer / Oedipus spreekt tot de aarde, moeder aarde, waarmee we terug in de vruchtbaarheidsmythologie beland zijn – herinner u dat de Oedipussage ook het verhaal is van de jaargod die door de nieuwe overwonnen wordt en een huwelijk aangaat met de aarde – de aarde blijft steeds dezelfde, de jaargod sterft en wordt geboren. De Oedipusmythe is dus geen onnatuurlijk gebeuren.

Dan geeft Marie Omer een mes (p. 85). Maria is in de katholieke theologie de ‘verbetering’, de revanche van Eva, de oermoeder. Hugo Claus, en Vlaanderen was en is een Mariazotte parochie, keert dit om: Maria kan hier misschien wel de ‘heidense’ gebruiken willen doden maar wat we zien is: een hand die een mes aan een andere hand reikt. Het mes staat voor oorlog, geweld en verraad. Maria is geen liefde. Want wat Marie doodt, is het leven zelf. Het mes staat voor de appel. Het weten is de verboden boom van goed en kwaad.

P. 86: ‘Omer: […] Peinzen. Peinzen. / Hersens, zenuwen, klieren, bloedvaten, / helpt mij peinzen aan een plage. / Vindt een weg in diene nest in mijn hoofd, / vindt iets dat maar éne keer / maar trage lijk een zieke slekke / een oneindig lange trage peste van een dood kan zijn / die ik rekke en trainere door mijn dagen, / dat ik sterve en blijve voelen dat ik sterve.’ Het denken moet nu gebruikt worden om zich te verminken, om een gepaste straf te vinden – maar in de visie van Claus is er géén schuld: ook het hoofdpersonage misdraagt zich door zich toch niet aan de natuur te onderwerpen. Er is geen rechtlijnigheid.

P. 91. ‘Yolande: Het was uw schuld niet. Nooit. / ’t Was ’t mijne. / Ik wist hoe laat dat ’t was, gij niet. / Ik kende ’t kwaad, gij niet.’ Yolande neemt de rol van Eva op.

P. 91. Het oog is de kennis: ‘Yolande: Hoe kon ik het niet weten, niet kennen? / Gij stond voor mij, diene eersten dag / en ge had mijn ogen, mijne mond, gespogen, / en hoe kon ik uw kapotte voeten niet zien / voor mij op de grond.’ Het zien, is kennis maar Jokaste doet niets met die kennis: ze doet alsof er geen weten is – en daardoor ontstaan de rampen.

P. 92: ‘Yolande: God, zend mij nen bliksem / dat ik d’r niet meer ben, / geen vrouwe meer, geen moeder, geen more.’. Geen grond, geen natuur, geen rol (metafysica, natuurfilosofie, cultuur).

Marie geeft haar een mes, Jokaste stoot in haar kruis en sterft, p. 93. Claus schrijft letterlijk ‘(stoot het mes in haar kruis)’ : dit is geen pudeur van de schrijver. De mens moet het kruis in zijn eigen lijf vernietigen: de zonde – er is geen zonde; de schuld – er is geen schuld. Claus celebreert Pan.

Omer, p. 94, gaat volledig in zijn rol op: het spel is nu zijn waarheid geworden, hij neemt de schuld op zich, de schuld van het spel. ‘Ik ben weg en mijn schande gaat mee mij mee. / Voor ulder is er nog … hoop / (zij gieren van het lachen) / […] – Franske: Hij gelooft het nog ook.’ Hier schetst Claus – alweer – de discrepantie tussen het weten van de macht en de kennis van het volk, dit laatste het ongeloof.

P. 95: Omer niest, bewaarheidt hier echter niet, integendeel. Als hij denkt dat hij de Watersportbaan ziet, verliest hij zijn evenwicht en valt: de zelfbegoocheling doet hem ‘blind’ worden (het opstuivend zwart stof).

P. 98: De slotwoorden: ‘Marie: ’t Was op Paaszondag. Ik weet het nog heel goed. Want ’s morgens had ik nog eitjes geleid in onzen hof.’ Het weten is nutteloos. De daden krachteloos . De betekenis zinloos. We horen Donatien de Sade. De wereld is onverschillig.

Advertenties