enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (7)

door johan_velter

In Blindeman van Hugo Claus wordt er nogal wat geredeneerd – elk op zijn eigen manier. Men redeneert, men denkt en het is het denken, het verstand dat de mens verblindt, hij bedriegt zichzelf. Maar – omdat Claus een moralist is – is dat voor hem niet de juiste manier om het verstand te gebruiken, hoe dan wel is een vraag die niet door de auteur beantwoord wordt, dat is ook niet zijn taak. Wat hij ons wel toont, is het oneigenlijke gebruik van dat verstand. Toch is er iets waarover we zekerheid hebben: voor Hugo Claus bestaat de cultuur uit kennis, weten van wat vroeger gedaan is – we lezen boeken om boeken te lezen. Er moet bagage zijn en er moet op een creatieve manier met die kennis omgegaan worden. Er wordt gevarieerd, er wordt getricheerd, er wordt verbogen. Dit is intelligentie: het oude meenemen om het in het nieuwe te veranderen. In het stuk Blindeman doet hij dit op meesterlijke wijze: hij verandert zijn eigen werk, dat van de zovele voorgangers én van de bron van de Westerse cultuur. Hij speelt en maakt de cultuur licht, zijn verwijzingen zijn spirituele Spielereien. Claus is natuurlijk een ongelovige rationalist, één die buiten de lijnen staat. Claus hoorde thuis in een Parijs salon, niet in een Antwerpse tearoom.

In dit stuk, dat een theater in een theater is, bouwt hij ook nog een klein toneelstukje in dat verwijst naar Paul Van Ostayen’s Hinderickx en Winderickx – maar dat ook nog iets meer betekent – maar wat?, buiten de persiflage van een bepaald kleinburgerlijk verachtelijk Gents milieu, buiten dat typisch Vlaams gebruik dat in andere culturen vlucht en lafheid heet, want er wordt een stukje gespeeld om de gruwel van Yolande/Jokaste niet te moeten beseffen: ‘Franske: (in geaffecteerd Nederlands, als een oude dame tot Vorten) Het wordt frisjes nietwaar, mevrouw Boeckaert. – Vorten (doet dit na) Als in een koelkast, mevrouw Snoeckaert. – Franske: (schenkt in) Nog een kopje thee met uw roomtaart, mevrouw Boeckaert? – Vorten (doet alsof hij drinkt) O, héérlijk, mevrouw Snoeckaert. –  Franske: Verrukkelijk, nietwaar? – Vorten: Buitensporig! – Franske: Ik had u graag van de voortreffelijke / chocolade-eieren van Van Dierendonck uit / de Burgstraat geoffreerd, maar ik haal ze / niet in huis (streelt Tiete) vanwege mijn / dochter haar diabetes.’ Hier lacht Claus met het soort steriel theaternederlands dat hij vervangen wil zien door een levende, vuile, onvolmaakte taal. (Franske streelt Tiete omdat hij suikerziekte heeft – het spreken over paaseieren, en dan nog van Van Dierendonck!, moet hem een kwelling zijn. Het is schoon als het volk zich tegen de priesters verzet.)

Bij Claus gaat het om de vraag wat we willen weten om op een juiste manier te handelen en in zijn beste momenten schreef hij dit neer in een esthetische vorm. Claus herhaalt de vragen van Kant: wat weten we, hoe moeten we handelen en wat is schoonheid.

Het grote thema van Hugo Claus, dat als een brandend ijzer in zijn oeuvre spookt, is dat van het weten en niet-weten en daaruit volgend de onzekerheid van hoe zich te gedragen. Hoeveel keer vraagt een hoofdpersonage zich niet af hoe anderen het doen en hoe hij zich ‘misdraagt’, niet als een misdadiger maar als een sociaal onhandige. Men zou dit biografisch kunnen duiden: de autodidact die in een hem vreemde wereld terechtkomt, die steeds weer geleerd moet worden (wat te lezen, wat te eten, wat te bouwen, wat te doen met het geld, hoe zich te kleden, …) en daardoor in voortdurende onzekerheid moet leven. De ironie, de afstand is niet een superieure houding maar eerder een afwachtende, een houding die het zekere voor het onzekere houdt. Dit is de sociale kennis: hoe in een groep te overleven?

Daarmee samenhangend is zijn visie op het volk dat geen kracht bezit. Het kraait maar het is machteloos, het jankt maar het zijn valse noten, het handelt maar het doet alsof. Claus is géén linkse schrijver – zo iemand moet minstens, naast enige affiniteit, ook een zekere sympathie voor dat volk hebben, een geloof dat het iets kan verwezenlijken. Claus zwelgt in dat volk maar als een schimmel: hij is onder de zijnen een vreemde, een aantaster. Claus kan dus ook geen nationalist zijn. Maar is hij dan niet rechts? Hij is een rechts-linkse anarchist: hij wantrouwt de macht, zoals hij het volk mistrouwt. Laten we spelen. Het volk denkt niet, tast wel aan: het lacht met de macht, maar het heeft geen creatieve kracht. Claus schreef in een tijd waarin ‘het proletariaat’ (dat toen al niet meer bestond) de toekomst ging vormgeven.

Claus is geen filosoof die uitlegt hoe het denken verloopt en zou moeten verlopen. Hij is geen denker maar een doener, iemand die door het doen tot inzichten komt en die op een plastische, niet op een theoretische, manier toont en toepast. Zonder intelligentie is er geen creativiteit mogelijk. Dit is de creatieve kennis. In Blindeman toont hij ons de zondeval, de verdrijving uit het paradijs.

Oedipus wordt ten onrechte nog steeds gezien als een psycho-analytisch stuk: het is een van oorsprong Grieks stuk én dus doet het een beroep op de morele intelligentie en de intellectuele moraal – helaas 2 capaciteiten, grondgebieden die in de kosmos verdwenen lijken te zijn. Het stuk gaat over vrije wil, fatum, verantwoordelijkheid (ondanks het fatum – wat we ook niet meer begrijpen is dat zwart niet zwart en wit niet wit is: we hebben – ondanks een grotere morele gevoeligheid – toch ook een versimpeld wereldbeeld). Bovendien gaat het niet over psychologie maar over het handelen: wat hebben we gedaan en hoe kunnen we dit opheffen. Uiteindelijk is het de vraag: hoe te leven? Dit is de praktische kennis. De vrouw is daarbij essentieel – in de Westerse cultuur wordt zij gezien als de oorsprong van het leven. Als er gesproken wordt over de vrouw dan begrijpt de lezer steeds dat het over dé mens gaat: de vrouw is de moeder van iedereen.

Hugo Claus ontmythologiseert door zich van de mythe meester te maken. Hij vernietigt dus niet, hij maakt nieuw : hij opent mogelijkheden naar het weten. Oedipus staat symbool voor het niet-weten. Bij Claus is dat het niet willen weten. In de mythe heeft hij zijn vader vermoord. Bij Claus heeft hij zijn vader niet vermoord, het volk heeft dat gedaan – maar het volk liegt en is te laf om verantwoordelijkheid op te nemen voor de koningsmoord en schuift de moord in de schoenen van Oedipus – daarmee is het volk voor alles verantwoordelijk, dus ook voor de pest. Maar hier hebben we dan de onmogelijkheid: als de pest ontstaan is omdat de schuldige voor de moord niet bestraft is, hoe moet dit dan gebeuren als het volk de schuldige is? Moet het volk afgeschaft worden – en krijgt Brecht dan gelijk – in een omgekeerde politieke situatie? Claus ontmythologiseert daarmee het goede volk, zoals links ook de goede wilde, de goede Arabier, de goede moordenaar aanbeden heeft. Claus ontmythologiseert ook de werking van de literatuur: bij hem is er geen catharsis, er is een vlakke lijn die doorloopt en toevallig eindigt. Er is geen ‘winst’, geen ‘inzicht’. Er is een hoogte, er is een neervallen. Op een andere manier heeft hij het Beckettiaans universum gestalte gegeven, niet de schaarsheid van middelen, wel de veelheid heeft hij aangewend. Beckett is te begrijpen, Claus ontsnapt steeds weer omdat de vorm (het middel) en de inhoud (het leven) niet volledig met elkaar overeenstemmen: nu en dan zijn er aanrakingspunten, het is daar dat de lezer een waarheid vindt.. Epistemologisch, sociologisch en eschatologisch staat Claus met zijn  oeuvre buiten de tijd en de maatschappij.

Op een zeer inventieve manier illustreert hij dit met de personages die gebaseerd zijn op de antieke personages van Seneca. Maar wie een 1 op 1-relatie zoekt, mag lang zoeken. Bij Claus gaan de kenmerken van het ene type over op de andere spelers, zoals de pestbacillen van de ene persoon naar de andere gaan. Elk is aangetast maar elk valt niet volledig samen met het ‘cliché’. Zoals Claus met Blindeman een metamorfose schreef op andere stukken,  zo gebeurt het ook in het stuk zelf: varianten, wijzen. De status van de verwijzingen is bij Claus een moeilijke zaak – en ook niet eenduidig. Ofwel zijn de verwijzingen zinvol en hebben ze dus een betekenis, ofwel zijn ze contingent (het basiskenmerk van het spel) en hebben ze geen inhoud. In het tweede geval is Claus te verbinden met Gaddis. Wanneer we niet alles begrijpen, verwijzen we naar deze 2de betekenis.

Hugo Claus spreekt over kennis en weten in een  morele context : het gaat over een levenshouding. Hij minacht hen die kennis misbruiken maar evenzeer zij die zich laten bedotten. Het kennisprobleem kan verbonden worden met de maatschappelijke ordening: niet wat iedereen denkt, is juist, wel het onverwachte. Dit is de individuele kennis. Katte in Blindeman staat buiten de maatschappelijke ordening maar het is in haar dat Omer/Oedipus een zielsverwante herkent. Het stuk speelt zowel met de Griekse als met de christelijke mythologie. Op een ingenieuze manier worden beide verhalen door elkaar geweven, de schuldvraag (maar beter is het te spreken van de kennisvraag) van Oedipus wordt de geloofsvraag van het christendom om uit te monden in een atheïstisch scepticisme. We zouden (nee, we zullen, ooit – als men ons eindelijk gerust laat) een speurtocht kunnen houden naar het thema ‘Hugo Claus en de filosofen’ – men zou (nee, men zal) verrast zijn van de vele verwijzingen en dan zal men ook zien dat met de ‘breuk’ in zijn oeuvre ook de filosofen verschijnen. Laten we de passages zoeken die met het weten verbonden kunnen worden.

Advertisements