enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (6)

door johan_velter

les mamelles de tiresias

Als Omer, in Blindeman van Hugo Claus, Katte (die Manto/Maria Magdalena is) zegt dat haar mond een grondsmaak heeft, dan zegt hij dat zij is zoals hij: Omer betekent immers ‘more’, het Gentse woord voor slijk. Als op het einde van het stuk Tiete (en Paul Claes wees me er op dat Tiete uiteraard ook verwijst naar Les mamelles de Tirésias (1917) van Apollinaire) zegt ‘Dat ik nen hond had, ’t zou ne Doberman [sic] moeten zijn. Dát is een trouwe beeste.’ (1985, p. 97) dan verwijst hij naar de bloedhonden, rabidos canes,  van Seneca, maar in een Gentse, volkse versie. Een tijd die geen helden meer (ver)draagt. Tegelijkertijd is deze verwijzing een omkering: de bloedhonden van Seneca, de Cerberus, de hellehond van de Oudheid en het beest dat Oedipus in het stuk van Claus aanroept, zijn monsters die de mens verscheuren: de mens de prooi, het dier de jager. Wat een omgekeerde wereld is. Een goede schrijver zou deze omkering in zijn werk binnengesmokkeld hebben. Maar Claus is een betere schrijver en dus keert hij die omkering om: een Dobermann is een hond die de mens trouw is, alhoewel hij geen slaafse hond is, toch kent hij in de mens zijn meester. (Ook daarom is het werk van Claus interessant: het is wild, niet eenduidig, het speelt een spel. De personages hoeven bij hem dan ook niet logisch uitgebouwd of consistent te zijn. Het zijn artefacten, artificiële wezens, poppen, marionetten, ballen. Dit geldt ook voor Claus als schrijvermens: de studax, de society figuur.) En zo is elk woord bij Claus een betekenis op zichzelf, niets staat er zo maar. (Want ook Omer/Oedipus wordt door Rosten ‘hoerejong’ genoemd (p. 64).)

Blindeman is gebouwd op Oedipus, het stuk van Claus uit 1971 en dat stuk was gebouwd op de Oedipus van Seneca via Engelse vertalingen van Ted Hughes en E.F. Watling. Beide vertalingen heb ik niet onder ogen gehad. Maar, om Claus’ toverkunst te duiden, wil ik wel een voorbeeld geven van hoe hij Seneca gebruikt, volgt, verkort en dan op een volkse manier rekt en plastisch maakt, hoe hij in Blindeman dus de wijdlopigheid en plasticiteit van Seneca weer opraapt – hij heeft Beckett overwonnen, geen stilte meer maar geraas.

Claus, Oedipus (1971): ‘Jokaste: Je bent koning. / Een koning vat het ongeluk met vaste hand. / Hoe onzekerder de staat / hoe klemmender het kwaad, / des te sterker moet je sterkte zijn. / God aanroepen, God de schuld geven / en vluchten, dat doet een koning niet, / dat doet geen man.’

Seneca, Œdipe, vertaling Maurice Mignon, (Tragédies I, Garnier, s.d., v. 82-86)) « Que te sert-il, mon époux, d’aggraver tes maux par tes plaintes? Je tiens pour le propre même d’un roi de faire face à l’adversité; plus l’état est chancelant, plus le poids d’autorité tombe et s’affaisse, plus il doit courageusement se tenir de pied ferme. Il n’est pas viril de tourner le dos à la destinée. »

Claus, Blindeman (p. 34-35): ‘Yolande : Ventje. – Omer : Ja, mijn koningin. – Yolande: Ik hoorde u zo roepen en razen / en blazen. – Omer: Prinses, ’t is van de stress. – Yolande: Ja maar, zijt ge nu knecht of koning / of iets daartussen? / Een Koning mag laweit maken / maar niet tegen de mussen. / Dat we ongelukkig zijn, dat weten w’allange, Excellentie, / maar de differentie / is dat de Koning niet lijk ’t gemeen volk / zit te nukken, / maar zijn eigen meester / maakt van d’ongelukken. / Hoe meer miserie in ’t land / hoe sterker dat ge uw eigen in d’hand / moet houden. / Daar zitten vloeken / en God de schuld geven / van wat g’in uw eigen moet zoeken, / dat doet ne Koning niet, / en een beetje een vent op zijn plaats ook niet. – Omer: Wilt ge zeggen dat ‘k gene vent ben? / Rappeleert u niks meer? – Yolande: Wat moet ik mij rappeleren? / Dat gij u in ons bedde koste weren? / Dat was gisteren, / ‘t is over vandage dat we raisonneren.’

Net zoals Katte, begrijpt Omer de ‘abstracte’ woorden niet en brengt hij ze terug naar een aardse werkelijkheid van vel en verlangen. Ook dit laatste behoort tot de ideologie van het stuk : de heldendaden worden gereduceerd tot beddenstreken. Het is een typisch volks verweer om de tegenstander te reduceren tot een niet bijster denderend werkend geslachtsorgaan (zie Trump en zijn kleine piemel of de droge pruim). Het is plat, het is vulgair, het is onredelijk en onrechtvaardig. Het is effectief: het snoert de mond. Claus doet dit in Blindeman ook bij Katte, die een hoerejong genoemd wordt (p. 11) maar zij ontkent dit (en door het zo te ontkennen, bevestigt ze het): ‘Meneer, mijn moeder was een caissière.’ Claus laat haar een ‘metafoor’ letterlijk begrijpen en een caissière in warenhuizen had geen goede naam (‘Viva bomma de mokken van de Priba’ – waarbij mokke als slet begrepen moet worden). Of hoe Lannoo, die Laius is/speelt, naar de jonge voetballers van de Gantoise gaat kijken (p. 18) – Laius die door Jokaste van pedofilie beschuldigd zal worden – en hoe hij dus niet te betrouwen is.

Maar ook op filosofisch vlak benadert Claus in dit stuk Seneca weer meer. Blindeman is het verhaal van het bedrog: de bedrieger wordt zelf bedrogen. En het volk bedriegt zichzelf, daar heeft het niemand anders voor nodig. Seneca staat voor het zelfleidend principe. De mens moet zichzelf meester zijn, zich niet laten leiden, noch door de emoties (‘Chef: Omer heeft gelijk. Wij laten ons teveel [sic] gaan in ons miserie. Wij moeten ons, eh, vermannen, niet zo lamenteren. Dat we, ge kunt nooit weten, gereed zijn, in forme, moest het, ge kunt nooit weten, veranderen …’ (p. 21) – Chef verwijst hier naar de levensmoraal: op elk moment van het leven moet een mens op een goede manier kunnen sterven, de christenen hebben dit verwoord als vrij van zonde te zijn: altijd klaar voor de hemelpoort), noch door de anderen (zie boven de woorden van Yolande: ‘lijk ’t gemeen volk’). Elk moet zijn eigen weg gaan – ook dat is de moraal van Hugo Claus: laat de ander gerust. De rede moet gebruikt worden om zelf te denken.

Maar is Claus dan plots een rationalist geworden, nadat hij hier al eerder een moralist genoemd is?

Advertenties