george en julia zitten op een bank voor het stadhuis van gent (7)

door johan_velter

waalse krook hamburger

George: Kom, Juliake, laat mij jouw Romeootje zijn. Pak mijn arm en we zetten ons hier op de bank voor het stadhuis van Gent.
Julia: O, gij ondeugende vlegel. Het is hier voor het stadhuis altijd het warmste plekje van Gent, hé.
George: Ja, met al die bussen van De Lijn, dat kan niet missen. Al die uitlaatgassen, al die motoren. Kijk, de muren van het stadhuis zijn alweer zwart van al die vuiligheid.
Julia: ’t Is waar, en het wordt altijd maar erger en het gaat nog erger worden. De schepen van De Lijn en andermans stilstand heeft gezegd dat er geen auto’s meer mogen rijden, dat iedereen met de bus moet gaan en dat daardoor de auto’s beter doorgang zullen hebben.
George: Dus de enen moeten met de bus opdat de anderen met de auto zouden kunnen rijden. Die heeft ook logica bij Fernand Vandamme gevolgd zeker?
Julia: Zwijg, George. Het is hier ook zo warm omdat Termont vandaag een keer op het stadhuis is, hij straalt zo fel, hij geeft zo veel gloed af en het is allemaal echte, diep-menselijke warmte. En die energie die hij uitstraalt en al die actie: dat geeft warmte af hé en Gent verdient dat.
George: Wat ik niet versta. Op alle foto’s zit Saint-Daniël, ofwel op een stoel, in een zetel of op een fiets. Soms staat hij ook recht maar op geen enkele foto heb ik hem al in een auto gezien. En nochtans heeft hij van het schepencollege de meeste kilometers met de auto afgelegd.
Julia: Maar versta jij dat niet? Termont die gaat met alle groten van de wereld gaan klappen hé, uitleg geven en hij zegt hen hoe dat zij dat moeten doen. Hij wordt gegeerd hé, iedereen is jaloers op Gent. Het gaat slecht en toch gaat het goed.
George: Ja, ze hebben een goede communicatie: wat krom is, wordt recht getrokken. Maar Kant zei dat dat niet waar is.
Julia: Maar kijk, Georges, daar. D’er loopt daar zo’n schone gast met zo’n schone baard in krulletjes. Dat is toch een grote verbetering hé, een echte vooruitgang: mannen met baarden in een permanent. Maar (ik mijmer even), zo’n echte moustache gelijk Emile Verhaeren, dat bestaat niet meer. Tenandere, dichters gelijk Verhaeren, dat vindt ge ook niet meer. En zo’n goeie vent voor zijn vrouw.
George: Maar een Martha gelijk hij had, vind je ook niet meer, hé Julia.
(George voelt een vervaarlijke wind opsteken, legt zijn hand op Julia’s arm.)
George: Eens Juliet, altijd Julia, Julia.
Julia: Ik wrijf over mijn hart. Maar kijk, oei, hij valt, hij is over iets gestruikeld.
George: Ai, het zal dat nieuw beeld van Michaël Borremans zijn zeker dat iets boven de kasseien uitsteekt.
Julia: Maar Georges, wat zeg je nu. Het is een beeldhouwwerk dat groter zal zijn dan de postzegel die hij op dat grijs beton geschilderd heeft. Zeg, dat was een lol hé. Die mens die die vuile vegen van Borremans heeft afgekuist. Die moet hij er als straf nu zelf weer op schilderen, die van Ivago geef ik volgend jaar 10 euro in plaats van 5. Ze zeggen dat het wel 3 meter hoog zal zijn, dat beeldhouwwerk. 3 meter! Weet je wat dat is? Dat is twee keer Saint-Daniël, dat zal nog al een uitstraling geven!
George: En ook zo veel warmte?
Julia, kortaf: George, ik wil wel Martha spelen, maar je moet ook meewerken hé.
George: Ik weet niet, Julia. 3 meter tussen al die grote gebouwen, het wit van de apothekeres en het zwart van het crematorium, op een plein waar de alcoholisten bivakkeren en de fietsers crossen. Zal dat niet in het niet verzinken?
Julia: Maar heb toch eens vertrouwen in de mensen die ons besturen, George. À propos, weet je dat de nationalistisch-socialistische schepen nu een propagandacampagne voor haar begonnen is en dat heet ‘Kunst op straat’.
George: Niet moeilijk, ’t is street art. Ik zou dat ook niet binnen willen hebben.
Julia: Gij verstaat dat niet, George, gij leest veel te veel boeken. Dat zijn allemaal grote geesten hé, die ons besturen, die zich opofferen en alles voor ons doen. Weet je niet meer wat Saint-Daniël in De Standaard Weekblad vorige maand gezegd heeft? ‘Ik heb mijn hele leven alles voor Gent en zijn burgers gegeven, maar niet voor wie me echt nabij is.’
George: Maar Julia, dat is gelijk Cyriel Verschaeve, AVV, VVK.
Julia: Ja, de paus heeft dat ook gelezen – allé, in vertaling hé. Maar dat kan niet missen, ze vragen overal het gedacht van Termont. En het schijnt, het schijnt hé, dat de paus direct alle zalig- en heiligverklaringen heeft stopgezet. Dat valt allemaal in het niet, bij iemand gelijk Saint-Daniël. Ja, ze gaan hem heilig verklaren, eerst zalig, dan heilig en als toppunt: al bij zijn leven hé. Niemand heeft hem dat voorgedaan. Ge ziet, da’s Gent. En Gent verdient dat.
George: Maar moeten er dan geen wonderen zijn?
Julia: Mirakels! Maar George, in Gent! bij de vleet! Er rijdt iemand tegen een auto, belandt in de gracht en hij komt eruit en er staan twee nieuwe auto’s. Is dat geen mirakel?
George: Dat zijn de verzekeringen, Julia. Een mirakel is gelijk Lazarus die uit zijn graf op staat en weer levend wordt.
Julia: Maar Geoke, dat is niet meer van deze tijd. Daarvoor hebben we de ziekenkas. Jezus heeft dat ook niet belangeloos gedaan hé. Hij ging elke week bij Lazarus gaan eten, en nu dat hij dood was, kon hij nergens meer gaan om bij diens zusters de pezewever te gaan spelen. Lazarus moest dat maar kunnen verdragen – en dan nog niet dood mogen blijven ook.
Georges: Ja, ’t is waar. ’t Is toch beter een zegelke van de Bond Moyson te plakken. Maar ik heb nu nog geen wonder voor Saint-Daniël.
Julia: De domheden van gisteren die vandaag een wijsheid zijn. Is dat geen mirakel?
Georges: Jaaa! Julia! Dat is gelijk water dat in wijn veranderd is. Voilà, Franciscus kan aan zijn overuren beginnen.
Julia: Je sprak daar van dat crematorium. Ik stond daar te kijken in de Leie, of is het de Schelde?, naar de dode vissen en er passeerden toeristen. C’est quoi ça?, vroegen ze mij. En ik zei hen dat dat een bibliothèque was. Quoi, ça? zeiden ze. Mais oui, zei ik, zien jullie dat niet? Het heeft de vorm van een boek, un livre. Quoi, ça? zeiden ze. Avec un clep? Dat is geen boek, dat is een klak, zeiden ze. Mais non, zei ik, mais oui, zei ik, c’est un e-book, un e-livre!

George en Julia gooien van het lachen hun benen in de lucht, vallen achterover, hun mond wijdopen happend naar lucht, komen terug met hun voeten op de grond.

Julia: Als we al niet een keer zouden mogen lachen, hé. Zeg George, heb je je boek dan gevonden in de bibliotheek?
George: Och, zwijg Julia.
Julia: Zo zijn we niet getrouwd hé, George.
George: Wij zijn niet getrouwd, Julia.
Julia: Gelijk, Geotje, gelijk dat ’t echt is. Allé vertel.
George: Ik ging naar de boekerij met het gedacht de tentoonstelling te bekijken van de Waalse Krook.
Julia: George! Pas op! De Waalse Krook bestaat niet meer, het is nu ‘De Krook’ geworden, een multidiscipelekapitaleinternationalemediavideoplek.
George: Ah ja? Wel, ik kom daar binnen, ik zie daar allemaal grote, grijze foto’s hangen van de nieuwe bibliotheek. Enfin, allemaal grijze muren, met mensen ervoor die boeken lezen. Enfin, doen alsof, ’t is Gent hé, want die kunnen niet gemakkelijk lezen. Ofwel zitten ze op de grond, ofwel leunen ze tegen een muur maar allemaal in een ongemakkelijke houding. Het is gelijk bij iemand thuis die het gezellig wil maken maar zijn gasten geen stoel geeft. ’t Is allemaal sfeer. Grijze sfeer. Bewolkt en mistig, met kans op neerslag in het centrum van het land.
Julia: Ja, maar zou jij op de zetels van de bibliotheek willen zitten?
George: Maar er staat niks, Julia: geen stoel, geen zetel, geen rek. Niets aan de muren, niets op de grond, alleen maar grijze lucht.
Julia: Maar dat komt, George, dat komt. En zal de bibliotheek groot zijn?
George: Maar dat weet ik niet! Er waren enkel foto’s van de muren te zien, net alsof er geen architectuurfotografen in Gent bestaan. Ze hadden er ene gehuurd die gewoon is van taartjes, lolly’s en paraplu’s te fotograferen. Van de bibliotheek zag je niets. En op 1 van die foto’s stond er een vrouwmens en een kind, en alle twee toonden ze hun achterste aan het publiek. Zijn dat nu manieren? Kijk, ik heb een foto getrokken van de brochure die ze gemaakt hebben.

de waalse krookmuur

Julia: Ja, ’t is uitnodigend. Misschien doen ze gelijk de Vlaamse schilders en willen ze een spreekwoord illustreren? Met je kop tegen de muur lopen? De muren oplopen? Of ze hebben voor de goedkoopte misschien de Berlijnse muur laten overkomen. De toeristen gaan komen kijken, de Waalse Krookmuur is een nieuwe wereldwijde unieke performante attractie voor Gent, een landmark. Maar je hebt dan toch de maquette kunnen zien?
George: Maar Julia, Julia toch. Er was geen maquette. Ik vroeg er naar. Maar ze was besteld maar niet gekomen.
Julia: Maar je hebt dan toch je boek gevonden?
George; Maar Julia, Julia toch, welnee. Ik kijk in die catalogus, veertien dagen na Pasen zeggen ze nog dat ze op Paasmaandag gesloten zijn.
Julia: Maar dat is al voor volgend jaar, George, dat ze het niet vergeten. En het is een unieke (lees)ervaring.
George: Ga je lachen, ja Julia? Wel, ik zoek in die catalogus of ze de biografie van Peter Schat nu al besteld hebben of al hebben. Ik vind daar veel: Peter en de wolf, Schatteneiland, maar Julia, mijn schat niet.
Julia: Ik zit hier, George.
George: Ik zoek dan op Bas Van Putten de biograaf maar ook daar vind ik veel putten maar geen gevulde. Ik ga naar de balie. En vriendelijk dat die meneer was, echt een van de goeie stempel. En hij legde uit dat er nu twee systemen zijn: een transparant systeem en een donker systeem. Helaas, zei hij, zoek jij in het donker systeem en vind je dus niets. Maar, zegt hij, ik zoek in een derde systeem zodat het gemakkelijk is en efficiënt bovendien voor u en mij om te weten of iets bestaat, of iets besteld is en of iets aangekomen is. Hij zei dan nog zo iets tussen zijn tanden en hij zweeg. Er passeerde toen iemand, precies een hoge pief. Het was een leutigaard. Hij zong dat liedje van Monty Python, Always look at the bright side of life. Hij had een boek van Aristophanes onder zijn arm.
Julia: Wolken of Wespen?
George: Kikvorsen.
Julia: Dan is het daar de Muppet Show.
George: En ze zeiden zo iets van een CRM-systeem waardoor alles toch niet zo goed werkte als dat ze beloofd hadden. Het was een slecht systeem zeiden ze alle twee maar het moest en wat moest moest want moest moest.

Julia springt op, gooit haar armen in de lucht, maakt een buiteling naar voren, maakt een buiteling naar achteren, springt weer op haar voeten, gooit het linkerbeen naar links, gooit ook het rechterbeen naar links, zwaait haar armen in het rond, gooit haar hoofd achterover, springt weer op haar handen, komt achterwaarts op haar voeten te staan, schudt met haar bovenlijf, dan met haar achterste, slaat met haar vuisten op de grond, springt weer op. Trekt haar vel aan.

George: Ça va?
Julia: Ça va.
George: Wat wilde je zeggen?
Julia: Wat ik al 30 jaar zeg, George. Een computerprogramma is slecht als de analyse slecht en de programmering op verkeerde gronden gebeurd is. Als je een goede analyse van de problemen, van het werkproces maakt en een goede programmeur hebt, kan er niets mislopen. Goed doordacht voordien, levert een goed programma op. Maar je moet het kunnen hé: analytisch denken is niet iedereen gegeven en rekening houden met de gewone dagdagelijkse feiten ook niet. CRM is een wereldwijd systeem, waarom zou dat in Gent niet goed gaan?
George: Misschien een omgekeerd mirakel?
Julia: Maar nee, George, met een beetje verstand is alles mogelijk. En je moet ook willen hé. Al die tijd die verloren is en pas op, ze gaan het niet toegeven hé dat het niet juist is. Ze zullen zeggen dat de mensen van kwade wil zijn en dat ze het niet begrijpen en niet flexidebiel zijn en dat het allemaal zal verbeteren als de apen zullen leren leren.
George: Enfin, ik heb geen boek. En ik vroeg toen aan een madame, maar die was niet vriendelijk, zo’n triestig gezicht, je werd er depressief van, een echt heilig Thérèseke, wat ik nu moest doen. Wachten, zei ze, wachten gelijk dat wij ook wachten op onze zandloper. En ze keek kwaad naar mij, precies alsof ik de ongeduldigaard was die niet kon wachten op de gaven van de here god. En hopen, dacht ik, dat Tita tovenaar toch nog zal komen, zeker. Wij doen ons best, boek per boek, cd per cd, zei ze me donker aankijkend en kloppend op haar computer.
Julia: Oei, George, ga de volgende keer maar gemaskerd naar de bibliotheek. Maar … het is misschien daardoor dat die maquette er niet was? Ze zullen die steentje per steentje hebben moeten bestellen. En daarbovenop met hun zakmachientje de korting zelf moeten berekenen. Dat is niet gemakkelijk werken hé. Men zou beter een muur bestellen. Vanuit China, of Portugal. De Portugezen werken daar toch al goedkoop. En nu?
George: Nu? En hoe noem jij dat nu, Julia?
Julia: Ik heb een boek gelezen waarin er stond, wacht ik heb het opgeschreven voor het geval de terroristen ook hier komen, we zijn allemaal Charlie hé: ‘Een samenleving die het kan opbrengen om over zichzelf te lachen, is wel ver gevorderd in beschaving.’
George: Het is dus humor, Julia.
Julia: Humor, George, het is humor. Niet lachen is gemakkelijker.

Advertenties