enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (3)

door johan_velter

Blindeman van Hugo Claus werd in 1985 uitgegeven, in 1999 opgenomen in het eerste deel van Toneel (De Bezige Bij, 1999) en daar werd het stuk verkeerdelijk gedateerd als geschreven in 1971. Maar als we beide teksten met elkaar vergelijken dan hebben we twee ‘verschillende’ stukken. Is dit een bewerking van Claus door Claus? Of is dit de bewerking van Pieter Verhoeff voor de VPRO? – nee, want het gaat in de gedrukte versie-1999 nog over Belgische franken, niet over guldens, zie gisteren. Of is dit de KNS-bewerking door Claus zelf of iemand anders, ‘versie 1994’ dan waarover Johan Reyniers sprak (nl. van de KNS-opvoering)? In het boek wordt er geen melding gemaakt van een mogelijke uitgave die gebaseerd is op de Antwerpse KNS-opvoering en ik heb ook nergens anders een vermelding van een mogelijke editie gevonden. In de blauwe, vierdelige Toneel-editie van De Bezige Bij werd de NTG-versie opgenomen, dus de 1985 uitgave van De Bezige Bij, de KNS-versie was toen nog niet geschreven/opgevoerd.

Laten we steekproeven nemen en vergelijken – omdat wij geen eeuwige tijd hebben, nemen we beide stukken niet regel voor regel door.

Claus heeft wel degelijk ook in de 1999-editie laten opnemen dat de acteurs Gents of een Oost-Vlaams dialect moeten spreken, geen sprake van een Antwerps dialect. Spreken van een Antwerpse versie is dan ook onzinnig – maar het is wel gebeurd en daarom noemen we deze versie zo.

Versie 1985, p. 9. ‘Chef : Gaat ge chicaneren? Ge zoudt in de lucht moeten springen van contentement. Dat er nog eten is da nie besmet is! En ’t zijn dan nog van de beste conserven, van de fijnste, de dierste die ze aan diene genre piloten geven. Wat peinst ge dat ze aan diene genre piloten bedorven eten geven?’ wordt in versie 1999, p. 622:

‘Gaat ge chicaneren? Ge zoudt in de lucht moeten springen van contentement. Dat er nog eten is dat niet besmet is! En ’t zijn dan nog van de beste conserven, van de fijnste, de duurste die ze aan genre piloten geven. Wat peinst ge dat ze aan piloten bedorven eten geven?’

Is de tweede versie voor Antwerpenaars te begrijpen en de eerste niet? Is dit een schoonmaak van taal? ‘Diene’ kan hier een Gentse dialectvorm van ‘die’ zijn en is als dusdanig opgenomen in het lemma ‘die’ in het Gents woordenboek door Lodewijk Lievevrouw-Coopman (Briers, 1974). De wijzigingen die hier in de tekst zijn doorgevoerd, zijn als toneelmanuscript onbelangrijk – elke theatertekst wordt naar de mond van de acteur gezet, tussenwoorden worden toegevoegd of weggelaten – en ook voor een gedrukte tekst is dit weinig relevant. ‘Genre piloten’ is niet een goedbekkende uitdrukking.

Op dezelfde bladzijde: 1985: ‘Schijten lijk de kiekens.’ In 1999: ‘Schijten lijk een kieken.’ Wat is de winst?

1985, p. 14: ‘Yolande: Zaag niet.’ wordt in 1999: ‘Niet zeuren!’ : is dit een brabantisering of een hollandisering? De eerste quote is direct, kortaf en duidelijk; de tweede is wat een juffrouw tegen een kindje zegt. Op p. 71 zal het nog schrijnender worden: ‘Mens, gij zijt een peerdezage. We mogen toch ne keer lachen, zeker?’ wordt ‘Mens, gij kunt zeuren! We mogen toch eens lachen?’ (p. 657). ‘Echt Gents’ is echter ‘pirdezaag’ of ‘pirdezage’. Wat een verlies is ook ‘konteverkeerd’ (73) naar ‘verkeerd’ (659), waar ‘konte’ ‘contra’ in zich heeft maar ook letterlijk zo is (zoals we van de schilderijen van o.a. Bosch weten): wezens die hun kont op de plaats van hun hoofd hebben. Of Omer die Franske repliceert: ‘O, gij karnemelkzeiker, / ik ben een aangenomen kind zeker!’ (74) wordt verarmd tot ‘Ik ben een aangenomen kind zeker!’ (659). En ‘bougeren’ dat ‘verroeren’ wordt, ‘knoesels’ die ‘enkels’ worden, ‘slijnkaard’ (onhandige) dat geschrapt wordt (p. 75/76 – p. 660).

En wat moeten we denken van de volgende verandering. Het gaat over het tijdstip waarop de vader van Oedipus/Omer gestorven is: ‘Rond te zevenen.’ (1985, p. 72); ‘Rond te negenen.’ (1999, p. 658). (Terwijl het ‘Rond te drieën’ was.)

1985, p. 15: ‘Lannoo : Vort lijk ne mispel en daar nog mee bezig zijn. Vrouwen.’ wordt in 1999, p. 625: ‘Rot als een mispel en dáár nog mee bezig zijn. Vrouwen.’ Vort wordt rot en vrouwen blijven vrouwen. Maar hier is er een complicatie. Bij Claus is Phorbas getransformeerd tot  de (bij-) naam ‘Vorten’ en zo treedt hij ook bij naam op in het stuk, in beide stukken. Niet wordt hij in 1999 ‘Rotten’ (oh Johnny). De ‘vertaling’ verliest dus en heeft ook hier weinig relevantie. (En waarschijnlijk is ‘mispel’ in beide versies minder door het publiek begrepen dan ‘vort/rot’.)

1985, p. 19: ‘En die arme dutsen die in de Sint Baafskerk zaten te lezen.’ wordt in 1999 (p. 627) ‘En die arme dutsen die in de Sint Baafskerk zaten te bidden.’ – lezen als bidden is toch algemeen Nederlands? – of een woord als ‘koste’ (1985, 23) wordt ‘kon’ (1999, 629). Dit alles duidt toch eerder op een vernederlandsing dan dienstig voor een Antwerpse opvoering. Maar zelfs woorden die een zware dialectklank en betekenis hebben, kunnen in een toneelcontext perfect begrepen worden: 1985, p. 30: ‘Omer: Gulder! – Chef: Wulder?’ wordt in 1999 (p. 633): ‘Omer: Gij! – Chef: Wij?’: dit is de overgang van een werkmansbroek naar een gesteven col. Maar nogmaals : dit is niet de essentie van het stuk – wat Herman De Coninck en Johan Reyniers ook mogen beweren.

De 1999-versie laat Omer op p. 634 zeggen: ‘Ik wilde zeggen dat ‘k aan de andere kant dank dat ik misschien niet mag sterven en verrijzen’. ‘Dank’ is uiteraard een verkeerde vertaling van ‘peinze’ (1985, p. 31). En zou men in Antwerpen niet kunnen ‘peinzen’? Hetzelfde geldt voor de verwisseling van ‘petje’ met ‘klakke’: in de 1999-editie wordt op een bekakte manier gezegd: ‘Ik heb er mijn petje vol van.’ (p. 635)  voor het welsprekende ‘Ik heb er mijn klakke vol van.’ (p. 33). Of dat het Gentse ‘raisonneren’ (p. 35) voor de kosmopolitische Antwerpenaar vertaald moet worden naar ‘redeneren’ (636)? Of dat het voor de Antwerpenaar altijd iets duidelijker moet: 1985: ‘Wat kwam ’t er tons?’ moet worden ‘Wat kwam ’t er dan? Hierna?’ (p. 636). Wat opvalt is ook dat de 1999-editie minder goed spreekbaar is, de combinatie van dialectische afkappingen met schoongepoetste woorden, werkt niet goed: een halfslachtige poging.

Er zijn weglatingen. 1985, p. 635: ‘Katte: Gij kunt niet weg. – Omer: ’t Doet.’ De repliek van Omer wordt in 1999 geschrapt.

Dat het stuk dat in 1999 in Toneel is opgenomen, toch van  Claus zelf is, krijgt een argument omdat de regie-aanduiding soms verandert. Zo is ‘Vorten speelt op zijn tamboerijn, plechtig en statig leggen ze de parachutemantel weer op zijn schouders) (de cockpit-Sfinx vervaagt)’ in 1985 (p. 38) geplaatst voor de Omer-repliek en in 1999 (p. 638) wordt dit twee replieken voordien geplaatst en ‘zijn schouders’ wordt daar ‘Omers schouders’.

Andere voorbeelden (eerste getal is de 1985-editie; 2de getal de 1999-verzamelband): ‘Ge moet er uwe devoren voren doen. / Er voren werken. / Allee, doe voort.’ (39) – ‘Ge moet er uw best voor doen. / Er voren werken. / Koning, doe voort.’ (638-639). ‘Nooit van zijn leven, hij is te stom want hij wil niet weten. Wedden?’ (40) >  ‘Hij is te stom, hij wil niet weten. Voor hoeveel gewed?’ (639) – deze verandering is zeker a-clausiaans: te omslachtig. ‘Persee’ (41) blijft ‘Persee’ (639). ‘Ten andere, voelde ’t niet?’ (41) wordt weggelaten in 1999, zie p. 639. ‘gij die vals speelt’ (44) wordt in 1999 weggelaten, zie p. 641. ‘Omer (schamper) Wel ja, waarom niet? / Binst dat we toch bezig zijn met blagen, / waarom het niet aan de dode vragen, wel ja, dat de doden spreken / maar ja, goed, ga ’t hem vragen.’ (53) wordt: ‘Omer (schamper) Wel ja, waarom het / niet aan de dode vragen? Wel ja, dat de doden spreken. / Ga ’t hem vragen.’ (646-647). Zou men in Antwerpen het woord ‘altegare’ (53) niet begrijpen? Claus laat het weg in de 1999-editie (647).
Het weglaten is heel dikwijls een verminking omdat de rijmwoorden verdwijnen en aldus ook de kadans (er bestaat overigens een volksrijm, wat Claus hier toepast, het ‘dichten zonder uw gat op te lichten’) en een kunstrijm dat voor geschreven poëzie geldt). Zo vraagt Omer aan Chef: ‘Zijde gij ne vent of een slekke? / Wel creveert dan hier ter plekke.’ (55) maar in de 1999-editie wordt de tweede regel weggelaten want de eerste eindigt op ‘slak’: ‘Zijde gij ne vent of een slak?’ (648) – waarbij slak, zoals we weten uit de drolerieën, geldt voor het vrouwelijk geslacht (individueel en collectief). Een enkele keer is er een betekenisverschuiving. In het volgende fragment gaat het over de stank van de dode lichamen, een stank die voelbaar en tastbaar is (de Nederlanders noemen dit de ‘Vlaamse plasticiteit’): ‘Ik had daar nog maar een stap / gezet, ik sleerde langs de stank, / – een mens maakt leven / al is ’t maar door zijn asem – / of het bougeerde daar, het ritselde’ (55) wordt in 1999 ‘Ik had daar nog maar een stap / gezet, ik gleed in de stank, of het verroerde daar, het ritselde’ (648). In de 2de versie wordt géén Gents of dialect meer gesproken en wat hier belangrijker is: het plastische (de stank als een muur) én de uitleg van Claus zelf door ‘asem’ te gebruiken wordt in de Antwerpse versie een platte tekst. De dichter is verdwenen. Daarvan nog een ander voorbeeld: ‘Rilde wijven, wilde wijven / mee hulder weelderige moederlijven, / mee huldere warme moederliefde / pakt altegaar )’ (56) wordt een simpel Guido Gezelle-vers: ‘Wilde wijven / met uw weelderige moederlijven / met uw warme moederliefde / pakt allen samen /’ (648). Zelfs als men ‘rilde’ (slank en rijzig) niet begrijpt dan is er nog de schoonheid van de herhaling die hier wellust oproept. Overigens is ‘hulder’ niet gelijk aan ‘uw’ maar volgens het Gents woordenboek betekent dit ‘hun’. Een ander voorbeeld van rijmverlies: ‘en hij mag koersen als een hert / waar dat hij ook tert’ (58) wordt ‘en hij mag rennen als een hert’ (650): aiai, wat een verzwakking. ‘Koersen’ is veel volkser dan ‘rennen’ en doet denken aan de volkssport van de grote kleine Ward Sels, in de 1999-editie staat hert nu plompverloren tussen andere rijmen.
Op p. 63 heb je via verschillende replieken een reeks rijmwoorden: geboden, marode, blote, kloten. In 1999 wordt de zinsnede ‘hij is op marode’ (op zwier zijn) weggelaten en wordt de reeks dus onderbroken: ‘geboden, thuis, blote, kloten (p. 652). ‘In ’t eeuwig duister weere, en ik heb ’t geren’ (89) wordt in 1999 ‘Mijn huis is nu de donkerte / en ik heb ’t gaarne.’ (667): dit is schoolmeestertirannie.
‘Ik rappeleer mij.’ (64) wordt ‘Ik herinner mij. (653) en op dezelfde pagina wordt ‘djakke’ ‘zweep’. Het Gentse ‘tsjiepen’ (67) wordt ‘bleiren’ (655) in het Antwerps, ‘jonge mannekes’ (68) wordt ‘jonge jongens’ (655). Of ‘schreemt’ (87) wordt schreit’ (666) en ‘tsjiepmuile’ wordt helemaal weggelaten (666).

In 1985 (p. 81) spreekt Claus van ‘en smijt de blote brokken / bij de rotte doden daar’ en hij verkort dit in 1999 tot ‘en smijt de brokken / bij de rotte doden daar’ (p. 663) waardoor de verbondenheid van de woordenparen verbroken wordt: de sterkte wordt dus verzwakt, niet alleen technisch maar ook inhoudelijk: de blote brokken is nog net iets erger dan gewone brokken. Of het prachtig paar ‘die verschrompeld en verscharminkeld / sterft in de mist’ (p. 86) verwordt tot ‘die verschrompelt in de mist’ (p. 665) wat ook een betekenisverschuiving is: sterven in 1985 wordt enkel verkleinen in 1999.

De belangrijkste regie-verandering is te vinden op de resp. bladzijde 87/88 en 667. Omer is aan het woord: ‘(hij kijkt haar lang aan alsof hij haar voor het eerst ziet, hij aait over haar borst) G’hebt ne schone decolleté. (wendt zich af, wil weg, kijkt eerst nog naar de andere, naar Tiete) [Tiete is Teiresias, een man]. Wat verboden is in 1985 wordt werkelijkheid in 1999: ‘(Hij kijkt haar lang aan alsof hij haar voor het eerst ziet, hij aait over haar borst) G’hebt een schone decolleté. Hij blijft staren, gaat achterwaarts naar de kloof. Vorten speelt op zijn tamboerijn.’ (In de 1999-editie  verdwijnen ook de daarop volgende replieken.)

Op p. 650 komt het woord ‘omdat’ plots cursief te staan, waar dat in de 1985-editie niet was (p. 59): dit is dan een argument om te spreken van een Claus-bewerking: door het ‘omdat’ te beklemtonen, laat Claus Oedipus/Omer een rationele oorzaak-gevolgredenering houden en wordt de klemtoon gelegd op het menselijke redeneren (tegenover de goddelijke willekeur, onrede en tirannie). (Maar als Claus inderdaad een andere versie geschreven heeft, dan (vind ik) heeft hij zich vernederd: een Claus die zijn eigen taal moedwillig verminkt?) Op p. 68 geeft Claus een regie-aanduiding: ‘(zij rilt, heeft het koud)’ en dat wordt in 1999 ‘(Zij rilt) (Stilte)’ (656): wat is er gewonnen – acteurs en regisseurs kun je het niet duidelijk genoeg maken? Nog een verzwakking van de interne consistentie. In het begin van het stuk wordt duidelijk dat er nog alleen maar conserven zijn om te eten, al de rest is kapot. En dus kan Claus op p. 69 (van 99 blz.) schrijven: ‘Merci, Chef, dat ge een mens die op sterven ligt een paar schepkes soepe uit dozen refuseert.’ Door deze repliek maakt Claus duidelijk dat Chef er zelf niets voor gedaan heeft (want conserven), dat hij bovendien minderwaardig voedsel weigert aan een zwakke mens. In 1999 wordt dit iets anders: ‘Merci, Chef, dat ge een mens die op sterven ligt een paar soeplepels soep refuseert.’ (656). Schepkes is nog iets kleiner dan soeplepels, armzaliger ook. Chef is geen Sint-Maarten.

Wel typisch Gents is het woord ‘more’ dat Claus gebruikt voor ‘modder’ (de hoofdpersoon is Omer, die Oedipus speelt, Omer=more) en dat hij ook zo ‘vertaalt’ voor de 1994-editie (p. 56 – p. 648 bijvoorbeeld). En weer ziet men hoe er een betekenisverlies optreedt. (Omer kan ook begrepen worden als ‘o mère’, de jammerklacht van Oedipus, maar ook als ‘o mer’, de zee. En daarvan heb je nog een mooi voorbeeld van hoe Claus zijn teksten opbouwt en hoe de lezer niet aandachtig genoeg kan zijn: Omer vraagt of men ‘dat geluid niet hoort’. De repliek van Lannoo is ‘’t Is de zee. (zij lachen). – Chef (tot Omer): ‘’t Is in uw hoofd.’ (15). Kan de claustrofobie en de schuld nog dichterlijker, nog terloopser geduid worden? Als we bij Claus een zin niet kunnen duiden, is het omdat wij het niet begrijpen.) Het is niet overdreven te stellen dat de gelijkstelling Omer-more de kern van Blindeman uitmaakt: de modder die vuilheid is, waarin men als in een moeras trapt en verzinkt, de stank, het vormeloze, ook is het de klei waaruit de mens gemaakt is. Smeerlapperij. Op p. 81 spreekt Oedipus/Omer van ‘de more van uw baarmoeder’ (p. 81) waardoor er een gelijkschakeling komt van het vrouwelijke met het mannelijke. (Dit wordt in 1999: ‘de modder van uw baarmoeder’ (663), terwijl Omer Omer blijft). Het gaat niet over Omer/Oedipus maar over Elckerlyc. Een argument om de tekst van 1999 als een niet-clausiaanse bewerking te beschouwen is de passage waar Omer (die Oedipus is/speelt) de doem over de schuldige afroept. 1985: ‘Dan hoorde wat dat ‘k commandere. ‘Den diene die de koning heeft geslegen / hij gaat totdat ie gaat creveren / geen bedde meer vinden, geen huis, / geen kluis, gene kelder, geen vier, geen kapelle, geen kwartier.’ (44) wordt in de tweede versie (1999): ‘Hoor dan wat ik commandeer. De man die de koning heeft geslagen / gaat tot ie creveert / geen bed meer vinden, geen huis, / geen kluis, geen kelder, geen vuur, / geen kapel, geen kwartuur.’ (641). Men leest hoe Hugo Claus met het rijm speelt en hoe het ene woord het andere oproept. In de eerste versie rijmt ‘kwartier’ op ‘vier’: maar beide woorden hebben een betekenis: het vuur van de woning, kwartier is de woning zelf, een schuilplaats. Maar de 1999-versie spreekt van vuur en kwartuur: 15 minuten heeft in deze opsomming geen betekenis. Zou Claus dit zo gedaan hebben? Of is dit Antwerps? Of toch – en moeten we dit begrijpen als zijn verzet tegen de onzin die hem gevraagd werd, een ‘grolle en een lolle’?

Advertenties