enige korttekens rond ‘blindeman’ van hugo claus (1)

door johan_velter

hugo claus_blindeman

Blindeman van Hugo Claus verscheen in 1985. De uitgever was De Bezige Bij, wie het boek vroeger gekocht heeft en het wil herlezen, zal geen boek overhouden maar een pakket blaadjes. Het werd opgevoerd in het NTG, de voorloper van het NTGent, ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van het ‘Vlaams theater’. Claus was niet alleen de schrijver maar ook de regisseur, hij moest een co-regisseur naast zich dulden, Jean-Pierre De Decker, de man die vooral spektakelstukken bracht. Het stuk was gebaseerd op Claus’ eigen creatie Oedipus uit 1971 en dat stuk was geschreven ‘naar Seneca’. Seneca had geen eigen vinding op het theater gebracht maar werkte met bestaand materiaal. Er is herhaling pop herhaling maar de herhaling is geen kopie. Toen Blindeman uitkwam, zei Claus dat er nog weinig van Seneca overbleef. Dat zou ik niet durven beamen.

Blindeman kun je een synthesestuk van Claus noemen, een werk waarin allerlei tendensen samenkomen en tot een hoogtepunt uitgroeien, niet alleen in het oeuvre van de schrijver maar ook in de toneelliteratuur. Claus is als toneelschrijver ondergewaardeerd geraakt; dat er nu stukken naar zijn romans gemaakt worden, is te gek voor woorden en zegt alleen maar iets over de arrogantie van de regisseurs (euh, nee ‘toneelmakers’). In Blindeman brengt Claus op een verbluffende manier zijn ‘volksideologie’ tot uitdrukking: enerzijds een wantrouwen tegenover de macht, anderzijds is dat volk ook te wantrouwen, kleinzielig en achterbaks. Technisch heeft hij de methode van ‘theater in het theater’ tot een hoogtepunt gebracht – men zou een lijstje kunnen maken van de vele theaterscènes binnen de theaterstukken van Claus en welke rol die telkens weer spelen. Claus speelt een spel met de werkelijkheid (theater doet zich voor als een realiteit) en de illusie (theater is een spel) door beide te doorprikken en dit door beide te tonen. In Blindeman is de werkelijkheid het dialect dat gesproken wordt (maar dit dialect is ook hier een kunsttaal) en de illusie, het spel dat gespeeld wordt door de toneelspelers in die mate zelfs dat de toneelspelers die een personage spelen zichzelf verwarren met het personage dat gespeeld wordt. Uiteraard zijn er ook hier de interculturele verwijzingen die het werk van Claus altijd interessant maken – in de eerste plaats is dit hier Samuel Beckett. En er is de humor, ja, de woorden van Claus kunnen hier wel beaamd worden: er wordt gelachen.

Het stuk zelf werd niet gul onthaald. Zo schreef Luk Van den Dries bijvoorbeeld: ‘Kortom, de verplichte jaarlijkse Claus op het NTG-programma begint meer en meer op een sleur te lijken. Blindeman oogt dof, loopt mank en klinkt hol. En het is zelfs geen  grand-guignol.’ Let op de subtiele Claus-persiflage: man, mank, hol, guignol.

Bart Meuleman herinnerde zich in 1995: ‘Bij Blindeman (’85), de zoveelste herkauwde Oedipus, heb ik mij zelfs kwaad gemaakt. Gedoemde overlevenden van een atoomramp herinneren zich plots een voorstelling in het NTG en gaan die naspelen. Alsof ze godverdomme niets beters te doen hebben.’

En in datzelfde jaar zei Johan Reyniers over dit stuk: ‘Herman de Coninck herinnert zich, in het al eerder geciteerde artikel, een toneelstuk waarop het probleem van de zogenaamde ongaafheid van Claus zonder meer van toepassing is: het gaat dan om Blindeman (1985), een bewerking van Claus’ eigen Oedipus-bewerking (1971), een spel in het spel: een tiental overlevenden van een kernramp besluit de tijd te doden door een van de oudste verhalen van de mensheid te spelen, ‘van diene Griekse koning die mee zijn moeder getrouwd was’. De setting is Gents, de taal dialectisch, in een aantal gevallen werden verzen uit Oedipus rechtstreeks naar het Gents getransponeerd. Het bracht de critici er in 1985 toe in koor te schrijven dat Claus’ prachtige poëtische teksten uit 1971 waren verzand tot karamelleverzen. No brains no headache. Want ik geloof dat we op De Coninck hebben moeten wachten om te kunnen lezen dat ‘het ongelooflijke van die hele dialectbewerking was dat het dialect het antieke pathos krachtdadiger liet voortbestaan dan beschaafd Nederlands dat zou kunnen, de allergrootste gevoelens, ja, in dialect kunnen die nog.’ Vooral daardoor is Blindeman niét een lichte actualisering of een modieuze herwerking van Oedipus geworden, maar een heel ander stuk. Dat zie je meteen als je het weer zou gaan vertalen. Ik heb Blindeman een keer in het ‘Nederlands’ geënsceneerd gezien, in een bewerking van de VPRO-televisie. Het was verschrikkelijk; niéts bleef ervan over. Het is erg maar hetzelfde moet gezegd van de Blindeman waarmee de KNS zijn seizoen opende; uiteraard in een Aantwaarpse versie want als Antwerpenaar kun je toch moeilijk naar een Gents stuk gaan kijken. Wie voor de nieuwe bewerking instond is niet duidelijk: het programma vermeldt ‘versie 1994’; blijkbaar heeft West-Vlaming Claus dus zelf voor een brabantisering gezorgd.’ Over de ‘ongaafheid’ kan gediscussieerd worden. Over de ‘allergrootste gevoelens’ en de ‘pathos’ heel zeker.

De boekomslag van Blindeman toont een geabstraheerd figuur: grote, ronde ogen, een pijnlijke grijns, kil blauw in de achtergrond en de strepen doen denken aan de tralies van een cel. Deze keer geeft Claus wel een min of meer correcte verwijzing wat het beeld betreft : ‘Fragment schilderij van Howard Hodgkin’ staat in het boek te lezen. Welk fragment? Welk schilderij? Waarom dit fragment?

howard hodgkin_mr and mrs robyn denny_1960

Er is de bibliografie Hugo Claus : voor twaalf lezers en een snurkende recensent (nog mooier is het als de dubbele punt weggelaten wordt maar ik ken mijn FOBID-regels) en daar lezen we dat het fragment een onderdeel is van het schilderij ‘Mr And Mrs Robyn Denny’ (1960). Het werk behoort (of behoorde) tot de Saatschi collection in London: de vrouwelijke figuur is weggelaten waarmee eens te meer de nadruk uitsluitend op de Oedipus-figuur komt te liggen – het zou interessant zijn om de Jokaste-tragiek mee te interpreteren. Over dit schilderij schreef Andrew Graham-Dixon (Howard Hodgkin, Thames and Hudson, 1994 – en Claus kon dit dus niet gelezen hebben): ‘Even the vivid geometries that surround the marionette figures of Mr and Mrs Robyn Denny (1960) are, while exuberant, also tyrannical. Hodgkin has invented a scheme of colour and form that serves to fix the subjects (who both stare into space, one through sunglasses, the other with boss-eyed dumbness), to immobilize them like a pair of pinned butterflies. Stranded in these acres of crude pattern, a whole interior condensed to a sign for one, they are people who seem victimized by their own taste for brashness, trapped by their environment.’

Eens te meer moeten we constateren hoe zorgvuldig en doordacht Hugo Claus zijn boeken concipieerde en dat hij het beeld niet toevallig gekozen heeft, dat hij een bijzonder goed interpreterend oog bezat die de dubbelzinnigheid van beeldend werk gebruikte om zijn eigen schriftuur te be-lagen (laat ik ook maar eens dat pedante gedachtestreepje gebruiken). (Robyn Denny (1930-2014) was een Britse schilder die de abstracte kunst in Great-Britain geïntroduceerd heeft; hij was gehuwd met Anna Teasdale (een schilder van terecht onbefaamde prentjes) en zoals men uit het schilderij kan afleiden: het huwelijk is een scheiding voorafgegaan. Een schilder die door een schilder wordt afgebeeld en waarbij grote nadruk op de ogen gelegd wordt: ook literair-technisch verwijst dit beeld naar het werk van Claus: zoals de personages zich in spelers vermommen om weer personage te worden, zo deed ook Hodgkin dit (en deed ook Jean-Luc Godard het : net zoals bij Godard de rol van de actrice, dat van een personage is. De acteur speelt zichzelf als personage en stapt uit zijn rol waardoor het theater een intellectualisme wordt: het speelt met de conventies, het draait de rollen om: in hoedanigheid van een echte persoon heeft het publiek ook een rol.). En zie: wat als een volksstuk  getoond wordt, Claus die een Romain Deconinck-rol op zich neemt, is bijlange géén volkstheater maar een stuk dat de intelligentie van de hoge cultuur bezit. Hugo Claus toonde met het beeld op de omslag hoe Oedipus gevangen zit, hoe hij een bordkartonnen figuur was die weliswaar grote ogen had maar niet zag. De verwondering.

Het spel kan beginnen, maar eerst moeten we nog iets zeggen over De Blunderende Bij.

Advertenties