terrible – en nodig

door johan_velter

Hij werd door zowat iedereen in France geminacht en toch is hij uitgegroeid tot 1 van die iconen die niet meer weg te denken zijn. Pablo Picasso verdroeg Cocteau maar ergerde zich aan zijn ‘grootspraak’ dat hij Picasso bekend gemaakt had – wat ook wel gedeeltelijk waar was. Gide voerde hem in zijn « Les faux-monnayeurs » op als de onsympathieke comte Passavant, de schrijver die alleen maar oppervlakkige boeken weet te produceren en in alles het tegendeel van André Gide zelf zoals hij de schrijver Edouard beschreven heeft.

Maar toch zijn er ook anderen geweest. Hugo Claus was door Jean Cocteau gefascineerd en ook Martinus Nijhoff schreef over hem lovende woorden: ‘Ik had iets aan de geniale jeugdverzen van Jean Cocteau, de Franse dichter, […]’ (Over eigen werk, Verzameld werk 2, Bert Bakker, 1982, p. 1167). Cocteau was een allesdoener: hij bracht « Les six » tot een groep samen en zorgde ervoor dat er weer iets van ‘Franse muziek’ aanwezig was in de Europese cultuur, een groep van lichtheid; hij organiseerde balletten en bracht verschillende kunsten samen in een ‘Gesamtkunstwerk’, hij filmde (maar wat een slecht geacteerde films), hij was criticus, schreef romans, dichtte, was beeldend kunstenaar. Nu het stof van het modieuze gevallen is, kan de figuur van Jean Cocteau misschien meer recht gedaan worden.

Cocteau was ook zelf een inspiratiebron. Philip Glass heeft met « Les enfants terribles – Children of the game » en « La belle et la bête »  twee meesterwerken afgeleverd waarin hij zichzelf overtroffen en in de geest van « Les six » een fijnzinnige cultuur opgebouwd heeft.

Een paar zaken zijn van hem in het Nederlands vertaald – ten onrechte en jammer genoeg is dit alles te veel in de homo-erotische hoek geplaatst – het werk is niet te herleiden tot een seksuele verhouding. « Les enfants terribles » (1929) gaat over een troebele verhouding tussen een broer en een zus, er is aantrekking en afstoting, rivaliteit, onderhuids kolken, openlijke verklaringen en tenslotte de dood. Het boek is beter dan de film die niet enkel slecht geacteerd is maar er is ook de overdramatische, geaffecteerde stem van Jean Cocteau zelf die het verhaal commentarieert. De roman is in het Nederlands vertaald door Hetty Renes (Goossens, 1984), ‘Gruwelijk kinderspel’, een onjuiste vertaling. Meesterlijk is hoe Cocteau beschrijft dat goed en kwaad tegelijkertijd bestaan, dat goed kwaad voortbrengt en omgekeerd. Er zijn troebele verhoudingen die vandaag de dag niet meer beschreven kunnen/mogen worden – hoe een cultuur zichzelf blind maakt als er gezwegen moet worden en kunst niet langer een vrijplaats is maar een drenkplaats voor pseudomanagers, pseudodirecteuren en ander gespuis die cultuur verwarren met de eigen geldzak.

De kinderen leven samen met hun moeder in een appartement, ze zijn rijk, verwend en zelfzuchtig. (André Gide stelde zijn egotisme tegenover het egoïsme van Jean Cocteau.) Hun moeder kwijnt weg en tijdens een ruzie/een spel vinden ze hun moeder dood: « Les enfants, seuls, incapables d’agir, regardaient, livides, ce cri pétrifié, cette substitution d’un mannequin à une personne vivante, ce Voltaire furieux qu’ils ne connaissaient pas. » (Œuvres complètes de Jean Cocteau, 1, Marguerat, p. 218). Renes vertaalde dit als : ‘Alleen en als verlamd keken de kinderen doodsbleek naar die verstarde schreeuw, die ledenpop die daarnet nog een levend mens was geweest , die woeste versteende blik die ze niet kenden.’ (p. 42). Door origineel en vertaling naast elkaar te leggen, ziet men welk groot stilist Cocteau was en hoe verwaterd dat Nederlands is. Het woord ledenpop is bovendien verkeerd gekozen, het doet meer denken aan een poppenkast dan aan een versteende mens. Typerend is ook dat de naam Voltaire weggelaten is – die verwijzing maakt het beschrevene immers volmaakt en rond: iedereen kent het ineengevallen gezicht van de oude Voltaire en plastischer kan dat doodsmasker van een dode mens niet beschreven worden. Of denkt men dat Nederlandstaligen Voltaire niet kennen? (Maar vermeldingen van Saint-Simon en Baudelaire op resp. p. 232 en p. 64 worden wel opgenomen – maar Baudelaire wordt wel Beaudelaire (p. 68).

Voor Hetty Renes bestaat een jaar uit tien maanden. « Un soir, une très petite fille que douze grimaces n’avaient pas réduite […] » (p. 225) wordt ‘Op een avond was het slachtoffer een heel klein meisje dat door tien grijnzen nog niet van haar stuk was gebracht.’ (p. 55).

« De cette séance instructive, Gérard ne retint qu’une chose : Elisabeth l’avait tutoyé. Le lendemain, il essaya de la tutoyer à son tour. Il craignait une gifle, mais elle adopta le tutoiement et Gérard en ressentit une caresse profonde. » (p. 234) wordt niet vertaald (zie p. 66).

Net als Gide spreekt Cocteau van het kwade fatum: « son démon, une fatalité diabolique. » (p. 257)

Advertenties