twee vlaamse duivels (2)

door johan_velter

achille van acker_de duivel

De duivel in spreekwoord en gezegde (UGA, 1976) van Achille Van Acker is een postume uitgave en dat is er aan te zien. Het boek is slechts een verzameling met aanzetten van zinnen, gedachten, heel veel herhalingen, wat te begrijpen is voor iemand die naar een boek toe werkt, maar nooit op die manier had mogen uitgegeven worden. Toch heeft het boek waarde door de veelheid en verscheidenheid van de spreekwoorden. Van Acker is gekend voor zijn grote politieke rol, de vader van de sociale zekerheid en hij die het land recht gehouden heeft in de woelige naoorlogse jaren. Zijn bijnaam was Açiel çarbon (Achiel Charbon – zelfs in zijn bijnaam is de duivel merkbaar) (elke hedendaagse socialistische politicus heeft nu als bijnaam ‘Lucht’), omdat hij de mijnindustrie na de oorlog fel heeft ondersteund ; de mijnwerkers overbetaalde en er in slaagde om de industrie van neringdoeners weer van energie te voorzien. Dat deze politiek veel problemen met zich heeft meegebracht, mag en kan hem niet aangerekend worden. Van Acker is een politicus geweest die een positieve stempel op het maatschappelijk leven gedrukt heeft. Van hem is ook de uitspraak J’agis, puis je réfléchis (11 februari 1945) (West-Vlaams klinkend en met de s-klank uitsprekend) wat hem zwaar aangerekend werd – maar ook dit is ten onrechte: een daad kan intelligentie in zich dragen, meer nog: de activiteit kan een daad van intelligentie zijn. Er zijn slimme en domme daden: de slimme kunnen de zelfs nog niet ontstane of gekende problemen oplossen, de domme blijven steeds problematisch en de slimme daden hebben een werking tot ook hun vorm is uitgewerkt en er een tijd van nieuwe daden nodig is. Tot het breukvlak.

Van Acker was niet alleen een man van de daad, hij is ook uitgever, boekhandelaar en antiquair geweest. In zijn persoonlijke collectie zat er werk van Eugène Delacroix, Mabuse (!), Wolhemut, Frans Pourbus de Jongere, een werk à la Breugel, Luc Peire, Jozef Cantré. In de jaren 30 heeft hij met zijn uitgeverij De garve werk van o.a. Richard Minne uitgegeven.

achille van acker_den garve

(In mijn exemplaar heeft een vorige eigenaar een versje à la Minne willen schrijven, als antwoord op het motto van ‘In den zoeten inval’ : “Ik heb mijn reisje voortgezet / en val met overgroote pret / “Den zoeten inval” binnen, / de baas is Richard Minne”.) Maar ook kunstkritisch werk, belletrie van o.a. Raymond Brulez, Jan Greshoff en de gedachten van Marcus Aurelius. Achille Van Acker was een cultuurmens – maar geen denker.

Het was de bedoeling dat elk spreekwoord/gezegd geduid zou worden met wat geschiedenis, een anekdote, een bron. Maar slechts hier en daar is dat gebeurd en Van Acker liet bijna elke bronvermelding achterwege waardoor de verzameling geen enkele wetenschappelijke of folkloristische waarde heeft, slechts een pittoreske. De spreekwoorden zijn in hoofdstukken verdeeld maar ook dat had beter gekund. Je kunt uit dit werk geen ‘visie’ distilleren, het blijft een oppervlakkige verzameling.

Er is bij Van Acker een bewondering voor de volkswijsheid die hij in deze spreekwoorden mee,t te horen, maar de oorsprong kan evengoed een intellectuele zijn: eerst het boek en pas dan overgenomen door het volk. Van Acker citeert ook schrijvers, zoals Shakespeare – waarmee hij de status van zijn verzameling problematiseert en de tweedeling volk/intelligentsia niet meer opgaat: dit is een verzameling spreekwoorden waar de duivel in voorkomt.

In het socialisme van de 20ste eeuw was er een belangstelling voor de folklore, voor wat het gewone volk aan levenskennis en –wijsheid verzameld had. Men wilde bewijzen dat het volk niet zo onnozel en dom was, als het patronaat meende. Maar ook deze ‘ideologie’ komt in dit boek niet uit de verf. En er zijn spreekwoorden die het tegendeel beweren : ‘Voor het gepeupel wijkt ook de duivel.’ ‘Het is duivelsgespuis.’ Op verschillende plaatsen vermeldt Van Acker dat er voor een spreekwoord ook wel een tegengesteld spreekwoord gevonden kan worden – hij draait zich als een duivel in een wijwatervat om dat te verklaren – en het lukt hem niet. Hij ziet niet dat spreekwoorden contextueel zijn.

Het is verleidelijk (verleiding is des duivels) om te citeren: ‘Als de deur toe is, gaat de duivel heen.’

Het kwaad is overal: ‘Bij kerk en kluis bouwt de duivel een huis’. ‘Als de duivel oud wordt, wordt hij heremiet’. ‘Men moet de duvel een keerske branden’ : al iets met tegenzin doen maar ook: neem het zekere voor het onzekere.

‘De deugd gaat in het midden, zei de duivel, en hij liep tussen twee Kapucijnen.’

‘Spijt is van de duivel.’

‘De duivel heeft het vragen uitgevonden.’

Wie er nog vandaag op let, zal horen hoeveel keer we de duivel in onze taal opnemen, eigenlijk niet te verwonderen als je weet welke duivels er in Brussel zitten. En dus nog altijd actueel. Op het lijf van Cul & con, het zogenaamde Cultuurconnect, geschreven: ‘Een ledige hersenpan is het werkhuis van de duivel.’

Hier en daar worden de spreuken met eigen wijsheden gelardeerd die het niveau van de platte volkswijsheid niet overstijgen. Soms zijn de minieme verklaringen die Van Acker geeft, onjuist. Soms wordt de tekst van Van Acker zelf verkeerd weergegeven. De uitleg bij ‘Zuivel op zuivel, is ’t werk van de duivel’: ‘Kaas en brood op een boterham is niet geoorloofd.’ Is onjuist. Met brood wordt boter bedoeld. En er komen ‘vreemde’ spreekwoorden voorbij, uit Duitsland, Engeland, Frankrijk, Guyana. Veel Vlaams volk komt blijkbaar uit het buitenland. Sommige spreuken verklaart Van Acker niet, terwijl je toch graag zou horen wat die betekenen : ‘Voor zijn eigen honing [woning?] legt de duivel één lepel, voor de vreemde twee.’

Advertenties