twee vlaamse duivels (1)

door johan_velter

camille huysmans_1

Zouden er veel landen bestaan waar twee socialistische voormannen een boek over de duivel geschreven hebben? Dat land bestaat.

Camille Huysmans schreef het boekje ‘Vier kerels : Reinaert en Ulenspiegel ; de demon en de duivel’ (Standaard-Boekhandel, 1966), wat een vertaling was van « Quatre types : le Renard et Ulenspiegel ; le démon et le diable » (Ça ira, 1937) en Achille Van Acker schreef het boek ‘De duivel in spreekwoord en gezegde’. Het was een tijd toen de socialisten nog onbeschaamd seculier durfden te zijn en het hoofd niet bogen voor paus, imam en duivel. Het was ook een tijd toen socialisten intellectuelen waren, boeken lazen en daarvan verslag uitbrachten. En niet, dat men slechts tot de partij toegelaten wordt als men spuugt op waarheid, moraal, kennis en cultuur. Welke socialist durft nu zijn islamistische achterban zeggen dat de duivel niet bestaat? Of dat hij sympathie heeft voor de nee-zegger?

Natuurlijk sprak Huysmans voor een eigen achterban:

camille huysmans_2

maar wees maar zeker dat de woorden verder gingen dan het eigen gehoor. Ook vandaag worden de woorden overgebriefd, sociaal als men is – maar nu met het doel anderen in diskrediet te brengen, chantage te plegen. Camille Huysmans, die tot op hoge leeftijd actief gebleven is, gebroken heeft met de partij – omwille van een tomeloze ambitie – en die in retrospect een Vlaamse Berlusconi genoemd zou kunnen worden als we niet wisten dat hij op die hoge leeftijd niet gehuwd is geweest met zomaar een jonge vrouw maar een jonge vrouw die hem op een niet-echtelijke wijze nabij stond. Zo werden vroeger de zaken geregeld die niet door wet en moraal toegelaten waren, zo konden ‘onechte’ kinderen toch nog leven. Iedereen wist het, iedereen begreep het. vandaag zou men veroordelen.
Huysmans (en spreek dit op de Franse manier uit, Tegen de keer dus) had onverholen sympathie voor de vrijheidsvechters, voor hen die zich tegen de macht verzetten – zo cynisch was hij ook wel. Huysmans wordt vooral herinnerd als persoonlijkheid, niet zozeer als socialist of theoreticus, en misschien is dat iets te weinig. Maar toch, het zijn de tussenzinnen die hem markeren. Zo schrijft hij , niet erg duidelijk maar toch verstaanbaar, dat hij vlees eten maar een minne manier van voeden vindt: “Hij [Reinaert] doet precies als de mens, die zich voedt met het rund en het varken, de tarbot en de haring, de fazant en de kalkoen, niet omdat hij een oude rekening met ze te vereffenen heeft, maar omdat hij zich inbeeldt dat hij niet leven kan buiten vlees en dat het consumeren van kadavers voor hem een onontkoombare noodzakelijkheid is.” (p. 25-26).

Oorspronkelijk zijn de lezingen in de jaren dertig gehouden en dan is het normaal dat Huysmans spreekt van een ‘civilisatie op haar laatste benen’, maar zijn cultuurkritiek blijft ook vandaag nog overeind – juist omdat hij in zijn vier kerels een moraal zoekt die de mens recht doet en ingaat tegen de macht – die altijd bruut, dom en vernietigend is. Zo spreekt hij over het nationalisme en alle zogenaamd socialistische burgemeesters die hun stad als het eigen erf zien en een verregaand en angstig makend citisme prediken (het kleine is altijd de voorbode van het verschrikkelijke) zullen dit niet begrijpen: “En de strijd van Ulenspiegel is actueler dan ooit. Niet bij ons. Elders. In een andere vorm. Want het nationalisme dient altijd om de eigen natie te onderdrukken.” (p. 48).

Huysmans vindt de verslagen duivel indrukwekkend … omdat hij zijn macht verloren heeft – en leek hijzelf op late leeftijd niet meer en meer op Mefistofeles?

camille huysmans_1963_met fred bervoets en marc makken

Hij maakt een onderscheid tussen de duivel en de demon: de eerste is het ultieme kwaad (en zowel het christendom als de islam zegt nog steeds dat de duivel daadwerkelijk bestaat en niet alleen een metafoor is); de tweede is een ‘bonte figuur, zwart én wit, slecht én goed, in een steeds wisselende variatie.’ (p. 55) En Huysmans geeft een cultuurfilosofische schets van hoe duivel en demon in de culturen functioneerden – en hoe simpel de mechanismen ervan zijn.

Waarom sympathiseert Camille Huysmans met duivel en demon? Om het sceptisch ongeloof, om de twijfel, om het niet kiezen voor het zwart of het wit. De wankelmoedigheid als levenshouding – en dat verbindt hem ook met André Gide voor wie de demon een stijlmiddel was (en misschien ook wel meer). En hij schetst hoe Satan soms als een brave mens werd voorgesteld, die dienstbaar en hulpvaardig was: het beeld van het Kwaad is opgelegd. Dan is de duivel terug een demon geworden, schrijft Huysmans. “En waarom? Omdat het volk geweigerd heeft een starre theologie te aanvaarden. Omdat het niet gelooft in het absolute kwaad. Omdat het vast gelooft dat elk schepsel – wie het dan ook is – in staat is zowel goed als kwaad te doen, […].” (p. 105). In tegenstelling tot god is de mens wel tot vergiffenis in staat en daarom laat hij satan op zijn wereld toe : “De mens is namelijk niet in staat eeuwig te blijven wrokken ; hij verbant iemand die eens een keer gezondigd heeft, niet naar de hel zonder kans op vergiffenis.” En zie, ook bij Huysmans horen we, net zoals bij Quevedo, de duivel protesteren tegen de schilders die hem fysiek afstotelijk geschilderd hebben (bij Quevedo was het Jeroen Bosch
( https://sfcdt.wordpress.com/2016/02/21/niet/ ), hier zijn het de Vlaamse schilders): “Maar mij als een lelijkerd afschilderen? Nee! Ik hecht aan mijn uiterlijk. Ik ben een miskend kunstenaar. En ik ben er woedend over dat jouw Vlaamse schilders eraan hebben meegedaan en mij hebben voorgesteld als een afzichtelijk lelijk of idioot ridicuul wezen.” (p. 108).

Beeld 3: Camille Huysmans in 1963, met Fred Bervoets en Marc Makken. Twee asbakken op de tafel maar wat is dat elektrisch toestel?

Advertenties