de ‘liga van de anti-insignedragers’ protesteert :

door johan_velter

museum m

In het Museum M te Leuven, waar de M voor Middelmaat staat – en waar de middelmaat regeert, heerst de ondermaat – worden de bezoekers verwelkomd in een immens lege ruimte, nadat men eerst de trappen gezocht en de trage deur vervloekt heeft, nadat men een gehandicapte mens in een rolstoel telkens weer moest overtuigen dat er naast de trappen een onzichtbaar hellend vlak was waar een rolstoel kan draaien en keren (en draaien en keren moest die mens, wat een onzingebouw is dat toch, want in de straat komend was het eerste wat we gezamenlijk deden in een lach schieten om dat onnozel portaal dat daar onnozel staat te doen) maar dat toch gevaarlijk bleef want een wiel (en sommige rolstoelen hebben 4 wielen) kan gemakkelijk op een trede terechtkomen en dan gaat het hellend vlak van holderdebolder naar beneden en daar was er ook een modeshoot voor oudere dames die toch staan te springen en te pronken met hun handtas aan de gang, het museum dient dan toch nog voor iets.

De Liga van de anti-insignedragers protesteert tegen het middelmatig beleid van Museum M te Leuven. Een geacht medelid bood zich aan aan de infobalie alwaar hij een ticket betaalde waardoor hij vrije toegang kreeg tot het museum. Hij kreeg ook een badge, een duur woord voor een zelfklever waarvan de lijm niet accordeert met een voorzichtig textielbeleid, dat overigens lelijk is vormgegeven. Ons geacht medelid, tevens stichter en penningmeester, kleefde, geen 12 jaar meer zijnde, de badge niet op zijn kledingstuk, tevens gevoelig zijnde omdat uiterlijke insignes niet en nooit door de overheid mogen opgelegd worden, wetende immers dat uiterlijke insignes tekenen zijn van een fascistoïde geest die mensen wil scheiden van het onkruid, die de inquisitie het werk wil vergemakkelijken en resten bevat van het anti-semitisme en algemener een toonbeeld zijn van een beheersingsmentaliteit die reactionaire trekken vertoont. Tevens ook bescheiden zijnde: waarom zou een mens zich van een ander onderscheiden. Ach, en elk lid van onze liga herinnert zich hoe men daar vroeger armbandjes moest dragen, net alsof men naar een festival ging – in de rechtbank moet een beschuldigde zichzelf niet belasten, in een museum is het het recht van de burger te weigeren zichzelf belachelijk te maken, de onnozele, te volgen. Zie ze daar lopen, de kuddes, de gelijken, de niet-denkenden die zichzelf decoreren moeten.

Ons geacht medelid, dat overigens ook alle koninklijke onderscheidingstekenen via een brief aan de bevoegde instanties geweigerd heeft, liep weinig vrolijk, zich bovendien opwindend over de onnozele tentoonstellingen, de technische mankementen en de pseudo-nieuwe media (een kamerbreed scherm getuigt niet van een kamerbreed verstand), door het museum maar plots sprong daar een ouder, vrouwelijk wezen voor zijn neus en verontwaardigd, bibberend van toorn en vrees, spuwend van woede, wees zij naar hem en krijste: ‘Geen badge, geen badge’ en hij hoorde het blaffen van een valse kettinghond. ‘Maar mevrouw’, sprak ons geacht medelid, met de hem typerende zalvende stem en zijn honingzoete glimlach, ‘hier hebt u uw badge.’ En hij haalde zijn mobiel toestel boven waarop hij de sticker gekleefd had – wat hij zich later beklaagde want zelfs op een glad oppervlak blijft die rommel plakken – en toonde haar die. Maar de oude vrouw trippelde van het ene op het andere been, maakte verwoede gebaren en ons geacht medelid begreep daaruit dat hij een insigne moest dragen omdat het personeel anders niet kon zien dat hij binnengekomen was. ‘Maar mevrouw’, zei ons geacht medelid, ‘ik ben reeds binnen én ik heb betaald. Ik ben een eerzame burger die niet afgesnauwd moet worden omdat hij zich niet als een onnozel wicht wil gedragen, dat net zoals alle andere onnozele wichten wil zijn. Van welke leeftijd dan ook. Het dragen van een kenteken is volstrekt overbodig, zoals zelfs kleine musea als het Louvre in Paris (d.i. Parijs) bewijzen: wanneer de interne organisatie op punt staat, kan men de medemens vertrouwen want men heeft nagedacht over de circulatie van een museum. Waarom wantrouwt u uw collega’s beneden? Doen zij volgens u hun werk niet? Of kan men hier langs schouwen, ramen en daken binnenkomen – zonder te betalen? O schande. Moet een bezoeker opdraaien voor deze slechte museumwerking?’ Maar het luisterde niet en driftig pakte zij haar walkietalkie (ach, geef kinderen toch geen speelgoed waarmee ze zich groot kunnen wanen) en riep een hogere in rang, een overste moest komen om haar bij te staan bij deze vijandelijkheden. De snoodaard, ons eenvoudig medelid dat slechts een museum in rust wilde bezoeken, dat een ticket betaald had en de moeite genomen had niets van de muren te trekken, moest in de boeien geslagen worden. De kettinghond gedroeg zich als een kettinghond omdat er boven haar kettinghonden staan.

De Liga van de anti-insignedragers protesteert tegen dit agressief, onnozel, kinderachtig, anti-efficiënt en overbodig beleid en roept al haar leden en sympathisanten op dit museum niet te betreden. Laat de rede heersen waar de rede heersen moet.

museum m 2

Advertenties