gescheurd

door johan_velter

duivels_dante en vergilius zien mohammed in de hel

Francisco de Quevedo is 1 van die randfiguren die toch een monsterblok binnen de Westerse cultuur vormt. Hij stamt uit een adellijke cultuur, heeft kennis genomen van de Klassieke Oudheid, is opgegroeid binnen een katholicisme, heeft de nieuwe tijden horen waaien en heeft dit alles verwerkt in striemende pamfletten die vandaag de dag niet meer aanvaard worden – braaf en dom als we geworden zijn. Niets is heilig wordt dan gezegd, maar dat is onjuist. Quevedo zou liever leven in een maatschappij met minder schijn, waar de onvolkomenheden aanvaard worden, waar mensen elkaar gerust laten en op een kalme manier samenleven. Dit is met andere woorden een niet-metafysische opvatting van het leven, een levenskunst die aan de rand van de wereld leeft. Montaigne keek in zichzelf, Quevedo kijkt naar de anderen (ook al spaart hij zichzelf niet, maar dit is enkel merkbaar voor de goede verstaander). Montaigne is bezadigd, Quevedo kent het geluk van de razernij en de kunst om zijn vijandschappen te onderhouden. Wie niet kan lachen, is een zuurpruim en toont ook de reden waarom hij niet lachen kan: de waarheid kwetst en er zijn nu eenmaal kokosnoten die gesloten zijn. Ha, mogen we niet uitlachen, mogen we niet schamperen, mogen we niet de kokosnoten, krokodillen en apothekers op hun plaats zetten? Is de spot niet meer toegestaan – maar wordt de leugen, de onkunde, het bedrog en de hovaardij wel gedoogd? Wel, dat ze dan een alliantie met de islamisten sluiten – wat ze in de praktijk al gedaan hebben.

Merkwaardig is dat Quevedo en Justus Lipsius correspondenten van elkaar waren – zo blijkt dat Quevedo niet zo ‘reactionair’ was als men ons wil doen geloven – net als de humanisten ageerde hij tegen de katholieke hypocrisie en streefde hij een vernieuwing van de maatschappij naar. De droom was voor hem een geschikt literair medium: op die manier kon hij niet alleen de toekomst beschrijven maar ook het hedendaagse: wat is en wat zal zijn en tegelijkertijd zeggen dat het maar een droom is – en niemand is verantwoordelijk voor zijn nachtelijke esbattementen. Maar het is niet noodzakelijk dat Quevedo ook in een eeuwige straf en in duivels gelooft: het laakbaar gedrag is laakbaar binnen het wereldse – Quevedo spreekt merkwaardig weinig over een god, de familie en de heiligen. In zijn concept van het eenvoudige, rechtschapen leven (maar denk nu niet aan Rousseau) valt hij ook de literaire literatuur aan met haar rijmen, overdrijvingen, topoi, gezocht woordgebruik. Hij beschrijft de dichters (en wij denken aan Ezra Pound): ‘[…] zag ik er wel tienduizend van die Vanlotjegetikten zoals ze daar heten bij elkaar in een kooi zitten.’

Quevedo heeft een sociologisch oog: hij stijgt uit boven de anekdotiek en formuleert een vroege versie van de stelling dat macht corrumpeert : ‘De hele hel zit vol belangrijke figuren en het zijn er zoveel omdat macht, vrijheid en bevelvoering de deugden uit het oog doen verliezen en de ondeugden aanwakkeren.’ (Ambo, p. 50). Het woord vrijheid staat hier raar. Het zou kunnen dat Quevedo de moraal binnen grenzen wil houden en dat hij ziet hoe machtspotentaten geen grenzen kennen. Als dat zo is, dan volgt hij (hier) Descartes.

Quevedo toont ook op een andere manier dat hij niet de oerconservatief is en wel door zijn afwijzing van de eermoraal – en daarmee wijst hij ook de islamistische moraal af. De eer is immers verbonden met de hypocrisie en beide zijn een element van een naar buiten gerichte moraal, een sociale manier van leven: het goede doen is wat het goede lijkt. Men doet zich zo voor zoals de maatschappij het wil. Deze houding is een conservatieve, anti-rationele (en ook een anti-rationalistische) omdat ze enkel volgt wat de opinie voorschrijft en geen individueel denken vereist. De externe moraal staat tegenover een persoonlijke. De huidige moraal is een moraal van en voor dommeriken. In de hel is het voor hen een foltering de bittere waarheid te worden voorgehouden. Daarbij gaat het niet om een groot verstand maar of dat verstand goed aangewend wordt: een moralist houdt voor dat er geen conflict mag bestaan tussen middel en doel.

Natuurlijk had ook Quevedo kennis van het atheïsme, van de mogelijkheid ervan maar ook van het zich voordoen: men kan gelovig schijnen, zonder het te zijn. Godsdienst bestaat uit zichtbare rituelen en het goede en kwade staan daarboven. Nog naar aanleiding van de dichters maakt hij een ruimere beweging: ‘Dat slag weet nauwelijks welke godsdienst het heeft, want in naam zijn het christenen, in hun hart ketters, in hun gedachten barbaren en in hun woordgebruik heidenen.’ En daar weet Quevedo zelf alles van want om de censuur/inquisitie te omzeilen, heeft hij wat al te kritisch was voor de katholieke Kerk vervangen door Romeinse gebruiken en goden. En dit wordt verder geconcretiseerd in de schets van keizerin Barbara, de echtgenote van keizer Sigismund: ‘Ze kon niet genoeg krijgen van haar wandaden en werd ze niet moe, want op dat punt wilde ze Messalina overtreffen, en ze beweerde dat de ziel tegelijk met het lichaam sterft en meer van die dingen die haar naam eer aandoen.’ En even verder spreekt Quevedo van Joseph Scaliger, ‘die zijn naam als atheïst wel had verdiend met zijn blasfemisch gedrag en zijn brutale, ijdele, redeloze praatjes.’

Nochtans was Scaliger één van de grote humanisten die door zijn talenkennis de bijbel kon zuiveren én begrijpen als een historisch document. Bij hem wijt Quevedo niet uit maar bij keizerin Barbara spreekt hij duidelijk van een materialistische opvatting: de ziel is stoffelijk en sterft met het lichaam af – er is geen goddelijke kern. Dat dit leidt tot misdaden, is de traditionele godsdienstige visie. Maar het is een gekende truc: men bekritiseert iets maar tegelijkertijd maakt men kenbaar dat er een andere mogelijkheid is, dat de twijfel bestaat. (De godsdienstige misdaden die ook door Quevedo vermeld worden, weerleggen het religieuze argument (geen god, geen moraal’). Zo spreekt Quevedo van Francisco Sánchez en zijn ‘Nihil Scitur’ (‘Quod nihil scitur’, 1581, ‘Dat we niets weten’) en geeft hij een exposé over wat we weten en niet weten en wat de mogelijke ontologische visies kunnen zijn. Daarbij vermeldt Quevedo Metrodoros van Chios die een scepticisme leerde en van wie Cicero ons de zinnen “Wij weten niets, nee, zelfs niet of wij weten of niet!” overleverde.

In de droom, ‘De wereld van binnen’, beschrijft Quevedo nogmaals de wereld van zijn en schijn: het leven dat geleefd wordt is een vals leven, men laat zich in met waanbeelden (het echte leven is dus een droom, in de betekenis van een luchtbel, een niet reële situatie). Nogmaals wordt hij door de hel geleid, nu door een grijsaard die hem zegt – en wat een nihilisme lijkt te zijn: ‘Weet dat wat hier gaat, niets meer is, want het was al niets tijdens het leven en in de dood is het opgehouden iets te zijn, en dat dit alles nergens goed voor is.’, waarmee bewezen wordt dat ook de hel niet is.

In de laatste droom, ‘De droom van de dood’, citeert Quevedo Lucretius, niet met zijn bekende atheïstische verzen, maar met verzen die zat van het leven zijn, die de lezer willen overtuigen dat de dood niet afschrikwekkend is. Het gaat om Boek 3, de verzen 931-939: dwaas, verlaat, zelfs na een mooi leven, gelaten dit leven en aanvaard de rust zonder zorgen. De Latijnse dichter wordt direct gevolgd door Job: Quevedo ziet een duidelijke band tussen beide dichtwerken. Een epicurisme dat gelouterd is.

Stond Mohammed bij Quevedo gelijk aan de hypocrisie, de kwaadaardigheid, het geweld en de redeloosheid, als de ultieme opponent van de Westerse waarden, zo zag Dante hem in zijn 28ste zang als een schismaticus, hij die tweedracht zaaide. Bij Dante is Mohammed nog een afvallige christen die, omdat hij geen paus werd, een eigen sekte stichtte. In de negende ring zitten de scheurmakers: hier worden de ‘zielen’ in hun lichaam door de duivels gepijnigd: in hun leven hebben ze mensen tegen elkaar opgezet, nu worden ze lichamelijk in tweeën getrokken – steeds weer opnieuw. In de prozavertaling van Frans van Dooren: ‘Nooit vertoont een vat door het verlies van middenstuk of bodemduig tot zo’n grote scheur als ik er daar een zag bij iemand die van zijn kin tot zijn aarsgat was opengereten : zijn darmen hingen tussen zijn benen, en zijn hart, lever, milt en longen waren open en bloot zichtbaar, evenals de walgelijke buidel die al het voedsel dat men tot zich neemt in drek verandert. Terwijl ik een en al aandacht voor hem was, keek hij op zijn beurt naar mij, en met handen zijn borst opentrekkend zei hij: ‘Kijk eens hoe ik mezelf verscheur! Kijk eens hoe verminkt Mohammed is!’ (Ambo-Olympus, 1998, p. 142)

Advertenties