jeroen bosch, het fladderend oog

door johan_velter

Een allesverklaarder is ook Johanna Klein die in het boek Jeroen Bosch : hemel, hel (Lecturis, 2015) een allesverklarende visie op de Tuin der lusten, dat eigenlijk de Tuin der listen zou moeten heten en voor sommigen een Tuin der folteringen is, geeft. Zo fascinerend als de schilderijen van Bosch zijn en blijven (bij gelijk welke uitleg dan ook), zo fascinerend zijn toch ook de verklaringen: hoe men element op element stapelt en een kazerne plaatst naast het werk – zelfs de kanonnen ontbreken niet, en de vijanden liggen op de loer.

Zolang men niet met esoterie, complotten en andere vrijmetselaarsdronkenschappen op de proppen komt, is iedereen welkom – iedereen kan wel een kern van waarheid bezitten. De vraag is of de schilderijen van Bosch zoals het Lam Gods van Van Eyck een synthetiserende visie vertolkte of dat het werk van Bosch eerder een samenraapsel is van situaties, standpunten, oordelen – zoals Breugel een aantal van zijn schilderijen volstapelde. Is het werk van Bosch wel zo intellectualistisch als men het ons voorstelt, of is er ook veel plezier in het fantasiespel mee gemoeid? Zo kunnen ‘veel’ taferelen gelinkt worden met spreekwoorden en telkens als men iets vindt is dit een bewijs dat Bosch in een literaire traditie stond (de ‘literatoren’ staan tegenover de ‘bijbelsen’ die in het werk van Bosch toch vooral bijbelse taferelen lezen). Maar de relatie wordt toch dikwijls te eenzijdig gezien: waarom deze metafoor uit de boeken wel genomen en een ander niet? Waarom zouden er eerst de boeken en verhalen moeten zijn en pas nadien de schilderijen? Zou het ook niet omgekeerd kunnen? Is de dominantie van het woord op het beeld een juiste visie? En zou het niet kunnen dat een aantal beelden culturele beelden waren die zowel in literatuur als in beelden een neerslag konden vinden, dat met andere woorden zowel schilderkunst als literatuur aan de uier zogen? Als wij nu naar die ene waarheid zoeken, is het omdat we weten wat heterodoxie en wat orthodoxie is, maar in de tijd van Bosch waren die grenzen veel vager – herinner u hoe Cranach zowel katholieken als protestanten schilderde. Maar ook binnen de aparte geloofsbanen was de theologie nog in opbouw, welke visie vertolkte Bosch: de oude Middeleeuwen, of het nieuwe humanisme? Hem een laatmiddeleeuwer noemen, is misschien te gemakkelijk – maar als de tijden zo onrustig waren, dan moet men niet verwachten dat een schilder rust kan brengen in de geloofspunten of de theologie zelf, misschien wilde hij alleen maar een seismograaf zijn.

Het boek van Johanna Klein is, zoals ze zelf zegt, sterk gebaseerd op The land of unlikeness : Hieronymus Bosch : The garden of earthy delights (2011) van Reindert Falkenburg. Hoofdstelling is dat het schilderij besteld werd om aan het Bourgondisch hof getoond te worden. Daar was het een waagstuk: wie zichzelf zag, kon weten welk oordeel hem wachtte. Het schilderij was tevens een weddenschap: verklaar het. Het schilderij zou besteld geweest zijn om ‘penitentie’ te doen maar diende even goed als een geheime lust. Hoe beide met elkaar verbonden kunnen worden, legt ook Johanna Klein niet uit. Het oordelend oog is volgens Falkenburg/Klein de essentie van het Bosch-schilderij: de kijker moet het schilderij beoordelen, niet de god – wat een rare conclusie is voor een schilder die geworteld is in de oude wereld. En dan zouden we het een atheïstisch schilderij moeten noemen – ware daar niet de verdoemenis na de dood.

Wat dit alles ook moge zijn, het is een plezier om auteurs te lezen die willen en kunnen verklaren (zonder dat men altijd aan alles geloof moet hechten) : iedereen werpt zijn eruditie op tafel en de lezer kan er alleen maar van profiteren, niet alleen om de verklaringen zelf, om het werk van Bosch maar ook om alles wat er mee in verband gebracht kan worden. Dan Brown is in deze zaak natuurlijk een Beëlzebub.

Het is jammer dat Johanna Klein geen vertaling van dit werk gegeven heeft, maar een interpretatie van een interpretatie. Werkelijk storend zijn de talloze schrijffouten: weer een uitgever die geen redacteur wil betalen en te slordig, te gierig en te lui is om een boek te redigeren. Sommige afbeeldingen van schilderijen zijn onscherp, men heeft blijkbaar oude clichés willen hergebruiken. Het werk wil de schilder Bosch naar de aarde terugbrengen: hij was geen esotericus of ketter maar een schilder die in de wereld leefde, opdrachten kreeg en betaald werd. Natuurlijk doet dit niets af van het werk zelf, alleen sluit dit de mogelijke interpretaties binnen grenzen in. Klein legt een verband met drolerieën in manuscripten maar het is zeer de vraag of beide beeldtalen tot dezelfde sfeer behoren : de ene zijn randfiguren, de werken van Bosch zijn volwaardige producten. Klein stelt dat de drolerieën een mnemotechnische functie hadden: dit is een wel zeer instrumentele visie op ‘volkse commentaren’ op de officiële schrijfsels. Wanneer de manuscripten naar een hoogtepunt gaan, verworden drolerieën dikwijls tot nietszeggende ‘grapjes’, terwijl het werk van Bosch niet spreekt over marges maar het duivelswerk in het centrum van de wereld plaatst. De amorfe vormen zijn zondige vormen – daarom dat Mondriaan, als antroposoof, alleen maar de rechte kende en waarom Picasso zich bevrijd heeft. De jazz van Mondriaan is op zichzelf een slechte grap, de ongebonden vormen van Picasso het leven.

Advertenties