jeroen bosch, nog

door johan_velter

pattyn_bosch_klara

Terwijl ik dit schrijf, kwebbelt Chantal Pattyn (programma Pompidou op Klara, de babbelblazender) op de achtergrond, hengelend als een hongerig beest naar roddel, met sentimenteel gedoe (‘wat was jouw trigger professor?’) en platvloersheid (‘dit is België-Nederland’, ‘wij houden van dat schilderij’), ruzie stokend. Geen enkele zin die ze uitspreekt, haalt enig niveau, is niet meer dan vulgair lawaai. Een cultuurzender. Gelukkig lacht ze zichzelf ook uit – alleen denk ik niet dat ze dat weet.

De professoren Matthijs Ilsink en Jos Koldeweij gedragen zich daarentegen als de meest nuchtere wetenschappers die durven te zeggen dat ze iets niet weten, dat we hoe dan ook weinig weten over Bosch en dat ze zich willen houden aan het rationele. Griet Steyaert wordt in het programma geïnterviewd. Ai, wat een flauwiteit – niet alleen door de nietsvragende vragen, ook door de nietszeggende antwoorden.

En hoe Chantal Pattyn de arrogantie heeft mensen te onderbreken om niets te zeggen. Oef, het programma is afgelopen, ze hoopt tot slot ‘dat heel veel vragen blijven ontstaan’, volgens Pattyn waren er 1 miljoen toegangskaarten, de professoren spreken van 100.000 kaartjes.  Ik kan nu weer genieten van Le grand macabre van Ligeti. Hoe zou Bosch Pattyn geschilderd hebben? Een opgeblazen tomaat, zwart geblakerd aan de steel? Een hongerig roofdier, de avaritia, luxuria, superbia, gula, acidia, invidia illustrerend.

De bezeten visionair : vijfhonderd jaar controverse over Jheronimus Bosch van Henk Boom (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2016) heeft een verkeerde titel, ook al gebruikt de auteur op twee plaatsen (p. 260 en 289) de woorden ‘bezeten visionair’. Nergens wordt duidelijk gemaakt wat dit woordpaar zou kunnen betekenen – integendeel, er is geen sprake van visioenen, noch van bezetenheid – het is niet omdat Bosch kennis had van geschreven visioenen dat hij die ook schilderde: schilderen is een rationele onderneming. Het boek spreekt op pagina 15 van ‘avaricia’ en ‘lujuria’, Spaans voor ‘avaritia’ en ‘luxuria’, slordigheden maar ze tonen direct het uitgangspunt van de auteur, die correspondent in Spanje geweest is. Hij kent niet alleen de Nederlandstalige maar ook  de Spaanse commentaren op Jeroen Bosch en hij heeft toegang tot museumconservatoren en politici waardoor hij ons een blik achter de schermen gunt. Het boek is journalistiek, dit betekent dat de auteur nogal wat herhaalt en geen eenheid in zijn boek heeft kunnen steken – een aantal stukken hadden ook beter in de krant gebleven. Niet omdat ze onjuist zouden zijn maar omdat ze toch te oppervlakkig zijn en te weinig concrete gegevens bevatten. De tribulaties, de ruzies (die door de bovengenoemde professoren danig genuanceerd worden  – niet alleen omdat ze een zacht karakter hebben maar omdat de museummores gerespecteerd moeten worden en ze zich ver willen houden van al het sentimenteel geleuter – zijn een onderdeel van het Bosch-verhaal maar een plaatselijke potentaat moet niet lang herinnerd worden.

Het boek van Henk Boom is een verademing om te lezen. Op een bijwijlen hilarische manier, maar bijna steeds met een ironische toets, wikt en weegt hij de vele interpretaties, de onzinnigheden, de overdrijvingen en brengt hij veel terug tot het straatniveau: dit weten we, dit kunnen we zeggen en praten is vrij. Hij beschrijft de Bosch-specialisten als een aparte diersoort: hoe ze met elkaar omgaan, hoe ze zichzelf de lucht in praten en hoe verdraaid hun denken wel is (kan zijn). En omdat we weinig weten mag er blijkbaar veel gezegd worden. Zo sprak Catherine De Zegher onlangs de onsterfelijke woorden : “Als ‘De Kruisdraging van Christus’ geen Bosch is, van wie is het dan wel?” en nu blijkt uit het boek van Boom dat ze Roger Marijnissen echoot:” ‘Maar als hij het niet heeft geschilderd, wie dan wel?’ vraagt Marijnissen zich vertwijfeld af.” De door Gent opgevoerde specialist Maximiliaan Martens wordt in het boek niet vermeld en de andere Paul Vandenbroeck wordt koudweg afgeserveerd: te ideologisch, te drammerig, te weinig rationalist – en wie zijn tentoonstellingen gezien heeft, weet hoe ongelukkig dat denken is.

Het boek rekent af met allerlei nonsens maar geeft toch ook gedegen informatie en een inzicht in hoe de reputatie van Bosch gegroeid is, wat de mogelijkheden zijn. Hier en daar geeft Boom informatie over literaire werken die Bosch als onderwerp genomen hebben, maar helaas laat hij ons toch op onze honger zitten. Merkwaardig is dat hij het meesterwerk, The recognitions, van William Gaddis niet noemt, dubbel jammer omdat de schrijver het heeft over vervalsingen, kopieën, plagiarisme en wat anderen dan authenticiteit noemen. De historie van markies De Riscal de Alegre, ‘de godfather van de riojawijnen’, (zie p. 148), zou een mooie aanleiding geweest zijn.

En uiteraard, het had niet kunnen missen, ik zat er op te wachten en als een echter Bosch-uitlegger, introduceert Henk Boom zijn ‘ontdekking’ (op het rechterluik van De tuin der lusten is niet de hel maar het vagevuur te zien) met de woorden: ‘Wat alle Bosch-kenners over het hoofd hebben gezien is dat […].’ (p. 265). Amerika! Amerika!

Advertenties