bravoure en brille

door johan_velter

henry de montherlant

Marja Pruis geeft de schrijver Nell Zink een schrobbering: ‘Tegelijkertijd toont het [een citaat] een soort ongemak, alsof de schrijfster zelf al commentaar op haar personages aan het geven is, of op de verwikkelingen. Die zelfreflectie is als een constante adem in de nek voelbaar, en breekt de roman naarmate de verwikkelingen wilder, en de personages talrijker worden, enigszins op.’ (De Groene Amsterdammer, 11-02-2016). Hier wordt, notabene in een blad voor intellectuelen, het kenmerk van het modernisme als een sta-in-de-weg gezien, want daardoor kunnen de emoties van de lezeres niet langer vrijelijk stromen. Dat er in een roman bewust geschreven wordt, dat de schrijver een lezer intellectueel wil aanspreken: wat een schande – althans volgens Niet Pluis.

In Vrij Nederland van 19 december 2015 schreef Jeroen Vullings een artikel, de redactie noemt het een essay, over de stand van de huidige roman, de titel is ‘Pleidooi voor weerbarstigheid’, een al te rare titel. Een artikel in december publiceren, in november/december geschreven, betekent uiteraard dat je een maand verliest. Maar Vullings kent niet de drie belangrijkste Nederlandstalige romans van  2015, (hij noemt zelf: Connie Palmen, Wytske Versteeg, P.F. Thomèse, Jamal Ouariachi, Stephan Enter, Inge Schilperoord, Ronald Giphart, Stefan Brijs, Arie Storm, Alex Boogers, Kristien Hemmerechts, Maarten ’t Hart, Erik Jan Harmens) te weten : K. Schippers, Niet verder vertellen ; Tonnus Oosterhoff, Op de rok van het universum en Nachoem Wijnberg, Alle collega’s dood, – drie romans die het epitheton ornans abstract verdienen – waardoor zijn ‘stellingen’ weinig zin hebben en helemaal geen bewijskracht. Zijn advies is: ‘show and tell’. Is het devies : ‘denk en schrijf’ niet beter? – waardoor het schrijven én lezen een intellectueel-artistieke daad kan zijn (geen belevenis, geen vervoering, geen consumptiedwang.

Op de radio (11/02/2016, VRT-avondnieuws) : ‘Jeroen Bosch is thuisgekomen. Hij leefde ver weg in ’s-Hertogenbosch zodat hij helemaal zichzelf kon zijn’ – de Jeroen Bosch die wij kennen is het tegendeel van  iemand die helemaal zichzelf is, integendeel, hij was de woordvoerder van een financiële en politieke machtselite, hij was een onderdeel van een vernieuwende godsdienstige stroming, zijn schilderijen waren ingebed in een oude cultuur en toch creëerde hij nieuwe vormen, en zijn woonplaats was verre van ver of afgelegen. Wat heeft een woonplaats te maken met het denken én met het ‘waarschijnlijke historische’ feit dat Bosch in Brussel aan het hof kwam schilderen én dat zijn geboorteplaats een belangrijk centrum was? In het kindertijdschrift ‘Dada’ wordt Bosch met de surrealisten in verband gebracht – kan het nog oppervlakkiger?

Wat verloren is en wat we soms vinden in de oude boeken : de autonomie van de schrijver ; het bewustzijn dat een boek een artificieel werk is ; een samenzwering van schrijver en lezer ; dat een intellectueel leven een leven in de contramine is: de enthousiaste ja-zegger bezit niet alleen de mentaliteit van de slaaf maar ook die van de slavendrijver. Het schrijven moet een schrijven aan de rand van de maatschappij zijn nadenkend over de maatschappelijke problemen. Geen entertainment: de ernst van de kunst en dus van het leven.

En nu. Een schrijfster als Annelies Verbeke (maar er zijn andere voorbeelden te geven) prijst Gent (opdat ze zelf in de prijsjes zou kunnen vallen: de ‘strafste Gentenaar’) – prijst de brute macht, de geldverkwisterij, de milieuverontreiniging, het slechte onderwijs, de luchtkastelen, de klauw van de bureaucratie op het dagelijkse leven – en onderwerpt zich. Schrijvers die de valse schijn hooghouden, die soms een woordje van opstand uitspreken, maar het is te oppervlakkig – het gaat om denkstructuren, om levenshoudingen: er ontbreekt moed en durf om de onbenullige schijn van het leven te doorbreken en aan te tasten.

« Et pourtant de la sottise avec brillant et de la sottise sans brillant, comment ne préférer pas la seconde? » (Henry de Montherlant, Les célibataires, Le livre de demain, Fayard, 1936 (1ère éd. 1934, p. 20)

« C’était la méchanceté qui le maintenait en vie, car la méchanceté, comme l’alcool, conserve. A partir d’un certain âge, chaque parole mordante prononcée, chaque lettre anonyme envoyée, chaque calomnie répandue vous fait gagner quelques mois sur la tombe, parce qu’elle exaspère votre vitalité. Cela se voit aussi chez les animaux, où une poule particulièrement cruelle, un cheval cabochard, un chien hargneux vivent plus longtemps que leurs congénères. » (p. 20-21)

« Et quelle place tiendra un individu qui est dans le siècle, qui n’a pas d’ambition et qui n’aime pas l’argent ? Ambition et cupidité sont les deux jambes de l’homme du siècle ; celui qui ne les a pas est un cul-de-jatte dans la foule. Nous, cependant, qui écrivons ceci, nous tirons notre chapeau à ce cul-de-jatte. » (p. 24)

Advertenties