kei, toen

door johan_velter

Van Henry de Montherlant «Les célibataires». Wat opvalt is het andere. Een op het eerste gezicht traditionele roman maar het toch niet is door de tussenkomsten van de schrijver, de daadwerkelijke ingrepen in de verhaalstructuur. ‘We hebben beschreven’, ‘We zullen zien’, hedendaagse schrijvers zijn beschroomd de vertelinstantie in die mate zichtbaar te maken.

Zoals zo veel Franse schrijvers, is ook De Montherlant beïnvloed door het naturalisme, niet zozeer door de simpele oorzakelijkheid maar door het besef van een klassenmaatschappij. Hij beschrijft verarmde adel die op een belachelijke manier, onmannelijk, niets doet en ten onder gaat – de leden van deze parasitaire klasse zijn al in het leven dood. Men denkt aan Rusland – toch is er een verschil. De Russische adel vegeteerde als steppegras; de oude Franse adel houdt zichzelf in stand.

Realistisch worden de figuren beschreven, niet in een week makende psychologie maar in een beschrijving van daden, beter is te spreken van handelingen want daden stelt men niet. Men overspant een leven: er is een geboorte, een middenleeftijd en een sterven.

De onsentimentele behandeling van de materie en de romanvorm is opvallend. Er is een afstand tussen onderwerp, schrijver en lezer: drie punten die slechts via een onpersoonlijk ding in aanraking komen. Een verademing is het zich niet te moeten ‘inleven’, geen verbinding te moeten aangaan. We lezen een boek als een ding, het dringt zich niet op: het boek als kei.

Tegelijkertijd is er een anekdotiek die verouderd aandoet, het tot in details beschrijven van houdingen, voorwerpen waardoor de stijl beeldend en plastisch is – zo verschillend met de belangrijke romans die nu verschijnen, die, in navolging van de «nouveau roman» maar meer nog abstracte romans genoemd kunnen worden. Niet zozeer meer een typische mens uit een typische klasse in een bepaalde tijd op een bepaalde plaats maar eerder de universele mens: nu spelen de uiterlijke, materiële omstandigheden een veel kleinere rol: of iemand nu een arme jeugd gehad heeft of niet, is onbelangrijk geworden (wat wel belangrijk is, is de ‘beleving’ van die tijd). Het gaat ook niet meer om een leven of een gebeurtenis maar om een plaatsbepaling in de wereld, het universum – de politieke tendensroman valt onmiddellijk door de mand als zijnde achterhaald, een oude, voze vorm die niets te zeggen heeft aan ons – over ons is een andere zaak. De abstractie toont zich ook omdat geloofszaken geen kwestie meer spelen, het vraagstuk is opgelost. Hoogstens zouden we nog een stuk als »Marat/Sade« van Peter Weiss kunnen verdragen. Als een allochtone schrijver zich wil manifesteren door over de islam te schrijven, verbant hij zichzelf naar de kinderliteratuur.

De beschrijvingen zijn nooit glad. De Montherlant schrijft over figuren die nu niet meer beschreven kunnen worden, niet omdat ze niet meer bestaan, maar omdat ze letterlijk buiten de tijd staan. Een zeventigjarige oude man die maagd gebleven is? Nee, in een wereld waar seksualiteit beschreven wordt als zaligmakend en als essentieel voor het mens-zijn kan een dusdanig type niet meer bestaan in de collectieve verbeelding van de maatschappij. Of dat iemand tegelijkertijd het goede en het slechte doet, ook dat is onbeschrijfbaar geworden. Hoe ingewikkeld de tijd ook is, het moet simpel en bevattelijk blijven. De abstracte roman wil een oplossing hebben en bieden, is daarmee toch een tendensliteratuur, er wordt een theoretisch probleem voorgelegd, terwijl De Montherlant toch voornamelijk het leven wil beschrijven, een getuigenis van de mens wil afleggen en daarmee een humanisme toont dat levendig is.

Daardoor is de oude roman op een andere manier universeel: van het particuliere gaat men over op het algemene. De een ziet in de crimineel het model van de mens, de ander gebruikt daarvoor een simpele boer maar elk wil in de beschrijving van het concrete een algemene menselijke wet tonen (of zoeken en vinden). De abstracte roman daarentegen vertrekt van een ander niveau, zelfs als er van een individu vertrokken wordt, dan nog is die abstract getekend als iemand zonder banden met het materiële. In de oude roman wordt geschilderd, de details, de omgeving worden kleurrijk weergegeven, het gelaat wordt minutieus gepenseeld. In de abstracte roman weet men soms niet of het personage groot of klein, dik of dun is – men zal zeggen dat dit niet belangrijk is, dat de lezer zich dat zelf moet voorstellen – lap, daar heb je weer de beleving. Maar juist in de opstelling wat al dan niet belangrijk is, toont zich een verschil in houding en dus in resultaat. De schildering door de Montherlant van de twee vrijgezellen is genadeloos – en we weten dat dit geldt voor alle personages, dus ook voor ons: in het allerparticulierste worden we gegrepen en het algemene getoond. Alles is voos. Hij toont ons niet slechts de aristocratie, de nieuwe bankier, de nieuwe jeugd maar ook ‘het volk’ in al zijn afschrikwekkendheid, vuilheid, stompzinnigheid en regelrechte slechtheid. Ook dit laatste is wat verdwenen is: het morele vraagstuk, het indelen van de wereld in goed en slecht. Bij de Montherlant wordt de wereld getoond zoals ze voor hem is: bevolkt met idioten. In de hedendaagse roman (niet alleen in de abstracte maar ook in sentimentele romans à la Saskia De Coster) is er geen sprake meer van een morele distinctie: het ethische denken is uit de wereld verdwenen en vervangen door functionalisme of door verontwaardiging, heksenjacht en op de eigen borst klopperij. Men zoekt niet langer de mens, men heeft dus ook geen lamp meer nodig.

De schrijver is als mens aanwezig. Zijn observaties worden beschreven in puntige zinnen, zoals de traditie van de Franse moralisten het oplegt. Er is geen vluchten mogelijk: de schrijver zal niet zeggen dat zijn personage X of Y zegt maar dat het niet de schrijver is die dit zegt. De schrijver staat voor zijn zaak, hij durft en neemt verantwoordelijkheid op. De stijl is niet afstandelijk maar betrokken en bewasemd met schrijf- en denkplezier. Het schrijverschap is niet een ‘moeten’, een ‘ik kan niet anders’ maar een métier dat ernstig genomen wordt. Vakmanschap, geen oppervlakkige ‘bevlogenheid’. Geen interesse in de mens (de psychologie) maar een beschrijving van wat de mens is. De Montherlant is een schrijver die boeken schrijft, terwijl de tweederangschrijvers een boek schrijven om een schrijfster te zijn.

Dezelfde beweging is er op een andere manier. De Montherlant beschrijft de wereld niet om tot die wereld te behoren maar om afzijdig te staan. Hedendaagse schrijfsters willen in het leven staan – maar hebben bijzonder weinig verstand van ‘het leven’. Ook de abstracte roman staat anders tegenover de materie en de wereld : er is een afstand die betrokkenloos is. Er is geen moraliteit maar enkel een intellectueel probleem dat bovendien als een louter technische zaak wordt voorgesteld. Er wordt een sociologie bedreven op de wijze van een manager: wat op papier staat, heeft geen uitstaans met de werkelijkheid en er is ook geen behoefte om door het raam te kijken. De schrijver heeft zich als mens getransformeerd : hij is geen moralist want hij leidt zelf. De hedendaagse schrijvers hebben daarom ook geen uitstaans meer met de waarheid. Als de Montherlant in 1941 durfde te schrijven dat het normaal was dat de Duitsers de oorlog aan het winnen waren omdat het Duitse leger nu eenmaal sterker was dan het Franse, dan was dat ongehoord – maar hij durfde te schrijven zonder rekening te houden met de omstandigheden. Welke schrijver van vandaag durft tegen de wereld in te gaan, durft een waarheid te zeggen die nu niet aanvaard wordt maar waarvan iedereen weet dat die waarheid van vandaag morgen een leugen is? Michel Houellebecq is zowat de enige die harde waarheden durft te zeggen (maar een ouderwetse romankunst beoefent) – de rest (beter : velen) vlucht in konijnenpijpen.

Advertenties