malheur – malchance

door johan_velter

emile-cioran_photo dr

Niet alleen moet men de romans en verhalen van Christophe Van Gerrewey zorgvuldig lezen, zijn essays/besprekingen over en van het werk van anderen eveneens. Alleen is het jammer dat zijn verzamelde essays Over alles en voor iedereen : 50 essays zoals die zijn uitgegeven door ‘Le tout petit de jadis d’Anvers’ en vormgegeven door Herman Houbrechts, een zoveelste Gert Dooreman-kloon, volstrekt onleesbaar is. Of: een ergerlijk voorbeeld van hoe een uitgever denkt dat een boek slechts een product is dat als een oud, verschrompeld wijfje staat te gillen om aandacht en daarom maar lollikleurige kleren aangetrokken heeft. Geen enkele bladzijde geeft rust, laat de lezer toe aandacht te hebben. Op een opdringerige, arrogante en irritante manier willen uitgever en vormgever dat er enkel naar hen gekeken wordt. Beiden gebruiken de schrijver als iets dat geld opbrengt.

Hoe anders is het doctoraat van Van Gerrewey uitgegeven. Hier is een naamloze vormgever aan het werk gegaan (‘Cultura (Wetteren)’), het boek is uitgegeven door A&S/books, en alles ademt stilte en is dus een bewijs van intelligentie. Het doctoraat handelt over de architectuuropvattingen van Geert Bekaert maar is ook te lezen als een gebruiksaanwijzing bij het werk van de auteur zelf. Architectuur, een gebruiksaanwijzing : theorie, kritiek en geschiedenis sinds 1950 volgens Geert Bekaert – en geef aandacht aan de volgorde van de woorden, is een verwijzing naar Georges Perec maar toont een manier van kijken, denken en schrijven die misschien wel geïnspireerd is door het werk van Bekaert maar toch ook de opvattingen van de schrijver zelf weerspiegelt.

Wie zou er in een doctoraat durven schrijven dat hij iets wil verhullen, in plaats van te onthullen?  Van Gerrewey doet dit door te verwijzen naar ‘pauzes’ tussen de elementen, door het aangewezene onbesproken te laten, door een gedachtegang te construeren die bijna particulier is en daardoor naar Adorno verwijst maar toch boudweg in de publieke sfeer een weg zoekt. Er is ook een constante, gewilde, verwarring: wiens woorden en ideeën worden weergegeven: die van Bekaert of die van Van Gerrewey? Het schrijven is niet zozeer een subject dat een object ontleedt maar wel de wandeling van twee subjecten die in een voortdurende dialoog met elkaar staan. Komt daarbij dat beiden grote cultuurkenners zijn en dat er op een bedachtzame manier geschreven wordt.

Christophe Van Gerrewey opent dat doctoraat met een citaat van Cioran: « C’est un véritable malheur pour un auteur que d’être compris. » Zijn bibliografische verwijzing is : ‘Valéry face à ses idoles’, in Œuvres (Parijs : Gallimard, 2011), 1174’. Dit is de zin waarmee het opstel (uit « Exercices d’admiration » (in de Quarto-editie van 1995 op p. 1560) opent. En Cioran zegt dat dit het lot van Valéry is, het opstel rekent met de bloedeloze af: « L’effort de se définir soi-même, de s’appesantir sur ses propres opérations mentales, Valéry l’a pris pour la véritable connaissance. Mais se connaître n’est pas connaître ; ou plutôt n’est qu’une variété du connaître.» Cioran verwijt Valéry slechts te spreken over een abstract ik, hij mist de vuiligheden van het zelf.

In bijna dezelfde bewoording schreef Cioran over Joseph de Maistre in zijn « Essai sur la pensée réactionnaire » maar dan in omgekeerde zin: De Maistre ontsnapt wel : « Certains de ses exégètes mirent, non sans regret, sa sincérité en cause, alors qu’il eussent dû plutôt se réjouir du malaise qu’il leur inspirait : sans ses contradictions, sans les malentendus qu’il a, par instinct ou calcul, créés à son propre sujet, son cas serait liquidé depuis longtemps, sa carrière close, et il connaîtrait la malchance d’être compris, la pire qui puisse s’abattre sur un auteur. » (Fata Morgana, 1977, p. 11). En ook hier is het de vraag : schrijft Cioran over Joseph de Maistre of over zichzelf?

Advertenties