jacques rivette, een tafel en emil cioran

door johan_velter

jacques rivette_paris nous appertient

Charles Péguy zei: «Paris n’appartient à personne», Jacques Rivette draaide de film «Paris nous appartient». Het is echter de vraag hoe ernstig de titel is : het verhaal is immers het tegendeel van een overwinnaars- of een zekerheidsmoraal. Beter is het te spreken van een film over de mislukking – een in de jaren 50 geliefkoosd thema (de film is eind jaren 50 gerealiseerd maar is pas in december 1961 in roulatie gekomen). Samuel Beckett, Bram van Velde.

De film begint met beelden van een naïef meisje, een student letteren, ze citeert verzen van Skakespeare uit ‘The tempest’ (I, 2), Ariel zingt:

Full fathom five thy father lies.
Of his bones are coral made.
Those are pearls that were his eyes.
Nothing of him that doth fade,
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.
Sea-nymphs hourly ring his knell
[…]

De banale dood wordt voor een ander een ontdekkingsreis, een initiatie. De student komt bij kunstenaars terecht en er is het verhaal van Juan die zelfmoord gepleegd heeft – maar men denkt uiteraard dat er ook iets anders speelt. De groep bestaat uit kunstenaars, aanverwanten en politieke vluchtelingen. Paris was toen wat Brussel in de 19de eeuw was: een vluchtoord voor politiek vervolgden. Paris was ‘overspoeld’ door Spaanse revolutionairen, republikeinen die de moordzucht van Franco en zijn trawanten, gesteund en gezegend door de katholieke Kerk, ontvlucht waren.

Maar anders dan men zou denken (en wat nu gebeurt, hier in Europa), wordt dit milieu niet van buitenaf geschilderd maar wordt het verhaal vanuit het ‘andere’ standpunt verteld. Eenzelfde perspectief hanteerde Henri de Montherlant in zijn « Le chaos et la nuit » (1963) en ook hij deed dit zonder verfraaiing of sentiment : de helden zijn geen helden. (Het standpunt van Willem Frederik Hermans is niet uniek en paste in een wereldbeeld.) Geen enkele schrijver durft dit standpunt aan – gewend als ze zijn de macht naar de mond te spreken.

De helden van Jacques Rivette lijden aan paranoia, achtervolgingswaanzin en denken zich groter dan ze zijn. De mythe van de Spaanse verzetsheld is slechts een verhaaltje en een alibi om niets te moeten doen, om te doen alsof de dingen belangrijk zijn, een excuus voor het drinken, het geweld en het lanterfanten. ‘Alles wordt vernietigd’, ‘iedereen wordt gecontroleerd en verwordt tot een machine’, het zijn de echo’s van het zwarte existentialisme: de ondaad wordt gerechtvaardigd door een gemakkelijk doemdenken.

Maar ook de autochtonen lijden aan een vals heldendom. Er is een theatergroepje dat ‘Pericles’ van Shakespeare wil spelen, een stuk dat nauwelijks aan elkaar hangt en waarover gediscussieerd wordt hoeveel Shakespeare dit wel bevat. Om gaten te vullen wordt de regisseur naar het einde van de film uitgenodigd om dit stuk in een gevestigd theater te spelen – wat uiteraard ook mislukt: er moeten te veel concessies gedaan worden. Werken in de marge lukt niet, maar in het centrum staan ook niet.

En er zijn de relationele problemen: er is geen enkel ‘normaal’ koppel, ieder probeert, ieder vergeet. Soms zijn er tijden dat men bij elkaar blijft maar de verhoudingen zijn steeds ongelijk: de een te dom, de ander te dominant, enzovoort.

Maatschappelijk is er het verlies: er is de dreiging van de katholieke, franquistische dictatuur maar ook die van de atoombom, de algehele ondergang van de wereld. Men leeft in afwachting van de apocalyps.

Ook intellectueel is er sprake van een verlies: de taal kan de waarheid, de werkelijkheid niet meer bevatten. Er moet gezwegen worden en als er gesproken wordt, dan enkel in raadsels, in diepzinnigheden die dat misschien wel niet zijn. Er is een intellectueel deficit. In de film wordt een fragment van Fritz Lang getoond. De titel daarvan is ‘Babel’. Je moet de wereld niet begrijpen, je moet alleen maar doen alsof.

Men leeft niet authentiek, men doet alsof men kunstenaar, zakenman, gelastigde, acteur is. Er zijn geen vaste rollen: elk draagt een masker en uiteindelijk blijkt het hoofdpersonage, het naïeve meisje, nog het authentiekst te zijn: zichzelf. Ook al krijgt zij op het einde alle schuld te dragen – wat een verwijt en geen realiteit is- : in haar zoektocht naar iets bovennatuurlijks, naar het sublieme heeft zij de dood van haar broer op haar geweten maar heeft ze ook alle valse pretenties ontmaskerd. Is de zoektocht dan vergeefs geweest?

jacques rivette_paris nous appertient_emile cioran.png

In het begin van de film, wanneer het meisje voor het eerst kennismaakt met de alternatievelingen op het atelier van een schilder (Claude Chabrol geeft een prachtige imitatie van Frank Vande Veire, (en Jean-Luc Godard speelt later een interessante terraszitter), spreekt men over de dood van Juan. Men veronderstelt dat hij niet gewoon werd aan Paris. Of beter, zegt de schilder, aan bepaalde Parijse kringen ‘van anarchisten en mislukkelingen’. Een man aan de tafel, hij heeft een blad papier en een boek voor zich, ziet er vermoeid uit. Een denker, een schrijver. Hij kijkt op en zegt: ‘Jullie weten niet wat een revolutie is.’ ‘En de Commune’?, repliceert een ander. De schilder (en we horen weer één van die talloze half begonnen, niet afgesloten conversaties): ‘Hou je mond toch. Als je straks teruggaat,…’ De filosoof: ‘Geen zin.’ De schilder: ‘Geen zin? Je bent toch Roemeen?’

Door de voetnoot, de tafelgenoot, wordt een verklaring en een standpunt gegeven. Die man aan de keukentafel is (geïnspireerd op) Emil Cioran, een banneling. We zien de eeuwigdurende angst. De horror.

Advertenties