niet bidden – huilen

door johan_velter

andre gide_la symphonie pastorale

Een laatste zin kan als een gongslag luiden. De auteur verheft het niveau van het verhaal, de anekdote, naar een abstracter niveau. De uitspraak komt voort uit het verhaal, maar zegt ook iets over de mens in het algemeen. Andere auteurs, daarom niet van minder pertinente boeken, blijven bij het verhaal zelf, een straat, een kamer, een gebaar.

De laatste zinnen van een boek zijn als de dood voor een mens. Maar vergelijk deze uitspraak niet met muziek waar nauwelijks een muziekstuk bestaat waar het slot meer dan een cliché is, daar is de gongslag al te letterlijk: fanfare of ‘uitstervende klanken’. Of laten we minder streng zijn en zeggen dat de laatste, de volgende woorden en daden van een mens het vroegere in een juist daglicht komen te stellen.

Bij André Gide lezen we als laatste zin van zijn novelle « La symphonie pastorale » : « J’aurais voulu prier, mais je sentais mon cœur plus aride que le désert. »

Het verhaal, dat zoals bij Gide altijd geen verhaal is maar een uiteenzetting van een probleem – ook dat is een verlies in de huidige literatuur waar de tijdsproblemen geen weerklank of voedingsbodem vinden : wat daar te lezen is, is het moeras van de psychologie en de maatschappelijke problemen worden herleid tot een armzalig sentimenteel ik dat geen verband heeft met het denkniveau van de rationele mens –, is een anekdote, een vergissing. Een dominee, een protestantse herder, vindt bij een stervende vrouw een wezen dat nauwelijks mens is (in de filmversie is Michèle Morgan te oud om geloofwaardig te zijn). Hij neemt haar op in zijn huisgezin, zijn vrouw is tegen: zij vertegenwoordigt de rationele, protestantse, strenge, wettische moraal, maar onder zijn handen (na advies echter van een dokter met achttiende-eeuwse ideeën) groeit en bloeit dit wezen tot een denkende, voelende, gelovige en jubelende mens. Zelfs haar blindheid kan geopereerd worden: wat haar tot een volledig menselijk wezen brengt – ‘en dus’ de dood, want dit verhaal is ook een herneming van de zondeval. Maar er zijn gevoelens: in de loop van het verhaal, dat als een dagboek gepresenteerd wordt – oh er zijn Vlaamse ‘literatuur‘wetenschappers’’ die zich hierbij de haren uit het hoofd rukken: ‘het is géén dagboek!, het is géén dagboek!, de schrijver speelt vals, hij volgt mijn definitie niet’’ – , blijkt hoe de opname van dat vreemde wezen een poging is te ontsnappen uit de beklemming van het huisgezin, het huwelijk en het gemeenschapsleven: de rede is niet voldoende, het hart heeft zwaarder wegende redenen. En hij wordt verliefd op het meisje dat door sommigen als een Ophelia gezien wordt en door anderen als een Galatea, een te boetseren figuur, uit ongeordende massa wordt schoonheid gecreëerd. De oudste zoon van de dominee, Jacques, is heimelijk verliefd geworden op Gertrude, het meisje, de vader ontdekt dit en ontsteekt in woede: de concurrent. Zelf is hij, zoals zijn vrouw hem verwijt, blind. Jacques gaat theologie studeren, Gertrude wordt genezen van haar blindheid en ziet Jacques: hij is haar man, niet de vader. Dit besef, dit inzicht, verplettert haar en ze wil zelfmoord plegen – Gide laat haar nog toe te spreken op haar stervensbed. Zij kiest tégen hem en voor zijn zoon. Net als Jacques heeft zij zich tot het katholicisme bekeerd. De dominee verliest in één klap twee personen. Het einde van het verhaal is dat hij voor zijn vrouw op de knieën valt, haar vraagt te bidden, wat ze ook doet. Ze bidt het ‘Onze Vader’ maar wacht na elke zin om verder te gaan: « […] mais en mettant entre les versets de longs silences qu’emplissait notre imploration. » en dan volgt de laatste, eerder geciteerde, zin.

Contextueel klopt deze zin en is dit een donderslag: het rationele protestantisme geeft zich over aan de god, het is het hart dat zwijgt en niet kan spreken, geslagen en stom ligt de dominee op de grond. Josette B. Ashford verklaart dat « le ‘je’ termine son journal dans la plus grande détresse spirituelle. […]. Toute la tragédie de la Symphonie pastorale est ainsi causée par l’aveuglement du pasteur sur les sentiments qu’il éprouve pour sa jeune protégée. » (« De la concordance d’un texte littéraire à l’analyse du mythe», Revue Informatique et Statistique dans les Sciences Humaines, Liège, 1984, XX, 1-4, p. 11). Door niet zelf te kunnen bidden, stelt de dominee zich buiten de eigen godsdienst : de menselijke theologie, het hart, werd afgewezen door de anderen (ook door diegene waarop hij verliefd is) en daarvoor is in de plaats gekomen het katholicisme van zijn zoon en de strenge, rationele geest van zijn vrouw. Hij is niet langer geborgen in de warmte van het geloof. Als het hart alleen gelaten wordt, is er geen troost – ook geen godsdienstige.

Maar op het niveau van de zin, klopt het niet. Het tweede deel spreekt immers van de droogte van de woestijn – en dat doet denken aan de jaren die Christus in de woestijn doorbracht waar hij, vooraleer de mensen te ontmoeten, zijn eigen demonen moest overwinnen. En in die woestijn werd er duchtig gebeden.

De « Bibliothèque de la Pléiade » is een prestigieuze reeks: hier worden de groten (zogenaamd groten, soms) opgenomen in de eeuwige Franse cultuur en aldus geconsacreerd de wereld aangeboden. De boeken worden uitgegeven door specialisten (zie de laatste roman van Houellebecq), er zijn inleidende teksten, bibliografische nota’s en verklaringen. Tegelijkertijd blijft dat werk ook beschikbaar in afzonderlijke uitgaven, al dan niet als  « Livre de poche » of « Folio ». (Een gelijkaardig model zou ook in het Nederlandstalige gebied kunnen werken: laat Van Oorschot alle verzamelde werken, i.s.m. de eigen uitgeverij van de schrijver, uitgeven in dundrukedities en laat de oorspronkelijke uitgever dat werk afzonderlijk beschikbaar houden. Nu worden die werken uitgegeven in al te dikke en dure banden (zie Boon, zie Hermans, zie Reve) die te veel plaats innemen en een groot deel van het publiek bezit al veel boeken van deze schrijvers in de afzonderlijke uitgaven. Men kan geen planken reserveren voor het werk van 1 schrijver.) Voor wetenschappelijk werk baseert men zich op de verzamelde werken (omdat dit immers gemakkelijk te raadplegen en te controleren is) en niet op een toevallige editie van een bepaalde uitgave (die te veelvoudig zijn). Een eerste uitgave kan uiteraard ook gebruikt worden maar in het geval van André Gide is dit problematisch omdat veel eerst als privé-druk verschenen is.

Dat André Gide nog steeds tot de groten gerekend wordt, tonen de verschillende Pléiade-uitgaven aan. Ik citeerde uit de editie 1969 (oorspronkelijk 1958): « Romans, récits et soties : oeuvres lyriques », met de introductie van Maurice Nadeau en « notices et bibliographies par Yvonne Davet et Jean-Jacques Thiery ». In 2009 verscheen een nieuwe editie, nu 2 delen « Oeuves complètes », onder redactie van Pierre Masson, m.m.v. Jean Claude [et al.]. Ook in deze uitgave begint de laatste zin met « J’aurais voulu prier, » en dat is ook zo in de Pléiade-uitgave van 1984, dus nog de Nadeau-uitgave, een andere editie van 1958. De Pléiades geven dus allemaal ‘prier’ – veronderstellen we zonder alle edities gezien te hebben.

En toch is deze zin fout.

De novelle eindigt niet met « J’aurais voulu prier, » maar wel met « J’aurais voulu pleurer, » waardoor de interne coherentie van de zin juist gezet wordt. Zo overstijgt deze zin het theologische en persoonlijke niveau van de vertelling. Niet is het nog de godsdienst en het wankele huwelijk dat de dominee doet vertwijfelen maar de vertwijfeling is een diep-menselijke afgrond waar het vocht, de levenssappen zijn opgedroogd. Gide schetst ons de oppositie tussen het individu en de gemeenschap: hoe de wet, de mens die zijn hart volgt, vermorzelt. En het gaat niet alleen om een weg, dus het handelen, maar ook om het zijn zelf. Toch kan men zich indenken dat de schrijver getwijfeld heeft tussen pleurer en prier.

De eerste uitgave van «La symphonie pastorale» verscheen in het door André Gide gestichte tijdschrift « La Nouvelle Revue Française », 7e année, n° 73, nouvelle série, octobre 1919 (p. 726-773) en n° 74 (novembre 1919), p. 916-941. De laatste zin spreekt van «pleurer», niet van «prier». Het eigenaardige is nu dat alle uitgaven die ik her en der raadpleegde van het juiste «pleurer» spreken. Men kan de onjuiste zin, met « prier », niet als een inhoudelijke of ideologische vervalsing beschouwen want het niet kunnen bidden in die context is een kaakslag voor de godsdienst en die god die dat onmenselijke als wet stelt – ook al zijn het mensen die tégen het hart en voor de wet kiezen. Zo spreekt een 21ste druk (Editions de la NRF, 1921) van « pleurer », zo doet ook de vroege A.A.M. Stols-uitgave van 1930 dat, of de Folio-uitgaven van 1982, 2001 of 2008 waarbij deze laatste steeds verwijzen naar het Gallimard-copyright van 1925. Er zijn bij Gallimard dus twee ‘uitgeefwegen’: die van de klassieke boeken met de Pléiade-uitgaven en die voor het volk met de ‘«Livre de poche»- en «Folio»-uitgaven – waarbij het volk de juiste versie krijgt, de wetenschap een onjuiste. En ook Jef Last vertaalde deze zin als ‘Ik had willen wenen, maar mijn hart was droger dan de woestijn geworden.’ (‘Verhalend en essayistisch proza, alsmede een uitgebreide keuze uit Journal/Correspondentie en andere werken’, Heideland, (Pantheon der winnaars van de Nobelprijs voor Literatuur), p. 139)

gide_symphonie pastorale_stols
De laatste tekstbladzijde van de Stols-uitgave, The Halcyon Press, Maestricht, Bruxelles, 1930, een editie beperkt tot 185 exemplaren, waarvan dit exemplaar behoort tot de 15 op Japans surnacré.

Het eigenaardige is dat er verwezen wordt naar een 1925-uitgave maar dat die niet vermeld wordt in de bibliografische notities van de Pléiade-uitgave: er is in 1925 geen nieuwe editie van « La symphonie pastorale » verschenen (wel een herdruk, zie BnF). Een aanduiding van waar de bron van deze fout waarschijnlijk te situeren is, is het eerder geciteerde artikel van Ashford. Zij citeert namelijk uit de ‘Oeuvres complètes d’André Gide’ uit 1935, een uitgave van NRF gedurende de jaren 1932-1939, 15 delen onder redactie van Louis Martin-Chauffier. Daar lezen we in het negende deel op p. 54 « J’aurais voulu prier, ». Volgens de wel zeer beperkte notities (p. VII) is deze uitgave van « La symphonie pastorale » gebaseerd op de NRF-editie van 1919 – wat dus onjuist is.

Geloof niet het klassieke, steun op het onooglijke van het volk.

Advertenties