à la mi

door johan_velter

alamire_ms 1926_fol 2_kbr

De verweking van vormen. In de Antwerpse kathedraal liep een tentoonstelling over de Alamire-handschriften, een resultaat van een samenwerking tussen de ‘Alamire-stichting’ (men noemt zichzelf ‘foundation’), de Stad Antwerpen, de KBR, KMSK – niet min, zou je denken. Toch bleef ik op mijn honger en trachtte die te stillen met het boek ‘Meerstemmigheid in beeld : zeven meesterwerken uit het atelier van Petrus Alamire’ (Davidsfonds, 2015). En ook dan: dezelfde onbestemdheid.

Het gaat natuurlijk over muziek maar muziek die getoond wordt – in boeken. Het atelier Alamire (Alamire is het ‘pseudoniem’ van Petrus Imhoff ( ? -1536) (en moet begrepen worden als ‘à la mi re, de muzieknoten) die ooit buitenlid geweest is van de ‘Illustre-Lieve-Vrouwe Broederschap van de Sint-Janskerk’ in ’s Hertogenbosch – het is verbazingwekkend dat niet vermeld wordt dat hij daardoor tot dezelfde sfeer behoort als Jeroen Bosch (1450-1516)) heeft verschillende muziekboeken samengesteld en geïllustreerd. In de kathedraal konden de boeken bekeken worden, was de uitleg minimaal, klonk de muziek hemels, werd ik die dag van het bezoek bijna omvergereden door AMVK, hoog gezeten op haar fiets in een hemelsmariablauwe mantel – wat is Paulus daarmee vergeleken een schamel figuur, en werden schilderijen getoond die bij god onmogelijk met die manuscripten in verband gebracht konden worden.

Het boek van het Davidsfonds is zoals bijna altijd bij die uitgeverij veel te zwaar op veel te blinkend papier gedrukt, grote bladzijden met veel herhalingen van beeld om toch de indruk te geven dat er van een boek sprake is – maar geen gedegen uitleg over de boeken zelf en nauwelijks iets over de prenten, de miniaturen en de drolerieën – die toch opvallend zijn maar dan in de negatieve betekenis. De uitgave van ‘Openbaar kunstbezit’ is beter, daar legt Paul Vandenbroeck in zijn eigen wazige stijl uit wat het verband tussen miniaturen en schilderijen is – geen, zo blijkt uit zijn tekst: omdat Maria wordt afgebeeld, daarom ook een Maria-schilderij; de volgende keer kan hij zich beter beperken tot een kleurboek. Is er dan echt geen intelligent curatorschap meer mogelijk? Ook hij verklaart niet (of wijst niet op) wat men kan zien: de tekeningen in de marge en zelfs wordt er nauwelijks iets over de miniaturen zelf verteld.
De miniaturen in de handschriften zijn helemaal niet van zo’n hoog niveau als men ons wil doen geloven: de techniek van de houtsnede is onder de kleuren al te zichtbaar. Waar een schilder nuances via kleurschakeringen kan leggen, doen de Alamire-meesters dit via een onderschrift van arceringen. Ook de menselijke figuren zijn niet erg elegant weergegeven: veelal gedrongen en de gelaatsuitdrukkingen zijn bijna steeds karikaturaal. En dat zijn ook de drolerieën.

Vanaf het einde van de 13de eeuw begonnen er in de marge van de handschriften vreemdsoortige wezens te verschijnen, antropomorfe dieren, symboliek en verzuchtingen. We kunnen die lezen als een kritiek op de macht van de kerk en de adel, maar ook als satire op menselijke verhoudingen, de liefde, de jacht, de nonnenzucht, er waren ook meer onschuldige taferelen als het kinderspel, de deugnieterij, de muziekmakerij. Toch verbaast ons nog steeds de tegenstelling tussen enerzijds de ‘gewijde’ teksten en miniaturen en daartegenover de soms boertige, koddige schetsen van het echte leven. Voor onze ogen zijn dit twee onderscheiden werelden, te meer omdat heel veel drolerieën nauwelijks een verband lijken (leken) te hebben met de hoofdtekst en een eigen verhaal leken te vertellen.

alamire_ms 15075_fol 42v_kbr

De Alamire-handschriften bevatten vooral religieuze muziekstukken – maar ook liefdesliederen en die staan dan pardoes naast het heilige. De versieringen zijn overvloedig maar niet krachtig. Hier zien we het eindpunt van een evolutie : de drolerie is verworden tot versiering, de loutere decoratie heeft de kracht van de onrust verloren. De vormen worden weliswaar overgenomen, bijvoorbeeld een slak als hoofddeksel, maar de (verborgen) betekenis is verloren gegaan en als ze niet verloren gegaan is, heeft ze toch geen functie meer. De slak stond voor het vrouwelijk geslachtsdeel, vandaar de jacht op de slak, maar dat een man het geslacht op zijn hoofd draagt, kan misschien koddig lijken maar is toch vooral Romain Deconinck-humor en dus zouteloos en belegen – niet te verwonderen dat het Gentse stadsbestuur hem wil eren : een ongevaarlijke entertainer. De tekeningen staan ook niet meer in de rand als een commentaar maar maken integraal deel uit van de beeldpagina: wat ooit een opstandige vorm was, humor, is nu verworden tot een element van goedzakkerij (het midden) – opvallend toch hoe deze figuren de Vlaams-nationalistische Tijl Uilenspiegel tegemoet zien. En zo blijken tentoonstellingen en teksten rond deze handschriften ook slechts een afgeleide te zijn van wat had kunnen zijn maar niet is: historische kennis, gedegen onderzoek en scherpzinnig kijken.

De kunst heeft het hier ook afgelegd: alle figuren lijken op elkaar, de kunstenaars hebben geen inspiratie meer – juist omdat ze enkel aan decoratie doen: hun fantasie is opgedroogd. Ook de vegetatieve vormen zijn flauw en zouteloos geworden, het zijn maniertjes geworden die braaf zijn, waren er toen al kleinburgers dan was dit kleinburgerlijke durf. Dit alles is des te verwonderlijker als men dit vergelijkt met de nieuwe verbeelding die Jeroen Bosch in zijn werken tentoonspreidt – ook hij werkt voor koninklijke hoven, ook hij behoort tot het hof, ook hij was een welgezetene. Maar bij hem kwamen de drolerieën niet tot een weke vorm, integendeel het leek of hij die zelf uitgevonden had. Zo zou het kunnen blijken dat de drolerieën van de Vlaamse handschriften in een andere rivier een bedding gevonden hebben dan die bij Jeroen Bosch – de Vlaamse, een heidens-Romeinse; de Noord-Nederlandse een katholieke, gevoed door de angsten van de Nieuwe Devotie.

Advertenties