een doosje, slechts

door johan_velter

Van Barthélemy d’Eyck ‘De profeet Isaiah met boeken’ (1445), maar we zouden ook zijn ‘Portret van de profeet Jeremiah’ kunnen tonen, beide luiken van het schilderij ‘Aix-annunciatie’. Statige figuren, rijkelijk gekleed, met boven hen de attributen van kennis, rijkdom en godsvrucht.

doosje_barthélémy d'  eyck_drieluik_iaix-annuciatie_1445

Het paneel boven Isaiah bevindt zich als afzonderlijk schilderij in het Museum Boymans in Rotterdam, de ‘beschrijving’ van het schilderij luidt aldus: ‘Stilleven met verschillende open en gesloten boeken liggend op een plank in een nis. In het midden een pennenkoker, rechts een ronde en een rechthoekige doos. Bovendeel van de [sic] linker zijpaneel met de profeet Jesaja, in het Museum Boijmans-Van Beuningen te Rotterdam. Het rechter zijpaneel bevindt zich in het Koninklijk Museum voor de Schone Kunsten [sic] te Brussel, het middenpaneel met de verkondiging is [sic] in de kerk Ste. Madelaine in Aix-en-Provence.’
(https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-2399 ).

doosje_francesco codino

Van Francesco Codino een ‘Stilleven met mand met fruit en een gouden plateau’ (ca. 1620) uit Bergamo. De rijkdom van de exotische vruchten, het edelmetaal, de overheersing van het geel dat hier de zonnewarmte moet evoceren, hier en daar een rode gloed: het kloppende hart van het leven. Een stilleven?

doosje_georg flegel_1610

Van Georg Flegel een ‘Kabinet met bloemen, fruit en drinkbekers’ (ca. 1610) in het Nationaal Museum van Praag. In een donkere nis zijn verzameld blinkend glas, rijkdom van metaal en bloemen, dranken die exquis zijn, tekenen van overvloed en het goede leven want deze schilderijen bevatten niet de hoofdbestanddelen van de toenmalige maaltijden maar tonen luxe, ‘overbodigheden’, fijnsmaken.
De titels die aan de schilderijen toegekend zijn, zijn niet de oorspronkelijke maar zijn zo genoemd door kunsthistorici om het ene van het andere werk te onderscheiden. Ze tonen ons dus ook een beeld van de ogen van de tijd. Ze zeggen wat men belangrijk vond en wat onbelangrijk is, wordt niet benoemd, is vulling, overbodigheid. Toch is het ‘dat andere’ dat ook charmeert, de doosjes. Oh, Freudiaans zouden we kunnen zijn en allerlei diepzinnigheden en verborgenheden des levens kunnen benoemen, maar nee, de dozen zijn de dozen.

doosje_barthelemy d'eyck_stilleven met boeken in een nis_1442-1445

Het bovendeel van het d’Eyck-schilderij is misschien een van de mooiste stukken. De boeken liggen kriskras door elkaar, ze worden gebruikt, het ene boek ligt open, in het andere steekt een bladwijzer uit, van een ander boek is het slot open – een manier van met boeken omgaan dat nu niet meer begrepen wordt: eerst een boek moeten uitlezen, daarna pas het andere beginnen. Rechts bevinden zich twee dozen. Het bovenste heeft een schuifdeksel, zo bestaan er nu nog dozen waarin schaakstukken bewaard worden. Of enkele decennia geleden hadden leerlingen zo’n pennendoos. Daaronder een ronde doos, een soort kleine klinknagels houden de vorm rond.

doosje_jean-siméon chardin_table d'office, musée louvre

Ook Jean-Siméon Chardin heeft stillevens geschilderd, soms somptueuze tafels, soms een enkel stuk maar altijd met een aandacht voor de dingen zelf. Bij hem baden de schilderijen niet in het licht, er zijn duistere hoeken, daartegenover is er een veel grotere zinnelijkheid, de oppervlakte is niet glad en egaal maar geleefd en gebutst. Het schilderij ‘Table d’office’ toont een overweldigend aantal voorwerpen, hier overheerst het wit het centrum, de doek mag bij de Bourgondische schilders nog de maagdelijkheid van Maria verbeelden, in de achttiende eeuw is een doek al veel meer een doek. Ook hier hebben we quasi in het verborgene een doos waarin wie weet wat geborgen zit.

Nee, niet alles verdwijnt. De populier is niet de machtige boom van de dichters, hij schiet omhoog, hij ruist, hij verliest gemakkelijk bladeren en zijn takken breken bij elke windvlaag. Gerard Manley Hopkins dichtte “All felled, felled, are all felled;”, een gedicht dat meer over de mens dan over de populieren ging. Jan Van Nijlen hoorde in het ruisen een “lied van verlangen en nood” (‘De populier’ uit de bundel ‘Het oude kind’, 1938). Hij vergelijkt de dans van de populier op een bijzondere, treffende en verrassende manier (dit laatste ook omdat het Jan Van Nijlen is) met de eeuwige figuur van Alfred Jarry, de boom die als hij bloeit “zo gek doet als koning Ubu”.

doosje_nu

Deze boom is de mens nabij, niet alleen als boom. De boom is niet eeuwigdurend want de leeftijd is niet zo hoog en de soort wordt nu ook bedreigd – zijn wortels hebben een vochtige grond nodig. Zijn opbrengst is groot. Vroeger werden de bomen langs de akkers en beken geplant om de wind te breken, de grond te verbeteren, om bonenstaken te geven (soms, bij gebrek aan beter). Het hout is ‘gemakkelijk’ te manipuleren en dient voor snel gebruik. Klompen, gebruikskistjes. Houten luciferdozen, waar zijn jullie gebleven? En houten lucifers (niet het karton van tegenwoordig) die nog echt konden branden en een geur gaven die beloften inhielden. En nee, niet alles verdwijnt. Nog worden de Franse kazen in doosjes van populierenhout verpakt, steeds weer de verbazing over de perfectie ervan, de vorm. Nu worden ze gelijmd, soms met nietjes in vorm gehouden. Maar ze zijn er nog. De achteloosheid echter waarmee ze snel verdwijnen terwijl ze voedsel beter bewaren dan plastieken dozen. – En dat de vijftiende eeuw in de kleine dingen voortleeft.

Advertenties