ongeloof (3)

door johan_velter

battling the gods_tim whitmarsh_sfcdt

‘Battling the gods’ van Tim Whitmarsh is ook een droevig makend boek, niet alleen omdat de godsbewijzen en -praktijken van vandaag dezelfde zijn als honderden jaren geleden, ook omwille van de verloren tijd, de verloren levens, de vernederingen en de pijn. Was het denken maar aards gebleven, was de metafysica maar geen dominant denken geworden, waren de machtsstructuren met pausen, kardinalen en managers maar vanaf het begin in de kiem gesmoord – klonk het lachen van De Lamettrie maar in elke kamer van elke tijd van elke plaats.

De clichés overspoelen ons. Zo ging jarenlang de mare dat in een goddeloze wereld de kunst de rol van de godsdienst zou overnemen – altijd een grap gevonden. Kunst kan ook zonder god of godsdienst bestaan – kunst moordt niet, kan alleen maar de macht welgevallig zijn – zie daarvoor het hedendaags museumbeleid. Niet de godsdienst heeft een band met de kunst maar wel de verhalen over de goden – door de veelzijdigheid van de verbeelding is het absolute van de godsdienst niet door kunst te vervangen.

De Griekse godenwereld droeg in het verhaal zelf een mogelijk ongeloof in zich – net zoals het christendom in de mystiek de ontkenning in zich meenam – door de almacht van de goden te beperken – de goden hielden zichzelf in evenwicht. Een wereld zonder goden was voorstelbaar want ze bezaten geen almacht, er was een voortdurende wedijver: de befaamde theomakhia – waarvan de Engelse titel is afgeleid maar ook ruimer begrepen wordt. De verbinding tussen wereld en godenwereld was daardoor complexer dan in de monotheïstische godsdiensten – er was niet een uniek heilsmoment, de goden konden dagelijks interfereren, ook lijfelijk. Er waren ‘menselijke’ figuren die een onzekere status hadden: was Asklepios een god, een held of een mens?

De rol van de filosofie heeft Griekenland een uniciteit gegeven. Het wijsgerige denken over natuur, wereld en mens was nooit door de staat aangedreven, de godsdienst stond los van het rationele denken. De pre-socratici hebben een denkniveau bereikt dat eeuwen later nog steeds geen gemeengoed zijn: het Westen is in sommige aspecten inderdaad het verhaal van een teloorgang. Het voorname was dat zij de antropoïde goden vervingen door abstracte concepten (het veel latere, befaamde ‘deus sive natura’ van Spinoza) die gedacht, bekritiseerd en vervangen konden worden : hier is de beschaving begonnen omdat de mens zichzelf kon corrigeren. Ook het materialisme was een onderdeel van dit revolutionaire denken omdat materie tast- en zichtbaar is (ook toen was energie echter al een probleem) en dus onderzocht kon worden – want gekneed. Deze gedachten over natuur en kosmos werden op het menselijke handelen toegepast en dus werden de waarden en normen ter discussie gesteld – dit maakte een relativisme mogelijk en dit alles was slechts mogelijk omdat de maatschappelijke structuur van de stadsstaat dit toeliet: het zijn de maatschappelijke structuren die het denken en de moraal vormen en beheersen – de huidige politiek in het Westen is daarom ook een anti-politiek: men heeft het handelen en denken verlaten.

En om de argumenten van de eeuwige menselijke natuur of van het geloof dat eeuwenoud zou zijn, helemaal onderuit te halen, herinnert Tim Whitmarsh er ons aan dat de Grieken hun honing uit het Nabije Oosten gehaald hebben en het met Thales is dat een radicaal materialisme gereconstrueerd kan worden. Het is een van de mooiste bewijzen dat het Verlichtingsdenken gelijk heeft : het rationele denken is een universeel denken dat losstaat van culturele en machtsinvloeden. Tegelijkertijd een loflied op de verscheidenheid, niet de vermenging, wel de beïnvloeding, niet de vernietiging.

Zelfs het godsdienstige denken was in het Griekenland van weleer (van weleer) intelligenter dan wat nu, in de 21ste eeuw, voor godsdienst doorgaat. Niet alleen kon men metaforisch lezen, ook besefte men hoe de goden naar het beeld van de mensen werden gemodelleerd en dat die goden tot abstractheden konden teruggebracht worden. De grote schrijvers, Aristophanes en Euripides, hebben het andere denken zichtbaar gemaakt – misschien ook wel een glimp laten zien van het eeuwige ongeloof van het volk. Religieus denken was een poging om een orde aan te brengen – en wanneer die poging een fout leek, werd een andere methode naar voren geschoven. Thucydides was daarbij belangrijk: de goden werden zelfs niet langer metaforisch begrepen; deze categorie was simpelweg overbodig om mens en kosmos te begrijpen.

De Grieken toonden de goden op het theater: als de goden zich als mensen gedragen, zijn het mensen, geen goden – merkwaardig hoe het goddelijke zich in het Westen niet op het toneel heeft durven vertonen. De niet-afbeelding is daarmee een aanduiding van het dictatoriale. Het beeld, de spiegel, toont een bevrijdende weg. Whitmarsh toont aan hoe de vermenging van godsdienst (zelfs een polytheïsme), wet en imperialisme een kruitvat kan zijn – en daar verschijnt dan ook Plato, de held der metafysici, de filosoof van de censuur, de achteruitgang, de lieveling der gelovigen.

De derde periode, de hellenistische, heeft de grondslagen gelegd van het centralistisch rijk van de Romeinen en van het uniekdenken. Toch zijn er ook dan nog tegenstemmen geweest: de stoa (alhoewel zeer gelovig kan men, mits verder denken, een andere weg dan de platoonse inslaan), de cynici, de sceptici. Met Klitomachos hebben we dan de filosoof die het atheïsme als een coherent systeem heeft uitgebouwd. Rome nam nadien de macht over en de idee dat de macht een goddelijke missie te vervullen had, nam bezit van de geesten : ‘In the worlds of archaic, classical, and Hellenistic Greece, religion was never a driver of historical events. No war was even fought for the sake of a god, no empire was expanded in the name of proselytization, no foe was crushed for believing in the wrong god. Political and military decisions were made for human reasons and analysed in those terms.’ (p. 193). Maar zelfs deze houding kon aanleiding geven tot een ongeloof: de god trad nu immers in dienst van de machthebber, de aardse macht kwam hoger te staan dan de goddelijke.
Toch is het maar met de achttiende eeuw dat het atheïsme een maatschappelijke kracht geworden is – in de Klassieke Oudheid was er geen collectief ideaal van vernieuwing, voortdurende transformatie. Dit idee is de modernistische beweging die uniek en onbegrijpelijk is voor andere cultuurvormen waar politiek en religieus absolutisme samengaan. Toegeven in deze materie is onszelf terugvinden in het duister van het knechtschap.

Advertenties