ongeloof (2)

door johan_velter

Het Westen gelooft in vooruitgang (‘het zal nog erger worden, dit is nog maar een begin’) en juist dat geloof werpt het achteruit. Door de opname van islamisten wordt het secularisme – en dus de democratie – onmogelijk gemaakt, ook de dagelijkse relaties tussen mensen worden verziekt. Omdat vrouwen aangeraden wordt ‘een armlengte’ afstand van mannen te nemen, wordt dit een defaulthouding tegenover iedereen en worden vrouwen, indien ze dit niet doen, met de vinger gewezen als de aanstootgevende. Omdat er geen ‘aanleiding’ mag gegeven worden, omdat er niet geprovoceerd mag worden, gaat het leven verder alsof er ondergedoken moet worden – de publieke ruimte is niet langer een vrije, de medemens is per definitie een verrader en erotisme wordt een misdaad. Man en vrouw komen weer tegenover elkaar te staan als het brute beest tegenover bambi. Dat een zogenaamde ‘glossy’ als ‘Mohammed’ stelt dat het de islamisten wil leren zich niet als een beest op de vrouw uit te leven, is een regelrecht racistische en seksistische uitspraak – net alsof de vrouwen geen seksualiteit hebben, alsof er geen Oosterse erotiek bestaat, alsof mannen de hele dag als een bronstig varken rondlopen. Als er gesproken wordt van plichten, en rechten als een overbodige luxe gezien worden, wees dan zeker dat er alleen nog plichten overblijven. Er is een klimaat geschapen waarin het idee van oorlog genormaliseerd wordt. Schande spreekt men van Charlie Hebdo als een cartoon, die de godsdienst ridiculiseert, gepubliceerd wordt – vergetende dat het anti-godsdienstige de Westerse cultuur gebouwd heeft. De geesten moeten geknecht worden – het vrije denken is een gevaar voor de legen. Het is duidelijk dat de conservatieven de mogelijkheid die door de terreur van de islamisten geschapen is zullen aangrijpen om het eigen programma door te voeren: de westerse reactie heeft in het islamisme een bondgenoot. De angst voor de massa, het volk, de jeugd, de godsdienstwaan die nu tentoon gespreid wordt om niet te moeten reageren op het onmenselijke is dezelfde angst die het nazisme vrij baan gegeven heeft. De godsdienstkritiek wordt afgedaan als een racisme: wat progressief denken is, wordt getransformeerd in conservatief. Newspeak.

Maatschappelijke corruptie leidt tot intermenselijke corruptie. De slechte mens is het gevolg van slechte denk- en maatschappijsystemen.

Dat het ernst is, bewijst in overduidelijke mate het lot van de ons bekende (maar er zijn die vele onbekenden) Ashraf Fayadh – ook dat het ‘wir haben es nicht gewuβt’ onmenselijk is.

Tim Whitmarsh toont in zijn ‘Battling the gods : atheism in the ancient world’ aan hoe grote cultuur een humanistische is – en nog: hoeveel godsdienstige, proseletische kunst heeft de eeuwen doorstaan? Nauwelijks een prent, nauwelijks een bladzijde. Zelfs een Rubens heeft de triomf van het leven bezongen, zelfs hij liet zich inspireren door de klassieke oudheid. En de schilders die de heiligen die in een kluis een teruggetrokken leven leidden, schilderden, hebben zich ‘slechts’ meester gemaakt van een dominante beeldcultuur om een menselijk verlangen (weg van de leugen en de massa) vorm te geven. Ook een Erasmus, een Rabelais, een Shakespeare – misschien is Dante de enige uitzondering – hebben het seculiere, het menswaardige verwoord: de groten van de christelijke cultuur kunnen even goed tot herauten van het menselijke uitgeroepen worden. Dit is geen ontkenning van het christelijke maar een nuancering: veel van wat nu als geloof geïnterpreteerd wordt, bezit minstens aan seculier aspect. De vraag die ook Whitmarsh zich stelt is in hoeverre ‘het volk’ meeging in de ideologie die overgeleverd is. Hij wil de ‘modernistische mythe’ ontkrachten: het ongeloof is niet ontstaan met het modernisme, noch bij het volk, noch bij de intelligentsia.

Men mag de Griekse godsdienst niet gelijk stellen met andere geloofsinhouden. Op de eerste plaats kenden de Grieken een polytheïsme die sterk afhankelijk was van de geografische plaats. Er was dus geen eenheid zoals de katholieken die door de eeuwen heen opgebouwd hebben – maar ook zij slaagden er niet in het polytheïsme volledig te verbannen. Bovendien had de godsdienst een totaal andere functie (maar ook dat is lang in het katholicisme zo gebleven): het priesterschap was geen roeping maar een functie. De godsdienst had niets te maken met het wettelijke maatschappelijke kader. Dit betekent dat het geloof niet het maatschappelijk leven kon binnendringen : de argumenten werden niet uit de religie gehaald, wel uit het functioneren van de stadsstaat. De wereld en het denken bevonden zich op aarde. ‘This meant that for much of Greek antiquity atheism was not treated as a heretical position, the ‘other’ of true belief ; it was seen rather as one of the many possible stances one could take on the question of the gods (albeit an extreme one).’ (p. 26-27).
Het boek van de Grieken was de ‘Homeros’ en deze verhalen konden geen aanleiding geven tot moord en doodslag – ook al waren de onderwerp gewelddadig. ‘But the central point is that we should not expect the transcendent power and morality of the gods of Judaism, Christianity, and Islam. The gods of the Greeks are grounded in the lived reality of the world.’ (p. 33). De Ilias en de Odyssee verhaalden wel wat het goede leven is: kleine leefgemeenschappen waar de een de ander genereus en respectvol behandelt. Het is een merkwaardige paradox dat in de huidige samenleving waar het tellen zo’n rol speelt, het kwantitatieve element in de maatschappij geen rol mag spelen – terwijl iedereen weet: nataliteit overspoelt de wereld.

Toch wisten de Grieken ook dat niet alle teksten ‘realistisch’, feitelijk gelezen moeten worden: de allegorische lezing kan juist mensen bevrijden. Zo werden de homerische godenverhalen gelezen als manieren van denken over de fysieke wereld – de dichters werden niet bedolven onder een eenzijdige waarheidsvinding. Nog veel minder behoefte had men er aan om morele lessen te trekken. Wat de verhalen te vertellen hadden waren de regels van een samenleving van mensen: laat de ander gerust, doe geen kwaad, zorg voor de vreemde. Als Marilynne Robinson in navolging van zoveel anderen in de simplistische reeks ‘De goddeloze samenleving’ van De Groene Amsterdammer (17/12/2015) laat opschrijven ‘De christelijke ethiek druist lijnrecht in tegen wat wij beschouwen als de menselijke natuur. De eersten zullen de laatsten zijn, geef aan wie vraagt, keer de andere wang toe, oordeel niet.’ dan is dit een pretentieuze leugen: net alsof andere samenlevingen alleen maar op zichzelf gericht waren, net alsof er maar 1 universele ethiek zou bestaan – maar ze maakt wel duidelijk hoe dat geloof lijnrecht tegenover het Verlichtingsdenken staat dat de menselijke natuur juist wel als bron van goedheid, mededogen, schoonheid en kennis ziet. Whitmarsh maakt duidelijk dat het ontbreken van een heilig boek de grote cultuur van de oudheid heeft mogelijk gemaakt – doordat er geen vastgelegde waarheid was, kon de mens zijn eigen wereld exploreren. Er was geen angst voor blasfemie – wat nu aan het begin van de 21ste eeuw wel opgelegd wordt. Het degressieve denken.

Advertenties