armando (4) – gedicht

door johan_velter

armando_wasser

Er zijn wel meer dichters die over kunstenaars schrijven, toch zijn er maar weinig die over levende dichten en dat doen vanuit het standpunt van de ander, niet in een poging zich te hechten aan de beeldende locomotief of integendeel de beeldende kunstenaar onder te brengen in de kooi van de eigen woorden of blindheid. Frans Budé is één van de weinige kunstenaars die op een ruimharige manier in dialoog gaat met het werk van anderen, die met dichtersogen het werk wil bekijken niet om zichzelf maar om het werk. In zijn laatste bundel, ‘Achter het verdwijnpunt’ (Meulenhoff, 2015) heeft hij een reeks gedichten met de titel ‘Armando uitgelicht’ opgenomen. Zes gedichten die bij specifiek werk van Armando geschreven zijn en eigenlijk moet je de werken zien om het werk van Frans Budé nog hoger te schatten want al vertrekt hij van Armando’s werk hij gaat een eigen weg, hij vervolgt zijn eigen poëtica maar ook zonder het werk van Armando te verraden of zelfs te verlaten. Hij voegt een poëtische waarde toe waardoor dit werk tot het oeuvre van Armando gaat behoren én er bovenuit stijgt. Hoe meer er geschreven en gedacht wordt, hoe rijker de cultuur wordt.

Frans Budé is een soepele dichter, daarmee bedoel ik dat hij zijn instrument, de taal, volledig beheerst en naar zijn stem kan zetten. De zinnen zijn nooit ‘bedacht’ in die zin dat de dichter gewild dichterlijk of schrijverachtig wil zijn, maar het zijn vloeiende waterlijnen die samen een klaterende beek in lentefris groen vormen. Bij hem heb je geen hortende stoten, geen valkuilen, de witruimtes zijn geen putten maar stilte, waar gekeken, gedacht én gesproken kan worden. Ademen om te leven. Er is een kracht van beelden : de manier waarop hij een idee kan uitwerken en tot het einde toe kan vasthouden, is bijwijlen adembenemend. Het lijkt alsof de dichter de dingen niet maakt maar van de sterren ontvangt en slechts moet opschrijven in woorden wat reeds als goud en zilver op het blad ligt. Maar ook dat is al te dwaas: de dichter ontvangt niet; het is de dichter die aandacht heeft en daardoor geeft.

Er is een lyrische wind, Budé durft verder te gaan dan de hedendaagse kneuterigheid van puistjes, gordijnen en geweewee. Hij neemt de poëtische middelen ernstig maar hij kneedt die tot zijn eigen materiaal, een buigzaamheid die steeds weer verrast. Hij schrijft poëzie die aangenaam om lezen is, gedichten die ook de stem verdragen. Nee, dit is geen spektakelpoëzie maar ernstige kwaliteit waar een bescheidenheid spreekt maar die trots is, rechtop loopt, niet gebukt gaat onder aan gevoelens die aangepraat zijn. Budé lijkt daarmee aan de rand van de hedendaagse poëziewereld te staan – die plaats draagt hij ook met trots – alhoewel hij door heel veel collega-dichters in hoge mate geapprecieerd wordt.

De gedichten evoceren de Armando-wereld maar maken die lichter, in tegenstelling tot veel critici die Armando enkel nog met oorlog en geweld kunnen associëren gaat Budé een werkelijke dialoog aan. Hij doet dit door te verwijzen naar die Armando-thema’s (dood, zigeunermuziek, bos, water, wiel, ladder, lichaamsdelen) maar hij toont ze breder, hij gaat ermee aan de haal en maakt daardoor het werk van Armando opener, lyrischer. Waar Armando de karigheid in zijn poëzie opneemt, neemt Budé juist de vol- en veelheid op, bij hem is er dus een sensuelere poëzie te lezen waar meer zintuigen hun recht opeisen. Budé beklemtoont daardoor het colorisme van Armando, de Armando die kunst maakt, dus een esthetische waarde verdedigt.

armando_leiter

Het gedicht bij het werk ‘Leiter’ is daarvan een sterk voorbeeld. Waar Armando de onaangedane speelt, hij die haast emotieloos een figuur schildert of schrijft, een situatie vastlegt of evoceert, belaadt Budé het beeld van de ladder met een vloed aan emoties – maar Budé is een dichter die zich beheerst en zichzelf meester blijft waardoor de emoties een rijkdom worden die niet alleen spreken maar ook huilen en vragen en wijzen maar waardig blijven. Deze emoties maken het beeld van Armando nog sterker dan het al is. Mooi is hoe hij in de derde laatste regel een echo laat klinken van de Armando-regel (uit ‘Waarom’) ‘De zon werpt de warmte naar beneden’ en hoe hij zijn eigen grondpoëtica laat meeklinken in de laatste woorden ‘steen en leem’.

Ladder, waar leid je heen? Neem mijn gevoelens
van angst mee, til me boven de gruwel om ons heen,
de monsters die ons naar het leven staan, ze deugen niet
in dit kamp, scheren onze haren af, nemen het licht
uit onze ogen. Laat van boven hoop en warmte op ons
neerdalen – de dood heeft hier geen kleren aan,
draait stijf zijn rondjes op vloeren van steen en leem.

In het gedicht bij de prent ‘Wasser’ neemt Budé niet alleen dit werk van Armando tot onderwerp maar hij schetst een natuurlyriek die vol leven en beweging raakt – de manier waarop hij die vloeibaarheid evoceert, toont zijn meesterdichterschap. Bij dit werk schrijft hij een anekdote die al snel in een geabstraheerd beeld overgaat en dan tegelijk de genoegens van de zintuigen binnenhaalt waardoor er een openheid gecreëerd wordt – ook dat is wat het werk van Armando zo gevoelig maakt. Net als Armando laat hij de natuur hier een menselijke rol spelen, maar toch is er een groot verschil – waar Armando de eenzaat is, is Budé de man die mensen opzoekt, die het kwade weet maar het kwade buitensluit, het goede omhelst, het goede binnenschrijft – en ook in de laatste regels van dit gedicht kunnen we een verwijzing naar een regel van Armando zien (‘De droom raakt de lange horizon / en tilt de hemel op.’).

Als een blad neerdaalt midden in het zwijgen, water
zich samentrekt en weer uitvloeit, als een bos
het duister afschermt, een bronstig hert vervaagt
in gedempt licht en druppels schuchter beginnen
aan een eentonig vallen zonder zich te schikken
naar strak staande waterplassen. Als de rots gestreng
zijn rug recht voordat hij de avond omhelst,
verguld met zichzelf tijd in handen krijgt die hij
openbreekt en uitzet ver het landschap in, dan,
ja dan, verwijdt zich het ogenblik, schuift de horizon
de zee vooruit, verspreidt een geur van zout en zand.

Beelden: Wasser, Leiter, foto’s Post + García (Maastricht). De prenten van Armando zijn gemaakt met de carborundum-techniek. Op de website van de galerie wordt dit uitgelegd als : ‘Carborundum is na diamant de hardste stof en wordt in grafische ateliers gebruikt om lithostenen te greinen, dat wil zeggen ruw te maken. Ergens in de experimentele zeventiger jaren besluit iemand in Parijs om dit materiaal op plexiglas aan te brengen – aanvankelijk met vuur, later met lijm – en met deze plaat te drukken op dik handgeschept papier. De carborundum-techniek is geboren.’ Die ‘iemand in Parijs’ is, Henri Goetz, nog leerling van Ozenfant geweest, medestander van Christian Dotremont, onderwerp van de eerste film van Alain Resnais, man van Christine Boumeester die zelf een vriendin van Francis Picabia was, enzovoort. Net als Bohumil Hrabal: de vijfde verdieping. Zou de ambachtsman geen naam mogen hebben – de anonieme mens heeft toch geleefd, ‘iemand’ bestaat niet.

Advertenties