armando (3) – gedacht

door johan_velter

armando_das tier_2005

Stel u voor: u leest gedichten van Armando zonder iets van de dichter of de schilder te weten, u leest zonder ook maar iets te weten over cultuur, kunst en dus menselijk gedrag en denken. Onmogelijk. U zou natuurlijk geen Armando lezen want er zou geen Armando zijn. Er is geen kunst zonder andere kunst. Helaas zijn er wel ‘intellectuelen’ die het niet-denken tot denken verheffen – zij, de hogepriesters van de vernietiging, het anti-Westers kakelen, het anti-intellectualisme, de verdedigers van de terreur, de terroristen die de Grieks-Romeinse cultuur ontkennen, de verheerlijkers van de dood.

Het werk van Armando draait om het weten, de status van de kennis. Hij verbindt dit met het zien (een intellectueel kijkt en ziet – dát is het relevante verschil) (vooral het zien: Armando is een kunstenaar) en in het knooppunt tussen de twee is zijn oeuvre te situeren. Er is enerzijds de natuur, anderzijds de mens: hij verknoopt beide gegevenheden: de natuur wordt een moreel systeem opgelegd; de mens is een biologisch wezen waar geen moreel oordeel over te vellen valt. Maar omdat Armando een cultuurwezen is, komt het menselijke (de kunst, de moraal, het weten) toch via een omweg in zijn oeuvre terecht. Het oordeel wordt geveld via de natuur. Het oeuvre van Armando kan daarom enerzijds als emotieloos gezien worden en anderzijds als beladen, ja zelfs bijna onderuit gegaan, met en door het morele, dus het intellectuele en de drang naar schoonheid – wat door sommigen dan weer als romantiek wordt beschouwd maar natuurlijk teruggaat op de klassieke kennis. Vandaar ook de teruggetrokkenheid van Armando, zijn onaangedaanheid, niet wat men dan noemt een onverschilligheid, wel een superieure geesteshouding – laat de prutsers prutsen.

Het beeld: een reportage op de Nederlandse televisie, jaren geleden, Beatrix was zoveel jaren koningin of iets, Armando als nationale kunstenaar speelt ook een rol. Samen met de koningin of wat die functie ook betekent doet hij een rondgang langs kunstwerken, bij zijn schilderij aangekomen bekijkt hij een vierkante centimeter en raakt die aan. Het oog van een levenskunstenaar, een gebaar van tederheid.

Bij hem geen metafysische principes, geen hoog geroep over kunst, taak en mens, geen metafysisch geleuter maar: de dingen. Zoals Barbara geen chansons zong, kunst of wat dan ook maakte, maar ‘quelques petits zinzins’ zong. Ook Armando, bij hem geen grote woorden maar dat betekent niet dat er niet met ernst geleefd wordt, dat wat gedaan en gemaakt wordt niet met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gebeurt. Zich van de wereld afkeren om in de wereld te zijn.

Hoe wraakroepend is dan niet de manier waarop de laatste bundel van Armando, ‘Waarom’ (Koppernik, 2015), is uitgegeven. Als men dan toch een grensoverschrijdende onverschilligheid tegenover geschreven en gedrukte cultuur heeft, waarom dan nog boeken uitgeven? Het binnenwerk getuigt van slordigheid en denigrerende onverschilligheid. De omslag, blauw op blauw gedrukt (moge de vereniging in actie schieten : https://sfcdt.wordpress.com/2015/04/16/de-vereniging-ter-bestrijding-van-in-blauwe-inkt-gedrukte-boeken-meldt/ ) getuigt van anti-intellectuele leegte – want geen inspiratie, geen zin, geen maat. De titelpagina is bijna erger, de gedichten zijn gezet alsof een Word-document onbewerkt bij de drukker is afgeleverd.

Dit staat in contrast met wat Armando de uitgeverij en ons geschonken heeft. Het Armando-universum. Er is een bewustzijn, bijna een over-bewustzijn, dat de wereld in ogenschouw neemt en geen oordeel velt door een oordeel uit te spreken maar wel door een verband te suggereren, door de dingen naast elkaar te plaatsen. Het werk van Armando bestaat juist niet uit fragmenten maar uit collages: hij brengt dingen samen. Hij doet dit ook in zijn schilderijen: een vlag is nooit een vlag alleen (zoals een hoofddoek ook geen stuk textiel is) maar staat symbool voor een idee, een belang, een onderwerping, een triomf. De vlag van Armando toont de verschrikking zonder de verschrikking te moeten tonen. Het werk is suggestief – en de lezer/kijker is daardoor ‘medeschuldig’ want hij kijkt niet onbekommerd of onbelemmerd: hij kijkt via de geschiedenis, via het weten naar het werk. Maar, zoals Armando zelf zijn werk geduid heeft, het weten is nog niet het begrijpen en daartussen hangt het oeuvre (en is daarmee een anti-expressionisme) als een ‘Fremdkörper’ : het weet niet in welke richting te gaan. Het is getuige van radeloosheid maar ook van een intelligente onverschilligheid : het weet dat de mens niet al te veel moet tussenkomen omdat het precies daardoor zal mislopen. Zoals we weten, wij die door klungels misregeerd worden.

Maar tegelijk zal Armando tegenwerpen dat de vlag een stuk doek is, dat het werk een schilderij en dus verf is, dat er enkel sprake is van materie – die spreekt en weerspreekt. (En hoe we ons steeds concentreren op de figuren, dat wat herkenbaar is maar niet zien welke colorist Armando is.)

Uitgebreid gelezen, is het oeuvre van Amando een reflectie over natuur en cultuur, zie daarvoor bijvoorbeeld de prent ‘Das Tier’ of het beeld: onvermijdelijk zien we in dit beest geen dier maar wel een mens én toch ook een dier, het everzwijn, een dier uit oertijden waarmee de kunstenaar ons het beeld van de eeuwige natuur geeft. Maar er is ook het rad of het wiel, een terugkeer van de seizoenen, een eeuwige verbeelding van hetzelfde. Tegelijkertijd spreekt Armando niet van de onaangedane natuur want er is steeds een vermenging met de cultuur. Armando verheerlijkt dit laatste niet, hij dehumaniseert niet, integendeel, wie leest, leest een krachtig verzet tegen het geweld en voor het humane.

armando_das tier_2005

De oorlog is een constante bij Armando, hij spreekt over geweld, wapens, de vijand. Maar bijna altijd moeten we dit symbolisch lezen als de krachtlijnen in het leven én in de cultuur. De oorlog is wat er gebeurt binnen de samenlevingsvormen maar is tevens een natuurfenomeen, het kenmerk van wat leeft. De oorlog is er – en dat dit niet aanvaard wordt in deze genoegzame wereld, duidt op de levensvijandigheid van wat ooit de linkse intelligentsia geweest is. En tegelijkertijd, zie de volgelingen van Jünger-Chantal Mouffe, worden de oorlog en het geweld tot de conditio sine qua non van het menselijke gerekend – wat uiteraard hun antihumanisme uitmaakt. En dat is wat Armando niet doet – de eeuwige verwarring: het onderwerp met de maker gelijkstellen.

Waarover Armando spreekt, is toch ook over het leven: de verwarde mens die de dingen rondom zich ziet en niet duiden kan ; hoe hij de dingen weet maar niet begrijpt ; hoe hij de leegtes tastbaar weet zonder die te kunnen of willen opvullen. De beelden van Armando zijn ongewoon en toch herkennen we ze als cultuurgegevenheden maar daarom begrijpen we het geheel nog niet: de delen zijn meer dan de som, niet door de optelling maar wel door de gaten die in ons bewustzijn geboord worden: ‘Ze hebben de wolken beklommen / en hun ijzer naar boven gejaagd’ combineert het poëtisch beeld van de wolken, de (jacobs)ladder en het ijzertijdperk dat nog steeds bestaat. Er is in de combinatie een onheilspellend maar ook een licht element dat door het klimmen met elkaar verbonden wordt.

Er moet niets gebeuren of zijn bij Armando om een dreiging te doen ontstaan : alles kan getuige zijn. Kijken is schuldig zijn want daardoor ontstaat medeplichtigheid en is toch ook een vorm van samaritaans mededogen : die meerduidigheid vormt bij Armando het interessante – en het is waar dat er een overwicht van het duistere is. Maar vergis u niet, er is meer licht in dit werk dan gezien wordt – zie daarvoor bijvoorbeeld een reeks schilderijen van Armando waarin hij een Watteau-sfeer toont of vergelijk dit werk met dat van Kiefer: deze laatste borstelt en cementeert zijn werk dicht waardoor hij een totale fascistoïde claustrofobie oproept – bij Armando gebeurt dit nooit, er is een spel van licht en donker: alleen al daarom toont Armando zich intelligenter dan de bombastische wagneronzinretoriek van Anselm Kiefer.

armando_am fenster_2013

Er is zeker een band met het existentialisme, vergelijk het gedicht ‘Duisternis’ met de Lucebert-regel ‘schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’ (‘ik tracht op poëtische wijze’):
Lang geleden
gleed de maan langs dode takken,
de stralen werden zojuist verhoord,
er zijn geen akkers meer,
de glans heeft zich versproken.

Achter het hek
hangt de stille duisternis.

Ook hier zijn er weer dichterlijke beelden (de maan, de akkers, de glans) die echter op een afdoend a-poëtische manier aangewend worden om een beeld van de 20ste en 21ste eeuw te geven, tegelijkertijd wordt de oude poëzie vernieuwd. Er zijn adjectieven maar die worden spaarzaam ingezet om de efficiëntie van de beelden en de woorden op een onopvallende manier te kunnen weergeven. Armando stelt twee menswijzen tegenover elkaar: de horizontale en de verticale, de materiële en de ideële. De tweede staat voor het geweld die de mens op de ander uitoefent maar kan ook als een middel tot ontsnapping gelezen worden – de ontsnapping kan echter even goed een gruwelweg voor de ander zijn.

Het gedicht ‘Godin’ valt op omdat Armando hier niet meer op een abstracte manier over het leven en de wereld spreekt maar concreter wordt. Hij spreekt over ‘het portaal der duizend zuilen’ (waarbij dit laatste element zelfs naar Palmyra kan verwijzen) en hij spreekt de ‘godin der moedelozen’ aan, Pallas Athena, de godin van oorlog, maar ook van vrede, de kunsten en het leven. Bij haar komt men wachten: op bescherming, zekerheid, veiligheid, overwinning, ernst en genezing. Zij heeft gevochten, verzorgd en kwaliteit geboden. ‘Godin, / u schijnt geleefd te hebben.’

Er is in het werk van Armando ook veel uitputting, moeheid van het leven en de anderen, een verlangen naar stilte en duisternis. Men leest het niet maar er is veel zachtheid in dit oeuvre, niet die van de valse ideologie, de vale standpunten, de leugens van de lafheid maar van het leven, de zorg, de medemenselijkheid. Een koele liefde, ontdaan van sentimenten en daardoor ‘echt’. Het gedicht ‘Lente’ is bijna een ontkenning van Armando, een gorteriaane naïeve openheid, een levensaanvaarding die de verschrikkingen meeneemt.
’t Is lente, ’t is lente,
de knoppen krijgen luidkeels voedsel,
groei grijpt naar de koppige takken,
de kleuren ruiken goedschiks,
voorwaar een pril begin.

’t Is de geurende gonzende lente
een schaamteloze lach, een
ijverig geritsel, ’t is de lente,
die naar haar eigen rokken zwaait.

Een barmhartig schouwspel,
op weg naar een luchtig stervensuur.

Advertenties