armando (1) – gezien

door johan_velter

armando_werkmanmonument_jo han khouw

Van Armando wordt, voorspelbaar, zijn veelzijdigheid geloofd: schilder, dichter, schrijver, muzikant, graficus, tekenaar, journalist, acteur, beeldhouwer, documentairemaker – maar zelden wordt ook alles opgesomd. Maar als het er op aankomt, wordt elke discipline apart genomen en lijkt het alsof er geen centrale persoon aanwezig is.

Er is natuurlijk een probleem. Als schilder begon Armando te werken als expressionist, verzeilde in de Zero-beweging waar zoveel mogelijk emoties en subjectiviteit moesten uitgeschakeld worden en hernam dan een expressionistische houding om die traditie samen te voegen met een informeel abstracte beelding waardoor hij tot zijn gekende beelden kwam. Al is de kunstenaar uit die beelden verdwenen, het gebaar is duidelijk aanwezig – wat niet zo was in de Nul-beweging. De moeilijkheid is dan dat de poëzie en de verhalen van Armando in die ‘objectieve’ stijl ‘gebleven’ zouden zijn, een quasi-journalistieke manier van schrijven waar het subject geen commentaar levert en waar het object geen lawaai maakt. Het is alsof de woorden op zichzelf staan, wel een betekenis hebben maar die niet krijgen. Daartegenover staat het onderwerp van Armando: de oorlog, het geweld, het gevecht, de demonen die juist door hun extreme beweeglijkheid een expressionisme veronderstellen en/of vragen waardoor middel, object en subject niet bij elkaar lopen, niet evenwijdig gaan maar elkaar tegen de schenen schoppend en in de rug duwend in het slijk staan te ploeteren.

Vragen we van kunst of ze toont of verklaart? Is tonen al een (al dan niet gedeeltelijke) voldoende verklaring?

Neem de bomen, het landschap. Armando bekijkt die niet met een objectief oog maar hij draagt een moreel systeem over op die natuur: hij veruitwendigt het menselijke en legt dat buiten de mens – niet het al te simpele zondebok-principe wordt hier echter toegepast. Integendeel, door die schuld naar buiten te brengen wordt ze zwaarder, echter want zichtbaarder. De onschuldige natuur wordt nu beladen met een moreel systeem; het is als dat elfje met die rozenmond dat grove, vulgaire taal uitkraamt en steelt en rooft terwijl je naar haar sprookjesachtige handen kijkt.

En die objectieve taal van Armando, vergelijk dit – en zo word je weer eens bevestigd in je overtuiging dat de woorden niet meer gebruikt kunnen worden, dat ze versleten zijn, uitgehold door de domheid – met de Nobelprijswinnaar 2015, Svetlana Alexijevitsj, die zogezegd de stemmen van de gewone mens op een authentieke manier laat klinken. Maar dat doet zij juist niet: ze bedelft alles met een internationale babbelstijl waardoor de gruweldaden en wat geleden is, bedolven worden onder een brij die niets meer zegt – ja, tranen kunnen tevoorschijn schieten en ogen naar de hemel opgeslagen maar dit is theater. Lees dan een zin van Armando. Hier heb je een objectieve stijl, die tot literatuur gemaakt is en voel de beklemming ervan: doordat er gezwegen wordt, doordat er verondersteld kan worden. Bij het literaire werk van Armando (en ook dat is een verschil met zijn beeldend werk) is veel open, er zijn gaten in de werkelijkheid geslagen waardoor de lezer zelf actief moet worden: hij moet zichzelf beseffen. Bij Alexijevitsj gaat het steeds over anderen, het zijn verhaaltjes. Bij Armando niet: het gaat over hier en nu maar ook over daar en toen. Armando is een schrijver, Alexijevitsj slechts een chroniqueur.

Armando gebruikt een objectieve, beter objectiverende taal, maar hij is, meer dan Alexijevitsj een subject: hij staat in de cultuur, niet in de wereld: hij maakt – hij ondergaat niet; hij bemeestert zelf – hij laat zich niet bemeesteren. Hij weet de suggestiviteit van de taal te gebruiken, hij gebruikt geen achteloze woordjes, of kleine koeienzinnen, hij beschikt slechts (maar slechts is niet pejoratief bedoeld) over een beperkt ( maar beperkt is niet pejoratief bedoeld) arsenaal van woorden, hij werkt schraal (zoals Zero) maar haalt een maximum aan kracht uit zijn taal én uit de beelden. Wanneer hij schrijft, beschrijft hij niet willekeurig – Armando is geen papegaai – maar hij selecteert. Hij bezit het oog van een Tartaarse arend. Zijn taal is niet objectief – dat is slechts de oppervlakte.

Bij Armando moeten we, zeker voor zijn literaire werk, spreken over een oeuvre. Het heeft geen zin om een gedicht te isoleren en die in een bloemlezing op te nemen. Hij ontsnapt, de gelukkige, aldus aan het poëzie-album: het oeuvre bezit geen zinshoogvliegers die op een gelukkig moment in de ochtend aan de dichter ontsnapt zijn maar die in het gedicht of oeuvre geen vervolg kennen en daardoor geïsoleerd blijven. Je kent misschien geen gedichten of regels uit het hoofd maar je kent wel de visie, de houding: je weet waar de schuldige huizen zich bevinden, je ziet hoe de schouderophaling een zonde verraadt, je kent de bomen die gezien hebben.

Werkmanmonument, Armando, Groningen, foto Jo Han Khouw

Advertenties