zwart is de geest : over het werk van javier marías (4)

door johan_velter

javier marias_elly strik_ophelia, 2001-2008

Het stuk ‘Hamlet’ eindigt bij Shakespeare met het begraven van de doden en met de belofte van Horatio de tragische gebeurtenissen voor het nageslacht vast te leggen – is schrijven dan niet zich herinneren om de anderen deelgenoot te maken, om aldus te bewaren? Ook bij Javier Marías bestaat het einde van het verhaal in het begraven van de doden. Eerst is er Beatriz die na haar zelfmoord beweend wordt door haar man en enkele jaren later komt ook hijzelf op een kerkhof te liggen. Maar dit is niet het einde van de roman, ‘Zo begint het slechte’: de schrijver voegt er nog een ‘epiloog’ aan toe wat hem de kans geeft de tragedie van Shakespeare in een komedie te transformeren, aldus bevestigend hoe deze tijd geen tragedie meer dragen kan.

Juan de Vere verhaalt, in zijn rol van Horatio, hoe het hemzelf verder gegaan is. Op de begrafenis van Muriel kwam de oudste dochter hem toegelopen en sindsdien zijn ze samen gebleven en nu hij, als oude man dit schrijft, hebben ze samen kinderen. In de bewuste nacht tijdens de vrijage tussen hem en Beatriz, vermoedde De Vere dat hij bekeken werd door … de oudste dochter – maar het vermoeden, dat de status van een gerucht heeft, werd nooit bevestigd. Ook tijdens het huwelijk werd er niet over gesproken, aldus bevestigend dat wat op maatschappelijk gebied geldt ook op persoonlijk vlak lovenswaardig kan zijn: zwijgen, de vraag niet stellen, de nieuwsgierigheid bedwingen – dit alles wil natuurlijk niet zeggen dat Marías een Franco-adept zou zijn of iemand die zo corrupt is dat hij misdaden wil bedekken, integendeel, hij is ook vandaag nog een criticus van het rechtse Spanje, dus van Spanje, en hij toont aan hoe een corrupte macht de corrumpering van de moraal veroorzaakt, even goed veracht hij de slachtofferindustrie. Maar bovendien bleek bij de autopsie van Beatriz dat ze zwanger was – misschien wist ze het zelf nog niet – en ‘het kind’ had een kind van Juan de Vere kunnen zijn, tellend en rekenend met dagen en uren. Dit leidt bij De Vere tot een kluwen wanneer hij zijn eigen positie tegenover het ongeboren kind, tegenover zijn vrouw, tegenover zijn dochters zou moeten bepalen. En zo herhaalt Juan de Vere het leven van Eduardo Muriel, andere personen maar hetzelfde patroon en bevestigt Marías de symbiose van de oude en de jonge Hamlet: het leven herhaalt zich, het eindeloze kluwen van dood en leven en bedrog komt terug. Het onontwarbare web, het niet-weten en het beter niet te weten, leidt tot een welhaast hilarische rol-over-kop-scène (een vaudeville) – wie op de hoogte is van de filmgeschiedenis zal, zegt men, talloze verwijzingen vinden naar oude filmscènes, acteurs en actrices. En is het filmmilieu niet hét gebied waar de leugen, de misleiding en het zich valselijk voordoen als waarheid gelden?

Maar ook Ophelia speelt een verwarrende rol. Zoals zij bij Shakespeare door Hamlet afgewezen wordt, hem hunkerend tegemoet treedt – ook al is het haar verboden – zo staat ook Beatriz tegenover Muriel. Willy Courteaux schrijft in zijn begeleidende tekst bij ‘Hamlet’ dat de woedepreek van Hamlet tegen Ophelia ‘eigenlijk’ een keten vol verwijten aan de moeder is: in de vrouw, ziet Hamlet enkel nog het verderfelijke, het bedrog, de list, de vulgariteit. In de jonge vrouw wordt de oude vrouw toegesproken – de koningin is even sensueel en oppervlakkig als Beatriz. En als we de houding van Beatriz als een vorm van waanzin omschrijven, dan is dit een bijkomende gelijkenis, om verder nog te zwijgen van beider zelfmoord. Net zoals met Hamlet 1 en 2 en met Horatio, speelt Marías met de figuren van de koningin en Ophelia – ook menselijke relaties zijn duister en verwarrend.

In ‘Hamlet’ van Shakespeare (I, 5) draagt de geest, de oude Hamlet dus, de jonge prins op hem zich te herinneren : ‘Remember me’ (die woorden doen ons Purcell’s Dido herinneren: https://www.youtube.com/watch?v=_EkjmEFk6uk ). Het is deze taak die Muriel afwijst maar die ook De Vere niet volbrengt: de sensuele ontmoeting met Beatriz moet vergeten worden, men moet leven alsof het goede niet gebeurd is. De herinnering moet de wraak inluiden. De oude Hamlet is diegene die de wraakoefening in gang zet, oplegt en het is de jonge Hamlet die ‘aarzelt’. Bij Marías gaat het (gedeeltelijk) omgekeerd. Alhoewel Muriel de opzoekingen beveelt, is hij het die de actie stillegt, afziet van de daad (want ook het weten is een handeling) en is het de jonge Hamlet, Juan de Vere, die verder wil gaan. Bij Marías is het de wijsheid van Montaigne die overwint en de jongen die het spoor van de oude Hamlet wil volgen. De moraal van de bloedwraak behoort aan een corrupt tijdperk, is het instrument van de dictatuur. De vergeving, het vergeten en het niet kunnen vergeten, de wisseling tussen dader en slachtoffer zijn begrippen en praktijken van een humane maatschappij. Niet de etter van de zwarte tijd maar de berusting, de aanvaarding en dus de herhaling. Zoals altijd: de tijd: ‘Al gebeurd, dat is al gebeurd, het is voorbij.’ (p. 359) – ‘[…], wat gebeurt, is al gebeurd.’ (p. 365).

Maar.
In de roman speelt de maan een observerende, bepalende rol (Hamlet, volgens Polonius de lunaticus’) en zo ook op het einde ervan: ‘Mijn kussen zal mijn tranen opvangen en ik zal kunnen wachten zoals die aanhoudende maan.’ Maar de herinnering aan Beatriz en die nacht (haar naam Noguera doet denken aan het zwart van de nacht) jaagt hem de nachten in. De herinnering is het waardevolle. Daarom huilen honden naar de maan. Muriel kreeg van zijn grote liefde, ‘de zo zeldzame passie’, de aanmaning haar niet te herinneren – en hij herinnerde zich juist door het verraad van Beatriz haar elke dag: ‘Doe wat je het minst zal kwellen, waar je het beste mee kunt leven. Maar wis ons dan uit je geheugen, jou en mij. Denk nooit meer aan ons samen als je jezelf niet wilt beklagen, dag na dag en meer nog nacht na nacht. Herinner je ons zelfs niet ieder apart, want uiteindelijk wordt door het herinneren alles altijd verenigd.’ (p. 507).

Coda.
De schrijver Javier Marías heeft van de misleiding zijn handelsmerk gemaakt. Zo laat hij, de grote Shakespeare-kenner, zijn hoofdfiguur Juan de Vere, de naam dragen van hem die (wellicht onjuist) als de schrijver van de Shakespeare-stukken, Edouard de Vere, (ook hier weer een ontdubbeling van de naam: Eduardo Muriel en Juan de Vere (en is Muriel een eerbetoon aan de Shakespeare-kenner Muriel Clara Bradbrook (1909-1993)? – maar wat betekent dan Van Vechten, ‘van oorsprong Vlamingen’ (p. 422), behalve dat hij een ordinaire rechts-katholieke collaborateur is?), naar voren wordt geschoven (‘Nu is er die opschepper die meent te kunnen bewijzen dat ene Edward de Vere zich verschool achter Shakespeare, […].’, zegt Professor Rico, een Umberto Eco-achtige professor in de roman (p. 120). Ook de verteller is niet te vertrouwen – want in werkelijkheid komt de naam De Vere, volgens de verteller, niet van een adellijke voorvader maar werd de naam ‘Vera’ ‘voor de grap’ veranderd in ‘Vere’ (Latijn voor ‘naar waarheid’ en later werd er een ‘de’ voor geplaatst – de adellijke leugen.

En is de kern van het boek wel juist? ([…], in romans vind je te veel willekeur en vermenging en deze riekte al meteen naar een maniëristische, geleerde pastiche.’ (p. 128). In TLS schrijft Michael Kerrigan over deze roman, alhoewel het over een andere roman lijkt te gaan: ‘It’s ironic that those characters who quote Hamlet’s line in the course of the novel invariably misinterpret its conclusion – “and worse remains behind” – as the justification for a fatuous stoicism; a consolatory assurance that the worst is by definition in the past, given that present problems fade to insignificance with time’. En ook al problematiseert Loreto Todd in zijn ‘York notes’ de claus van Hamlet niet, Paul Claes neemt het woordenboek en concludeert: ‘Burgersdijk, Voeten, Courteaux en Komrij vertalen het zinnetje van Hamlet correct. Het Shakespeareaanse ‘remains behind’ betekent: ‘is still to come’. Zie OED s.v. remain 2 a. to be left over and above what has already been done.’. Maar uiteindelijk laat de schrijver het tweede deel echter achter zich: ‘Alles wat gebeurt is gebeurd en het zit muurvast, het is de verschrikkelijke kracht van de feiten, of van hun gewicht dat niet kan worden opgetild. Misschien is het beter je schouders op te halen en ermee in te stemmen en eraan voorbij te gaan, te aanvaarden dat dit de stijl van de wereld is. ‘Thus bad begins and worse remains behind’, is wat Shakespeare zegt in zijn taal. Alleen pas nadat we ermee hebben ingestemd en onze schouders hebben opgehaald, blijft het ergste echt achter, want het is tenminste al verleden tijd. En zo begint alleen het slechte, datgene wat nog niet is aangevangen.’ (p. 403).

Beeld: Elly Strik, Ophelia, 2001-2008

Advertenties